Parketnummer: 22-001841-22.
HR, 13-01-2026, nr. 24/00846
ECLI:NL:HR:2026:51
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2026
- Zaaknummer
24/00846
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:51, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1138
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1169
ECLI:NL:PHR:2025:1169, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:51
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑01‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0009
NTS 2026/15
Uitspraak 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling door 14-jarige jongen een kopstoot te geven door 20-jarige verdachte, art. 302.1 Sr. Bewijsklacht opzet. Heeft verdachte door het geven van kopstoot bewust aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 en HR:2018:718 m.b.t. voorwaardelijk opzet op gevolg. Hof (dat verdachte heeft veroordeeld voor poging tot zware mishandeling) heeft vastgesteld dat verdachte de aangever heeft vastgepakt en hem kopstoot in zijn gezicht heeft gegeven, waardoor aangever een harde klap tegen zijn neus voelde, duizelig werd en neusbreuk opliep. Deze vaststellingen vormen onvoldoende grond voor oordeel dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever door het geven van kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarbij is van belang dat hof i.v.m. die kans geen nadere vaststellingen heeft gedaan over omstandigheden waaronder kopstoot is gegeven, zoals over kracht en gerichtheid waarmee deze is toegebracht. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/00845 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00846
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 maart 2024, nummer 22-001841-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J. Lamers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 10 november 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] meermalen in het gezicht heeft geslagen en die [aangever] een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-3, pagina's 4 t/m 6 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van [aangever] :
Pleegdatum/tijd: 10 november 2021. Ik doe aangifte van mishandeling. Ik zit op school in [plaats] . (...) Ik zag dat er vervolgens twee jongens de trap opliepen en naar ons toekwamen. (...) De andere man kende ik niet. Hij zag er als volgt uit: licht getint, ong. 25 à 30 jaar, ong. 1.80 centimeter lang, kort zwart haar, bril, zwarte pufferjas met capuchon, zwarte broek en zwarte sneakers. (...) Vervolgens kreeg ik van de man een paar platte handen in het gezicht. Ik voelde de harde klappen op mijn wang. (...) Toen pakte diezelfde man mij weer bij mijn jas met zijn beide armen en gaf hij mij een kopstoot in het gezicht. Ik voelde hierdoor een harde klap tegen mijn neus en werd hierdoor erg duizelig.
2. Een geschrift bevattende medische informatie betreffende [aangever] van 17 december 2021, opgemaakt door de [forensisch arts] , inhoudende:
Objectieve bevindingen: op 10 november werd betrokkene op de SEH gezien. (...) Bij beeldvormend onderzoek aanwijzingen voor een neusbreuk met scheefstand naar rechts. Op 15/11 werd de neusbreuk bevestigd en door de KNO-arts rechtgezet. Geschatte genezingsduur: ten minste 6 weken. Kans op blijvende scheefstand neus, mogelijk operatief ingrijpen na 18e levensjaar.
3. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-7, pagina’s 12 t/m 15 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van de [verbalisant 1] :
Naar aanleiding van het strafbare feit zijn op 10 november 2021 bij de school de beelden gevorderd. (...) Ik zag dat rechtsboven in het beeld een datum en een tijd waren vermeld. Ik zag dat de datum 10 november 2021 was. (...) Dader: man, Noord-Afrikaans uiterlijk, ongeveer 25 jaar oud, kort zwart haar, snorretje en klein sikje, draagt bril met gekleurde glazen, draagt een donkere broek, donker gewatteerde jack en zwarte schoenen. Deze persoon zal dader worden genoemd. (...) Dader en persoon 1 komen naar buiten. Dader heeft met zijn rechterhand een jongen bij zijn nek vast. Signalement van deze jongen: ongeveer 14-15 jaar oud, zwart haar, draagt een zwarte trui met witte opdruk, zwarte broek en een zwart kort jack. Ik zal deze jongen verder als slachtoffer 1 benoemen. (...) Dader slaat meerdere malen slachtoffer 1 met een vlakke hand in het gelaat. (...) Dader pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van dader 1 gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. (...) Dader loopt naar slachtoffer 1, spreekt hem aan en geeft hem met zijn linkerhand een klap in zijn gelaat.
4. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-31, pagina 24 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Ik keek de camerabeelden van de mishandeling gepleegd op 10 november 2021 in [plaats] uit. (...) Dit aanvullend proces-verbaal moet specifiek gaan over het gedeelte waar de kopstoot wordt uitgedeeld door de [verdachte] . (...) Slachtoffer 1 is ook wel bekend bij ons als [aangever] . (...) De verdachte pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van de verdachte gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. Slachtoffer 1 beweegt zijn hoofd daarna in een snelle beweging naar achter waarna hij naar achter stapt. De verdachte neemt een stap in de richting van slachtoffer 1 waarna hij met zijn linkerhand slachtoffer 1 in het gezicht slaat.
5. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-20, pagina’s 49 t/m 54 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Ik ben op eigen initiatief met mijn domme kop naar mijn broertje zijn school gegaan. (...) Ik heb toen een klap uitgedeeld aan allebei de jongens. (...) Ik heb jullie gezegd dat ik klappen heb gegeven. (...) Ik sloeg met open handen.”
2.2.3
Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt over de bewezenverklaring in:
“Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de wettige bewijsmiddelen, opleverende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna is vermeld.
Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de politierechter - evenals de officier van justitie - van oordeel is dat de verdachte door het geven van een kopstoot aan aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.”
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.3.3
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het –behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)
2.4
Het hof – dat de verdachte heeft veroordeeld voor poging tot zware mishandeling – heeft vastgesteld dat de verdachte de aangever heeft vastgepakt en hem een kopstoot in het gezicht heeft gegeven, waardoor de aangever een harde klap tegen zijn neus voelde, duizelig werd en een neusbreuk opliep. Deze vaststellingen vormen onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever door het geven van een kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarbij is van belang dat het hof in verband met die kans geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder de kopstoot is gegeven, zoals over de kracht en de gerichtheid waarmee deze is toegebracht.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Poging tot zware mishandeling door geven van kopstoot. Slagend middel over bewijsvoering voorwaardelijk opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00846
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 maart 20241.het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2022 bevestigd, waarbij de verdachte wegens subsidiair "poging tot zware mishandeling" is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
1.2
Namens de verdachte heeft M.J. Lamers, advocaat in Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 10 november 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen in het gezicht heeft geslagen en die [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-3, pagina's 4 t/m 6 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer]:
Pleegdatum/tijd: 10 november 2021. Ik doe aangifte van mishandeling. Ik zit op school in [plaats] . (...) Ik zag dat er vervolgens twee jongens de trap opliepen en naar ons toekwamen. (...) De andere man kende ik niet. Hij zag er als volgt uit: licht getint, ong. 25 a 30 jaar, ong. 1.80 centimeter lang, kort zwart haar, bril, zwarte pufferjas met capuchon, zwarte broek en zwarte sneakers. (...) Vervolgens kreeg ik van de man een paar platte handen in het gezicht. Ik voelde de harde klappen op mijn wang. (...) Toen pakte diezelfde man mij weer bij mijn jas met zijn beide armen en gaf hij mij een kopstoot in het gezicht. Ik voelde hierdoor een harde klap tegen mijn neus en werd hierdoor erg duizelig.
2. Een geschrift bevattende medische informatie betreffende [slachtoffer] van 17 december 2021, opgemaakt door de forensisch arts [specialist] , inhoudende:
Objectieve bevindingen: op 10 november werd betrokkene op de SEH gezien. (...) Bij beeldvormend onderzoek aanwijzingen voor een neusbreuk met scheefstand naar rechts. Op 15/11 werd de neusbreuk bevestigd en door de KNO-arts rechtgezet. Geschatte genezingsduur: ten minste 6 weken. Kans op blijvende scheefstand neus, mogelijk operatief ingrijpen na 18e levensjaar.
3. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-7, pagina’s 12 t/m 15 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van [verbalisant 1]:
Naar aanleiding van het strafbare feit zijn op 10 november 2021 bij de school de beelden gevorderd. (...) Ik zag dat rechtsboven in het beeld een datum en een tijd waren vermeld. Ik zag dat de datum 10 november 2021 was. (...) Dader: man, Noord-Afrikaans uiterlijk, ongeveer 25 jaar oud, kort zwart haar, snorretje en klein sikje, draagt bril met gekleurde glazen, draagt een donkere broek, donker gewatteerde jack en zwarte schoenen. Deze persoon zal dader worden genoemd. (...) Dader en persoon 1 komen naar buiten. Dader heeft met zijn rechterhand een jongen bij zijn nek vast. Signalement van deze jongen: ongeveer 14-15 jaar oud, zwart haar, draagt een zwarte trui met witte opdruk, zwarte broek en een zwart kort jack. Ik zal deze jongen verder als slachtoffer 1 benoemen. (...) Dader slaat meerdere malen slachtoffer 1 met een vlakke hand in het gelaat. (...) Dader pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van dader 1 gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. (...) Dader loopt naar slachtoffer 1, spreekt hem aan en geeft hem met zijn linkerhand een klap in zijn gelaat.
4. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-31, pagina 24 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van [verbalisant 2]:
Ik keek de camerabeelden van de mishandeling gepleegd op 10 november 2021 in [plaats] uit. (...) Dit aanvullend proces-verbaal moet specifiek gaan over het gedeelte waar de kopstoot wordt uitgedeeld door de [verdachte] . (...) Slachtoffer 1 is ook wel bekend bij ons als [slachtoffer] . (...) De verdachte pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van de verdachte gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. Slachtoffer 1 beweegt zijn hoofd daarna in een snelle beweging naar achter waarna hij naar achter stapt. De verdachte neemt een stap in de richting van slachtoffer 1 waarna hij met zijn linkerhand slachtoffer 1 in het gezicht slaat.
5. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-20, pagina’s 49 t/m 54 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van [verdachte]:
Ik ben op eigen initiatief met mijn domme kop naar mijn broertje zijn school gegaan. (...) Ik heb toen een klap uitgedeeld aan allebei de jongens. (...) Ik heb jullie gezegd dat ik klappen heb gegeven. (...) Ik sloeg met open handen.”
2.4
Het hof heeft het vonnis van de politierechter integraal bevestigd. De politierechter heeft in zijn vonnis met betrekking tot de bewezenverklaring overwogen:
“Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de wettige bewijsmiddelen, opleverende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna is vermeld.
Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de politierechter - evenals de officier van justitie - van oordeel is dat de verdachte door het geven van een kopstoot aan aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.”
2.5
Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering enkel kan volgen dat de verdachte een kopstoot heeft gegeven, zonder dat daaruit kan volgen op welke wijze de kopstoot is gegeven en onder welke omstandigheden dat is gedaan, zodat voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsvoering kan volgen. Daarmee zou het oordeel dat met het geven van een kopstoot bewust de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk zijn waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
2.6
Ik stel voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De vraag of sprake is van een aanmerkelijke kans dient te worden benaderd vanuit het perspectief van een criteriumfiguur. Dit komt erop neer dat de vraag moet worden gesteld of een objectieve derde (de criteriumfiguur) wetende wat de verdachte weet en ziende wat de verdachte ziet, de kans op het intreden van het voorziene gevolg in zou schatten als een reële mogelijkheid.2.Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.3.
2.7
De vraag of het uitdelen van een kopstoot een poging tot zware mishandeling oplevert, heeft in cassatie eerder gespeeld. In een arrest van 22 maart 2011 overwoog de Hoge Raad dat de enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de kopstoot (op de neus van het slachtoffer) door de verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer ten gevolge van die kopstoot achterover viel, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.4.De Hoge Raad overwoog in een (iets later) arrest van 22 november 2011 dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de kopstoot door de verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer daardoor een bloedende wond op zijn neus (die moest worden gehecht) heeft opgelopen en door die stoot onderuit is gegaan, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.5.
2.8
Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad volgt aldus dat de enkele omstandigheid dat een harde (krachtige) kopstoot is uitgedeeld, niet voldoende is voor het oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor dienen nadere vaststellingen te worden gedaan, bijvoorbeeld over de omstandigheden waaronder de kopstoot is gegeven of de hoedanigheid van de dader.6.
2.9
Uit de bewijsvoering in de voorliggende zaak volgt dat de verdachte met zijn vlakke hand een aantal keer in het gezicht van het slachtoffer slaat. Vervolgens pakt de verdachte met zijn hand het slachtoffer aan de achterzijde van zijn nek en beweegt hij zijn hoofd naar achter en vervolgens naar voren in de richting van het gezicht van het slachtoffer. Hierna geeft de verdachte het slachtoffer opnieuw een klap in het gezicht. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door het geven van een kopstoot bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Nu het uitdelen van een kopstoot op zichzelf onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, klaagt het middel daarover terecht.
2.10
Het middel slaagt.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
Vgl. R. ter Haar en M. Hornman, Poging middels voorwaardelijk opzet: Dient er in concreto sprake te zijn geweest van een aanmerkelijke kans?, NTS 2020/55, afl. 3, p. 146-162.
Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Y. Buruma en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. H.D. Wolswijk.
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2715, r.o. 2.4.
HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6368, r.o. 2.5.
Vgl. in verband met het geven van een vuistslag in het gezicht: HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453, NJ 2019/192 m.nt. H.D. Wolswijk, HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:659, NJ 2019/193 m.nt. H.D. Wolswijk en HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:661, NJ 2024/274 m.nt. H.D. Wolswijk.
Beroepschrift 07‑01‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR houdende middelen van cassatie in de zaak van:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2001, wonend aan de [adres], [postcode] te [woonplaats], verzoeker in cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof 's‑Gravenhage, met parketnummer 22/001841-22, gewezen op 8 maart 2024.
Middel I
Schending van de artikelen 350, 358, 359, 415 Sv en 45, 82, 302 Sr, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet naleving met nietigheid wordt bedreigd.
Meer in het bijzonder is het Hof tot een bewezenverklaring terzake poging zware mishandeling gekomen, terwijl die bewezenverklaring niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans heeft het Hof die beslissing onbegrijpelijk en/of onvolledig en ontoereikend gemotiveerd, nu daaruit niet kan volgen dat het (voorwaardelijk) opzet van verzoeker daarop was gericht.
Toelichting:
1.
Het Hof is, met bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, tot een bewezenverklaring van poging zware mishandeling gekomen. De politierechter heeft als bewijsmiddelen slechts verklaringen gebruikt waaruit kan worden afgeleid dat een kopstoot is gegeven -waarbij het hoofd van verzoeker kort naar achter is gegaan en naar voren gaat tegen het hoofd van aangever. Daarnaast is een medische verklaring van aangever voor het bewijs gebruikt waaruit volgt dat er bij aangever sprake is van een neusbreuk met scheefstand naar rechts. Voor de exacte en volledige inhoud wordt verwezen naar de inhoud van de bewijsmiddelen (p. 3 en 4 van het vonnis d.d. 9 juni 2022).
2.
Op p. 5 staat nog een —door het Hof overgenomen en bevestigde— bewijsmotivering van de politierechter die inhoudt ‘dat in aanmerking wordt genomen dat de politierechter van oordeel is dat de verdachte door het geven van een kopstoot aan aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen’.
3.
Uit onder andere Hof Arnhem-Leeuwarden, 29 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3625 in combinatie met HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6368 (met verwijzing naar HR LJN BI4736) volgt dat voor een veroordeling terzake poging tot zware mishandeling het opzet van de verdachte gericht moet zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Aldus moet komen vast te staan dat er sprake is van een handeling zijdens de verdachte die naar zijn aard de aanmerkelijke kans oplevert dat als gevolg daarvan bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel optreedt. De kans op zwaar lichamelijk letsel is bij het geven van een kopstoot met kracht blijkens voornoemde jurisprudentie niet zonder meer aanmerkelijk te achten.
4.
Uit de bewijsmiddelen zal derhalve moeten volgen dat de verdachte met de wijze waarop hij aangever een kopstoot heeft gegeven, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
5.
In onderhavig geval kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat er sprake is geweest van een het geven van een kopstoot, als gevolg waarvan er sprake is van een neusbreuk en scheefstand van de neus is opgetreden, maar houden die bewijsmiddelen onvoldoende concrete feiten en omstandigheden in over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die kopstoot is gegeven. Uit de door het Hof/PR gebruikte bewijsmiddelen blijken dergelijke feiten en omstandigheden onvoldoende, waardoor voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet kan blijken. De —te algemene— motivering dat met het geven van een kopstoot (automatisch) voorwaardelijk opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel wordt aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, geeft (derhalve) blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nader toelichting die ontbreekt niet begrijpelijk en onjuist. De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met redenen omkleed, hetgeen leidt tot nietigheid.
Op bovengenoemde gronden verzoekt verzoeker Uw College eerbiedig om het arrest zoals gewezen door het gerechtshof 's‑Gravenhage op 8 maart 2024 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als Uw College als juist en noodzakelijk voorkomt.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Kruisstraat 307, (3581GK), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Utrecht, 7 januari 2025
Raadsman,