Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.5.2
4.5.2 Materieelrechtelijke en formeelrechtelijke onderwerpen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS500707:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de civiele sectoren van de rechtbanken wordt gewerkt met het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken, het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en het Rolreglement van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden. Allen te vinden op rechtspraak.nl.
In de aanpassing van de aanbevelingen door de Kring van Kantonrechters (besluit van 30 oktober 2008) werden processuele punten zoals bijvoorbeeld doorlooptijd, termijn dagbepaling (art. 279 lid 1 Rv) en de handelwijze bij niet verschijnen verweerder aanbevelingen opgenomen. Bron: www.rechtspraak.nl. Datum raadpleging: 30 oktober 2011.
Zie ook hierna paragraaf 4.6.1.
Bovend'Eert 2010, p. 28.
Brennikmeijer 2001, p. 56.
snijders 2001, p. 20-21.
Teuben 2004, p. 111.
Artikel 11 wet AB.
De bepalingen in rechtersregelingen kunnen zowel betrekking hebben op formeelrechtelijke als materieelrechtelijke onderwerpen, dan wel een mengvorm hiervan. Procesreglementen zijn voorbeelden van regelingen die overwegend betrekking hebben op processuele onderwerpen met een formeel karakter zoals de wijze van procederen en de voortgang van het geding.1 Materieelrechtelijke regelingen hebben overwegend betrekking op de inhoud van het recht (de inhoud van rechtsplichten- en bevoegdheden). Een voorbeeld hiervan zijn de Tremanormen, die betrekking hebben op de berekening van de hoogte van (het recht op) alimentatievergoeding. De aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters zijn een voorbeeld van een gemengde regeling: hierin zijn naast aanbevelingen omtrent de berekening van de ontslagvergoeding ex artikel 7:685 lid 8 BW (materiële kwestie) ook processuele aanbevelingen opgenomen.2
De Beslagsyllabus kent, reeds op grond van de omstandigheid dat er een sterke binding is met het wetboek van Rv, waarin formeel recht is opgenomen, een overwegend formeel karakter. De Beslagsyllabus heeft betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wijze van beoordeling van verzoeken tot het leggen van conservatoir beslag (een procesrechtelijke bevoegdheid ter bewaring van een recht).
In het algemeen kan worden gesteld dat rechtersregelingen die betrekking hebben op materieelrechtelijke onderwerpen (alimentatienormen, kantonrechtersformule) een grotere mate van politiek maatschappelijke aandacht kennen dan regelingen die betrekking hebben op procesrechtelijke onderwerpen. Het was in dit opzicht dan ook bijzonder te noemen dat naar aanleiding van de zaak Storms (voorheen Brink)/Smit in 2011 kamervragen werden gesteld en de Beslagsyllabus in de publieke belangstelling kwam te staan.3
Bovend'Eert merkt in dit kader op dat vanuit een constitutioneel oogpunt in de rede ligt dat rechtersregelingen eerder op het gebied van procesrecht dan van het materieel recht tot stand komen. Op het terrein van het materiële recht kunnen te veel vraagtekens gesteld worden bij de rolverdeling tussen rechter en wetgever, aldus Bovend'Eert.4 Ook Brennikmeijer benoemt dit onderscheid tussen rechterlijke afstemming op het gebied van procesrecht en materieel recht; het vaststellen van procesregelingen wekt minder verwondering dan regelingen op het gebied van materieel recht, aldus deze auteur.5
Snijders meent dat rechterlijke samenwerking op het gebied van het materiële recht minstens zo gewenst, zo niet meer gewenst is, als op het gebied van procesrecht. Dit omdat voor justitiabelen een gebrek aan rechtseenheid op formeelrechtelijk gebied nog als onpraktisch kan worden gezien, maar op materieelrechtelijk gebied onacceptabel is.6
Voornoemde auteurs adresseren een spanning die zich met name voordoet bij rechtersregelingen op materieelrechtelijk gebied: enerzijds bestaat een behoefte aan het bevorderen van rechtseenheid, terwijl zich anderzijds, wanneer dit plaatsvindt in de vorm van rechtersregelingen, het gebrek aan democratische legitimatie zich hier het sterkst lijkt te doen gevoelen omdat de inhoud van de rechtersregeling nogal eens een weerslag zal zijn van afwegingen van (rechts)politieke aard.
Teuben acht dit minder problematisch, nu de rechter ook in het kader van zijn rechtsvormende taak keuzes kan maken waaraan politiek of maatschappelijk gewicht is verbonden en dat hieraan ook geen democratische legitimatie in de weg staat.7 Tegen deze argumentatie is, meen ik, in te brengen dat rechtspreken in een individuele zaak een geheel ander karakter heeft dan het vaststellen van algemene regels voor in de toekomst te nemen beslissingen, waaraan duidelijk een bredere werking is verbonden dan die welke toekomt aan een uitspraak in een individuele zaak. Bovendien is de rechter in een individuele zaak gehouden om tot een uitspraak te komen, of hier nu een politieke- of maatschappelijke component aan is verbonden of niet.8 In het geval van een rechtersregeling is daarentegen sprake van een bewuste keuze om een regel met dergelijke kenmerken op te nemen of niet.