Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/3.1
3.1 Inleiding
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS495397:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie B. Snijder-Kuipers, 'Rechtsvormwijziging in het ondernemingsrecht', WPNR 2007-6710, p. 448.
Rechtsvormwijziging is een nationale regeling. Vanuit het Europese recht bepaalt artikel 13 Tweede Richtlijn (Tweede Richtlijn 77/91/EEG van 13 december 1976) dat rechtsvormwijziging in een naamloze vennootschap met dezelfde waarborgen omkleed dient te zijn als oprichting van een naamloze vennootschap.
B. Snijder-Kuipers, 'Rechtsvormwijziging in het ondernemingsrecht', WPNR 2007-6710, p. 448-449.
Wet van 31 mei 1956, Stb. 327.
Aanvankelijk niet in de wet opgenomen, maar bij nota van wijzigingen ingevoerd.
Voor rechtsvormwijziging in naamloze vennootschap of vereniging.
In dit hoofdstuk zal het karakter van de rechtsfiguur 'rechtsvormwijziging'1 worden besproken. De regeling voor rechtsvormwijziging geldt niet voor publiekrechtelijke rechtspersonen. Publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen echter wel worden 'omgezet'. Dit laatste komt in dit hoofdstuk aan de orde.
Vanuit een omschrijving van het begrip rechtspersoon komt vervolgens op chronologische wijze de wetshistorie2 van de rechtsfiguur `rechtsvormwijziging' aan de orde. In de loop van de tijd zijn aan deze rechtsfiguur verschillende rechtsgevolgen toegekend. In de ontwikkeling van de rechtsfiguur zijn drie fasen te onderscheiden.3 De eerste fase is van 1957 tot 1976 (vermogensoverdracht), de tweede fase van 1976 tot 1991 (vermogensovergang) en de derde fase vanaf 1992 (vermogenshandhaving).
De eerste keer dat de rechtsfiguur 'omzetting' in een wettelijke regeling voorkwam, was in de Wet op stichtingen.4 Deze wet dateert van 1 januari 1957. De periode van 1957 tot en met 1967 kan onderverdeeld worden in twee perioden, te weten 1 januari 1957 tot en met 31 december 1961 (eerste periode) en 1 januari 1962 tot en met 25 juli 1976 (tweede periode). In beide perioden was een beperkte wijze van rechtsvormwijziging mogelijk, namelijk rechtsvormwijziging van een stichting in een vereniging, cooperatieve vereniging of naamloze vennootschap.
In de eerste periode was het overgangsrecht van toepassing. Gedurende het overgangsrecht was rechterlijke machtiging niet vereist voor rechtsvormwijziging. De rechter kon niet tot ontbinding van een stichting overgaan op grond van het feit dat de stichting een met de wet strijdig doel had, leden had of onvoldoende vermogen had om het doel te verwezenlijken. Voor die gevallen was rechtsvormwijziging bedoeld. In de tweede periode5 was rechtsvormwijziging opgenomen in de algemene bepalingen. Rechterlijke machtiging was nu wel vereist.6 De rechter kon nu wel tot ontbinding van een stichting overgaan indien een grond tot ontbinding bestond.
Het karakter van rechtsvormwijziging in het Nederlandse recht wordt vervolgens vergeleken met het karakter van deze rechtsfiguur in Duitsland. Ten slotte wordt onderzocht in hoeverre rechtsvormwijziging overeenkomsten vertoont dan wel afwijkt van de regeling betreffende statutenwijziging. Rechtsvormwijziging zie ik als een vorm van statutenwijziging. Ik stel daarom voor de regeling voor rechts-vormwijziging niet te handhaven in de algemene bepalingen van Boek 2 BW maar deze regeling op te nemen voor elk afzonderlijke privaatrechtelijke rechtspersoon bij de regeling van statutenwijziging. Ik zal afsluiten met een tekstvoorstel voor de bestaande wettelijke regeling van rechtsvormwijziging.