Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.5.e
7.5.e Recht op een eerlijk proces: karakter onderzoek en motivering
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603470:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.4c.
Paragraaf 7.4b en 7.4c.
Paragraaf 4.4c.
Vgl. Van Kempen in zijn noot onder EHRM 17 mei 2011 (ontv.), NJ 2012/307 (Suhadolc/ Slovenië); hetzelfde geldt voor de controle van de Hoge Raad op het oproepen en horen van getuigen, waarbij 80a-afdoening afhankelijk van het voorliggende geval tot schending van artikel 6 EVRM zou kunnen leiden, zie daarover A-G Harteveld in zijn conclusie van 17 januari 2017, ECLI:PHR:171, naar aanleiding van de klacht bij het EHRM in de thans nog aanhangige zaak Keskin/Nederland, nr. 2205/16.
Paragraaf 4.7.
Voor cassatie met uitzondering van EHRM 10 april 2012, nr. 11656/08 (Bar-Bau S. z o. o./ Polen), waarover uitgebreid paragraaf 4.5e.
Paragraaf 4.7.
Wat het EHRM als leave to appeal beschouwt, is niet geheel duidelijk, zie paragraaf 3.10b.
Paragraaf 7.2b en 7.2d.
Ten derde rijzen de samenhangende vragen of het toegangsonderzoek dat plaatsvindt in het kader van artikel 80a RO voldoende grondig is om de toets van artikel 6 EVRM te doorstaan, en of van die grondigheid voldoende duidelijk blijkt. Op grond van de proper examination-eis moet een gerecht de standpunten van de procespartijen voldoende grondig onderzoeken, “without prejudice to its assessment of whether they are relevant”.1 Het is moeilijk om over dit vereiste algemene uitspraken te doen, omdat de toetsing van het EHRM eraan zeer casuïstisch is, in sommige gevallen gaat het Hof zelfs diep in op de selectie en waardering van bewijsmateriaal. De eis van proper examination lijkt vooral in het geding indien het eindoordeel over de strafzaak in de nationale procedure gelet op de aan het EHRM beschikbare stukken te veel vragen oproept.
Nu is er in het algemeen weinig aanleiding om te denken dat de Hoge Raad 80a-gevallen onvoldoende grondig beoordeelt. De beoordeling vindt plaats door drie raadsheren, waarbij kennis kan worden genomen van de stukken van het geding, inclusief bewijsmateriaal, hetgeen volgens de gepubliceerde rechtspraak in sommige gevallen ook daadwerkelijk gebeurt. Daar staat echter tegenover dat sinds 2015 in veel gevallen een conclusie achterwege blijft en volgens de overzichtsarresten in beginsel beoordeling op grond van de cassatieschriftuur plaatsvindt.2 In die opzichten is de procedure onder artikel 80a RO minder uitgebreid dan de reguliere behandeling van een cassatieberoep, al hoeft dit niet per se tot een minder grondige beoordeling te leiden.
Toch is het 80a-onderzoek in concrete gevallen wellicht problematisch, in het bijzonder als bij het EHRM aannemelijk kan worden gemaakt dat de in cassatie ingediende klacht de vinger legt op zere plekken in de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak. Dit geldt in het bijzonder indien de 80a-af-doening met een standaardmotivering heeft plaatsgevonden én het parket een conclusie achterwege heeft gelaten. Het vereiste van grondig onderzoek koppelt het EHRM namelijk aan voorschriften over de motivering. Een gebrek aan motivering laat immers in het midden of de nationale rechter “neglected to deal with a part of the applicant’s arguments […] or whether the [...] Court had actually reviewed the applicant’s arguments and evidence in their entirety but had merely failed to mention it and state specific reasons for dismissing it”.3 Indien in zaken waarin – kort gezegd – het oordeel over de schuld van de verdachte in redelijkheid kan worden betwijfeld, niet meer dan een standaardmotivering voor 80a-afdoening is gegeven en geen motivering uit de conclusie kan worden afgeleid, is niet ondenkbaar dat het EHRM een schending vaststelt van de proper examination-eis.4 Voor de in Lalmahomed/Nederland aangehaalde norm van full and thorough evaluation of the relevant factors geldt hetzelfde.5
Hierbij verdient ten slotte aandacht dat de standaardmotivering van afdoening op grond van artikel 80a RO in het algemeen in Straatsburg vermoedelijk niet op bezwaren stuit. Keer op keer worden klachten over de motivering van weigering van leave to appeal immers afgewezen, in veel zaken na tamelijk abstracte beoordeling.6 Voor die veelal onvoorwaardelijke goedkeuring van standaardmotivering van toegangsweigering is wel van groot belang dat artikel 80a RO in Straatsburg als leave to appeal wordt gekwalificeerd, omdat daarmee de terughoudend toetsing van het EHRM doorgaans immers samenhangt.7 Anders geformuleerd: in Straatsburg doet de Nederlandse overheid er goed aan artikel 80a RO als leave to appeal te prestenteren, terwijl klagers en hun advocaten belang hebben bij het tegenovergestelde. Gelet op het inhoudelijke en vrije karakter van de toegangsvoorwaarden uit artikel 80a RO is kwalificatie als leave to appeal volgens mij zeer waarschijnlijk.8 Als het EHRM voor de kwalificatie van artikel 80a RO als leave to appeal echter belang hecht aan de toelichting op die bepaling van de Nederlandse wetgever, is die conclusie minder vanzelfsprekend. In de toelichting op artikel 80a RO is immers het karakter van die bepaling als verlofstelsel uitdrukkelijk ontkend. Artikel 80a RO zou geen verlofstelsel maar een ‘selectiemechanisme’ zijn.9 Hoewel het verschil tussen het één en het ander in de toelichting niet helemaal duidelijk wordt gemaakt, kan deze parlementaire toelichting voor het EHRM aanleiding zijn artikel 80a RO juist niet als leave to appeal te bestempelen. Dat zou tot gevolg hebben dat het EHRM de toepassing van artikel 80a RO intensiever toetst dan het bij leave to appeal proceedings pleegt te doen. Door ontkenning van het verlofstelsel-karakter van artikel 80a RO, heeft de wetgever zichzelf met het oog op verdragsrechtelijke beoordeling dus mogelijk in de vingers gesneden.