Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.4
2.4 Verzoekschriftprocedures
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434221:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 3, p. 6 (Mv'I).
Struycken (1970), p. 135; Wendels (1983), p. 10; Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 116; Strikwerda (2000), nr. 224. Aldus ook Tweede-Kamerlid Geurtsen, Handelingen // 1968/69, 8, p. 321. Anders nog A.P. Funke, NJB 1967, p. 867-868.
Kamerstukken // 1967/68, 7753, nr. 8, p. 1 (Nota n.a.v. het eindverslag).
Voor een overzicht van deze uitbreidingen raadplege men Burgerlijke Rechtsvordering, Doek & Wesseling-van Gent, Bewaarband Boek 1 oud, Titel 12 Rv, aant. 55-97.
HR 28 januari 1992, NJ 1992, 652, m.nt. JCS onder NJ 1992, 653.
Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 117; Burgerlijke Rechtsvordering, Doek & Wesseling-van Gent, Bewaarband Boek 1 oud, art. 429c Rv, aant. 29; Strikwerda (2000), nr. 224.
HR 12 januari 1979, NJ 1979, 522 (WHH); HR 2 november 1984, NJ 1985, 697 (JCS); HR 13 februari 1987, NJ 1987, 1014 (JCS). Zie uitvoerig conclusie A-G Franx, onder nr. 4, voor HR 2 november 1984.
HR 20 januari 1984, NJ 1984, 751 (JCS). Zie uitvoerig conclusie A-G Franx, onder nr. 3.
Zie bijv. Rb. 's-Gravenhage 27 maart 2001, NIER 2001, 185; Hof 's-Gravenhage 6 maart 2002, NIER 2002, 168.
Wet van 1 juli 1992 tot herziening van het scheidingsprocesrecht, Stb. 1992, 373. KB van 1 oktober 1992, Stb. 1992, 530.
Kritiek bij H. Lenters, 'De bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij internationale echtscheidingen: verschillen tussen het huidige en nieuwe scheidingsprocesrecht', Advocatenblad 1989, p. 407; D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, 'De forum-non-conveniens regel in het nieuwe scheidingsprocesrecht', FJR 1993, p. 135-137; P. Vlas, FJR 1993, p. 52.
Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 152; L.Th.L.G. Penis, Alimentatie, Praktijkreeks 1PR, deel 6, Deventer: Kluwer 1996, nr. 101; I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks 1PR, deel 7, Deventer: Kluwer 1999, nr. 130, met literatuurverwijzing.
Wat was de reikwijdte van de forum non conveniens-correctie in art. 429c Rv oud? Beperkte deze zich tot de rechtsmacht van de meer subsidiair bevoegde Haagse rechter of had het ook betrekking op de rechtsmacht van andere in art. 429c Rv oud genoemde fora? Kon de relatief bevoegde rechter van de woonplaats of werkelijke verblijfplaats van de verzoeker zich ook op forum non conveniens beroepen? De Memorie van Toelichting leek een ruimere toepassing voor te staan. De Toelichting benadrukte dat de Nederlandse rechter met name — dat wil zeggen niet uitsluitend — in zaken waarin de verzoeker geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande had, zich ervan moest vergewissen of het verzoek voldoende binding met Nederland vertoonde.1 In de rechtspraak is forum non conveniens ook ingezet om de rechtsmacht van andere in art. 429c Rv oud genoemde fora, met name die van de woonplaats of werkelijke verblijfplaats van de verzoeker, te corrigeren. Kortom, de correctie van het forum non conveniens uit art. 429c Rv oud strekte verder dan alleen maar tot de rechtsmacht van de meer subsidiair bevoegde rechter te ' s-Gravenhage.2
De wetgever had aanvankelijk de intentie om de algemene regeling van procesrecht in Boek 1, Titel 12 Rv bij de invoering op 1 januari 1970 te laten gelden voor alle in de wet genoemde verzoekschriftprocedures.3 Nu het onderzoek naar de bestaande regelingen voor bijzondere verzoekschriftprocedures te lang op zich liet wachten, ging de wetgever over tot een gefaseerde invoering van art. 429a t/m 429r Rv oud. Op 1 januari 1970 bestreek de algemene regeling slechts de in Boek 1 BW genoemde verzoekschriftprocedures. In de loop der jaren werd het toepassingsgebied van Boek 1, Titel 12 Rv en daarmee ook die van forum non conveniens door de wetgever gefaseerd uitgebreid tot buiten Boek 1 BW genoemde verzoekschriftprocedures.4 Ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling (toentertijd) nog niet gold, zoals het verzoek tot beperking van de redersaansprakelijkheid,5 werd aangenomen dat de verbondenheidstoets van art. 429c Rv oud analogisch kon worden toegepast.6
Er waren verzoekschriftprocedures waarvoor de wet bijzondere regels van relatieve competentie gaf die als lex specialis voorrang hadden boven de algemene regel van relatieve competentie in art. 429c Rv oud. Deze bijzondere regels van relatieve competentie konden net als art. 429c Rv bij het scheppen van rechtsmacht ruim uitvallen, zodat de vraag rees naar de verhouding tussen deze bijzondere competentieregels en de forum non conveniens-restrictie van art. 429c Rv oud. In een reeks uitspraken besliste de Hoge Raad dat bijzondere regels van relatieve competentie zoals bijvoorbeeld art. 828a e.v. Rv oud voor alimentatiewijzigingen7 of art. 1:413 lid 1 BW voor de verklaring van vermoedelijk overlijden8 — derogeren aan de algemene regeling in art. 429c Rv oud, doch met uitzondering van het daarin opgenomen forum non conveniens. Hiermee kreeg de verbondenheidstoets van art. 429c Rv oud een ruime reikwijdte die zich in beginsel uitstrekte tot alle in de wet genoemde verzoekschriftprocedures.
Hierop bestonden evenwel uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld in art. 814 lid 2 Rv oud. Art. 814 lid 1 Rv oud gaf een regeling voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in echtscheidingszaken. Art. 814 lid 2 Rv oud bepaalde dat de forum non conveniens-correctie van art. 429c Rv oud niet van toepassing was op de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter. De bevoegde Nederlandse echtscheidingsrechter kon zich dus in geen geval forum non conveniens verklaren, hoe zeer de echtgenoten ook van Nederland vervreemd waren.9 De toepassing van forum non conveniens was ook uitgesloten in het per 1 januari 1993 aan art. 821 Rv oud toegevoegde vijfde lid.10Art. 821 lid 5 Rv verklaarde art. 814 Rv oud van overeenkomstige toepassing op de met echtscheiding verbandhoudende voorlopige voorzieningen. Nu art. 814 lid 2 Rv oud een verbod op de toepassing van forum non conveniens gaf, was het gebruik ervan in voorlopige voorzieningen evenmin toegestaan.11 Een dergelijke beperking gaf de wet niet voor de nevenvoorzieningen. Desondanks werd ook voor bepaalde nevenvoorzieningen zoals levensonderhoud en de verdeling van het huwelijksvermogen verdedigd dat het forum non conveniens van art. 429c Rv oud daarop niet van toepassing was.12