Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.3.1
7.3.1 Doelstellingen volgens de Commissie en het HvJ EG
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577538:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 41-42 en 53.
Zie het antwoord van 10 april 1973 op een schriftelijke vraag (nr. 519/72) van Vredeling, PbEG 1973, C 67/55. Zie Wils 2005, p. 115.
Zie voor een overzicht ook de opsomming in voetnoot 112 bij de conclusie van de AG Van Gerven van 27 oktober 1993 behorende bij HvJ EG 13 april 1994, zaak C-128/92 (Banks), Jur. 1994, p. 1-1209.
Zie over een Europeesrechtelijke aansprakelijkheid voor schade bij schending van Europees mededingingsrecht de bijdrage van Hesper 1999, p. 143-162.
HvJ EG 20 september 2001, zaak C-453/99 (Courage/Crehan), Jur. 2001, p. 1-6297, r.o. 27.
Zie ook HvJ EG 9 maart 1978, zaak 106/77 (Simmenthal), Jur. 1978, p. 629, r.o. 16; HvJ EG 19 juni 1990, zaak C-213/89 (Factortame I), Jur. 1990, p. 1-2433, r.o. 19.
R.o. 26. Zie ook HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 en C-298/04 (Manfredi), Jur. 2006, p. 1-6619, NJ 2007, 34 m.nt. MRM.
HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 en C-298/04 (Manfredi), Jur. 2006, p.1-6619, NJ 2007, 34 m.nt. MRM. Zie over de relatie tussen het Manfredi-arrest en het Groenboek van de Commissie (COM/2005/672 def.) De Smijter & O'Sullivan 2006, p. 23-26.
In HvJ EG 20 september 2001, zaak C-453/99 (Courage/Crehan), Jur. 2001, p. 1-6297 wordt door het HvJ EG ook verwezen naar HvJ EG 4 oktober 1979, zaak 238/78 (Ireks-Arkady), Jur. 1979, p. 2955, r.o. 14; HvJ EG 27 februari 1980, zaak 68/79 (fust), Jur. 1980, p. 501, r.o. 26 en HvJ EG 21 september 2000, gevoegde zaken C-441/98 en C-442/98 (Michailidis), Jur. 2000, p. 1-7145, r.o. 31.
Zie over de preventiefunctie en de compensatiefunctie van de handhaving van mededingingsrecht: Wils 2005, p. 116.
Zoals in § 7.2.2.1 is geconcludeerd kan het hoofddoel van de verkrijging van schadevergoeding bij schending van het mededingingsrecht worden gedefinieerd als het plaatsen van de benadeelde in de positie waarin hij zou hebben verkeerd indien de laedens zijn rechtsplicht om het mededingingsrecht niet te schenden zou zijn nagekomen. Daarnaast zijn er andere doelen/functies van schadevergoeding die ik zojuist in § 7.2 heb besproken.
Naast de compensatiefunctie zijn de rechtshandhavingsfunctie en de preventiefunctie (afschrikking) vanuit beleidsmatig perspectief het meest van belang voor het streven naar een werkelijke mededinging in de EU. Het HvJ EG en de Commissie beschouwen de vordering tot schadevergoeding dan ook als privaatrechtelijk handhavinginstrument, naast de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.1 In 1973 heeft de Commissie reeds aangegeven dat acties tot verkrijging van schadevergoeding de publiekrechtelijke handhaving kunnen ondersteunen.2 De Commissie heeft in de loop van de tijd dat standpunt herhaald.3
In de considerans nr. 7 bij Verordening 1/2003 staat te lezen:
'De nationale rechterlijke instanties vervullen bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels een wezenlijke taak. Zij beschermen de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende subjectieve rechten door geschillen tussen particulieren te beslechten, met name door aan de slachtoffers van inbreuken schadevergoeding toe te kennen. De rol van de nationale rechterlijke instanties is dienaangaande complementair aan die van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. Het is bijgevolg noodzakelijk hun de bevoegdheid toe te kennen de artikelen 81 en 82 van het Verdrag ten volle toe te passen.'
In 1993 concludeert de AG Van Gerven in de zaak Banks dat er op het terrein van het mededingingsrecht sterke bijkomende argumenten bestaan voor een in het gemeenschapsrecht gewortelde mogelijkheid voor ondernemingen om de schade gecompenseerd te zien die zij ondervinden doordat andere ondernemingen hun communautaire verplichtingen niet naleven. Hij concludeert (§ 44-45):
'In de eerste plaats vormt het toekennen van zulk schadevergoedingsrecht het logische sluitstuk van de horizontale rechtstreekse werking van de betrokken regels: de uitspraken in Simmenthal en Factortame I (...) brengen immers geen oplossing wanneer een nationale rechter niet met een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke regel wordt geconfronteerd welke hij buiten toepassing kan laten, doch met een privaatrechtelijke situatie waarin een of meerdere ondernemingen een concurrentieregel schenden en daardoor aan een derde schade wordt berokkend. De enige doeltreffende wijze waarop de nationale rechter in die omstandigheden de geschonden rechtstreeks werkende bepalingen van gemeenschapsrecht ten volle kan handhaven, is door de gelaedeerde partij via schadevergoeding in haar rechten te herstellen. Zelfs het vaststellen van de nietigheid van de tussen partijen geldende rechtsbetrekking - waarvoor in het gemeenschapsrecht wel een expliciete grondslag wordt gevonden - is niet bij machte de door een derde (reeds) geleden schade goed te maken.
Daarnaast komt aan een dergelijke schadevergoedingsregel een belangrijke rol toe bij het meer operationeel maken van de communautaire mededingingsregels, te meer daar de Commissie, als hoedster van deze regels, zelf toegeeft op de medewerking van de nationale rechter bij de handhaving van deze regels te zijn aangewezen. Particuliere schadevergoedingsacties hebben overigens ook in de Verenigde Staten sedert geruime tijd hun nut bewezen voor de handhaving van de federale anti-trustregels.'
A-G Van Gerven verdedigt in zijn conclusie in de zaak Banks dat het recht op vergoeding van schade - geleden doordat een onderneming direct werkende communautaire mededingingsregels schendt - zijn grondslag vindt in de communautaire rechtsorde zelf. De nationale rechter is volgens A-G Van Gerven op grond van zijn verplichting de volle werking van het gemeenschapsrecht te verzekeren en de daardoor aan particulieren toegekende rechten te beschermen, verplicht vergoeding toe te kennen voor de schade die een onderneming oploopt ten gevolge van de schending van een direct werkende communautaire mededingingsbepaling door een andere onderneming.4
In 2001 wijst het HvJ EG in Courage/Crehan op het feit dat 'bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van daadwerkelijke mededinging in de Gemeenschap.'5 Het HvJ EG herhaalde nog eens dat (r.o. 25)
'(...) volgens vaste rechtspraak de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht, de volle werking van dat recht dient te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten dient te beschermen.'6
Aan de volle werking van artikel 81 EG, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde kartelverbod, zou volgens het HvJ EG worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.7 In het arrest Manfredi heeft het HvJ EG dit nog eens bevestigd.8
Een dergelijk recht maakt volgens het HvJ EG (r.o. 27):
'(...) de communautaire mededingingsregels gemakkelijker toepasbaar, waardoor - vaak verborgen - overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden. In zoverre kunnen bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen volgens het HvJ EG wezenlijk bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Gemeenschap.'
Wel oordeelde het HvJ EG in Courage/Crehan reeds dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden.9
Het HvJ EG wijst in Courage/Crehan steeds op het objectieve gemeenschapsrecht of mededingingsrecht, terwijl in de considerans van Verordening 1 /2003 (nr. 7) weer wordt gesproken over de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende subjectieve rechten. Deze begrippen zijn niet tegenstrijdig nu het objectieve gemeenschapsrecht of mededingingsrecht subjectieve rechten impliceert.
Geconcludeerd kan worden dat de mogelijkheid tot het verkrijgen van schadevergoeding in de ogen van het HvJ EG en de Commissie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de handhaving van het mededingingsrecht. Dit past in de visie dat de compensatiefunctie, de rechtshandhavingsfunctie en de preventiefunctie (afschrikking) van wezenlijk belang zijn voor het streven naar een werkelijke mededinging in de Eu.10