Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.2
2.2 Art. 429c Rv oud
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434212:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 16 mei 1969, houdende algemene regeling van de rechtspleging in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, Stb. 1969, 200. KB van 4 juni 1969, Stb. 1969, 259.
Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 3, p. 4 (MvT).
Zie par. 2.4.
Kamerstukken // 1963/64, 7753, nr. 3, p. 6 (MvT). Bij latere wetswijzigingen werden aan art. 429c Rv oud onderdelen toegevoegd waarin voor bepaalde categorieën verzoekschriftprocedures, bijv. met betrekking tot kinderen, curatele, afwezigheid of vermissing, relatieve competentieregels werden gegeven die een lex specialis vormden ten opzichte van de algemene competentieregel in het eerste lid.
Kritisch over deze keuze A.P. Funke, 'Amsterdam of 's-Gravenhage?', NJB 1966, p. 449-453, p. 557-558; dezelfde, 'Nogmaals: Amsterdam of 's-Gravenhage?', NJB 1967, p. 532-533. Vgl., in een andere context, Kamerstukken II 1966/67, 8436, nr. 5, p. 36 (MvA): 'Naast de overweging dat nu eenmaal reeds in verschillende waaronder zeer belangrijke, gevallen de keuze op goede gronden is gevestigd op 's-Gravenhage, hecht de ondergetekende ook waarde aan de omstandigheid dat in de gevallen, waarin het voorgestelde 429c, tweede zin, Rv. aan de orde kan komen, menigmaal zal moeten worden kennis genomen van internationaal of buitenlands recht. 's-Gravenhage kan bogen op de daaromtrent ruim voorziene bibliotheek van het Vredespaleis, de Hoge Raad, het Ministerie van Justitie, het Inter-universitair instituut voor internationaal recht en het Internationaal juridisch instituut.'
Aanvaard door HR 24 december 1915, NJ 1916, p. 417 en nadien vaste rechtspraak geworden. Zie hierover A.V.M. Struycken, 'Distributie bepaalt attributie — Vuistregel en kern van een goed hanteerbaar rechtsmachtmodel', /V/PR-Speciale aflevering 1996, p. 19-43.
Werkgroep internationaal privaatrecht van de afdeling burgerlijke rechtspraak van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, Rapport gezagsvoorziening over minderjarige kinderen na echtscheiding in het Nederlands internationaal privaatrecht (internationale gezagsvoorzieningen na echtscheiding), TREMA-Special 1979, p. 21.
Schultsz in zijn NJ-noten onder I-IR 4 november 1977, NJ 1978, 175 en I-IR 20 januari 1984, NJ 1984, 751.
P. Vlas, 'De rechtsmacht van de Nederlandse rechter onder het nieuwe scheidingsprocesrecht', FJR 1993, p. 52.
Kamerstukken II 1968/69, 7753, nr. 12.
Deze formulering is ook terug te vinden in bijv. art. 16 Ordewet XV, Rechtspraak, Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden: 'In andere geschillen waarin de Raad volgens de statuten van de Orde bevoegd is, maar waarin geen in Nederland wonende leden en in Nederland gevestigde organen van de Orde of loges betrokken zijn, staat het de aanlegger vrij om met voorbijgaan aan de Raad het geschil door andere bevoegde rechters of scheidsmannen te doen beslissen. Indien een dergelijke zaak voor de Raad is aangebracht, kan ook de verweerder er een beroep op doen dat het geschil onvoldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer om hier te lande door de Raad te worden beslist. (...).'
Op 1 januari 1970 trad de algemene regeling van het interne procesrecht voor verzoek-schriftprocedures in Boek 1, Titel 12 Rv in werking.1 Deze algemene regeling besloeg art. 429a t/m 429r Rv. Hoewel voor die datum regels van procesrecht voor verzoek-schriftprocedures reeds bestonden, waren deze verspreid over diverse (bijzondere) wetten, verschilden deze van elkaar en lieten zij bovendien veel vragen ongeregeld. Aan deze verbrokkeling wenste de wetgever een einde te maken door een algemene regeling in het leven te roepen.2 De algemene regeling in Boek 1, Titel 12 Rv was in beginsel3 van toepassing op alle zaken die met een verzoekschrift moesten worden ingeleid, alsmede op zaken waarin de rechter op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve een beschikking gaf. Het een en ander gold voorzover uit de wet niet het tegendeel voortvloeide (art. 429a Rv oud). Binnen deze regeling gaf art. 429c Rv oud een algemeen voorschrift inzake de relatieve competentie. In zijn meest oorspronkelijke vorm verklaarde art. 429c Rv oud relatief bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, subsidiair de rechter van het werkelijk verblijf van de verzoeker, en bij pluraliteit van verzoekers, van ieder hunner. Anders dan in dagvaardingsprocedures knoopte het artikel niet aan bij de woonplaats van de verweerder, omdat deze in verzoekschriftprocedures niet zelden ontbreekt.4 Als sluitstuk bepaalde art. 429c Rv oud dat, indien de voorafgaande leden geen bevoegde rechter in Nederland aanwezen 'de rechter te ' s-Gravenhage' meer subsidiair bevoegd was. Op deze manier kwam de wetgever de verzoeker tegemoet door altijd een relatief bevoegde rechter aan te wijzen. Zelfs als de verzoeker geen woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland had, was hij verzekerd van een relatief bevoegde rechter te ' s-Gravenhage. De keuze van de wetgever voor ' s-Gravenhage was niet een geheel vanzelfsprekende. De rechter te Amsterdam was reeds op verschillende plaatsen, waaronder tot 1 januari 1970 in art. 970 Rv oud, als meer subsidiair bevoegd aangewezen. Op grond hiervan leek het aannemelijk dat de rechter te Amsterdam ook in het voorgestelde art. 429c meer subsidiair bevoegd zou worden verklaard. De keuze viel uiteindelijk toch op ' s-Gravenhage.5
Tot 1 januari 2002 ontbrak in Nederland een algemene wettelijke regeling inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Buiten de toepassing van verdragen werd de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter afgeleid uit de bepalingen inzake de relatieve competentie. Dit door de Hoge Raad ontwikkelde systeem gold voor zowel dagvaardings- als verzoekschriftprocedures.6 Relatieve competentieregels vervulden een dubbele functie. Enerzijds distribueerden zij de relatieve bevoegdheid over de rechterlijke instanties binnen Nederland, anderzijds vormden zij de grondslag voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Dit systeem, ook wel uitgedrukt in het adagium 'distributie bepaalt attributie', was niet geheel zonder problemen. Relatieve competentieregels waren door de wetgever opgesteld met het oog op hun distribuerende functie in zuiver interne procedures. Nu deze regels ook een afbakenende functie in grensoverschrijdende zaken kregen, konden zij bij het scheppen van rechtsmacht tot onbedoelde of exorbitante bevoegdheden leiden. Met andere woorden:
`Bij de meeste bepalingen, die de relatieve competentie regelen, kan (...) men zich afvragen, of de relatieve competentieregel in staat is de dubbelrol te vervullen, of anders gezegd, het jasje van de relatieve competentieregel niet te ruim of te krap is voor de bepaling van de rechtsmacht. De competentieregel kan immers zo ruim zijn dat het mogelijk is dat met betrekking tot het te berechten geval uit oogpunt van internationale bevoegdheidsafbakening (...) er buitenlandse fora zijn aan te wijzen met betere papieren."7
De meer subsidiaire bevoegdheid van de rechter te ' s-Gravenhage was bij uitstek het voorbeeld van een relatieve competentie die bij het scheppen van rechtsmacht te ruim kon uitvallen. Indien de verzoeker in Nederland geen woonplaats of werkelijke verblijfplaats had, was de rechter te ' s-Gravenhage op grond van art. 429c Rv oud toch relatief en daarmee internationaal bevoegd. Het rechtsmachtscheppend effect van deze bepaling was nogal verstrekkend. In theorie bood het iedere in het buitenland wonende verzoeker onder alle denkbare omstandigheden toegang tot de Nederlandse rechter, zelfs indien de verzoeker, de belanghebbenden en de verzochte maatregel geen enkele binding met de Nederlandse rechtssfeer hadden. Kortom, net als in interne procedures was de verzoeker ook in internationale procedures altijd verzekerd van een bevoegd gerecht in Nederland. Art. 429c Rv oud werd ook wel getypeerd als een `open ended' rechtsmachtregel met 'onbegrensdheid naar alle kanten' , dat de wereldburger (schijnbaar) altijd toegang verleende tot de Nederlandse rechter.8 Het onbedoelde effect hiervan was een ongecontroleerde toekenning van commune rechtsmacht, hetgeen de Nederlandse rechter en in het bijzonder de rechter te ' s-Gravenhage een 'bemoeizuchtig'9 forum maakte. Om deze reden werd in art. 429c Rv oud een correctief, een Nederlandse variant van forum non conveniens opgenomen op grond waarvan de Nederlandse rechter en in het bijzonder de rechter te 's-Gravenhage zich onbevoegd diende te verklaren, indien het verzoek onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland had. Bij de wettelijke invoering van forum non conveniens op 1 januari 1970 was het leerstuk opgenomen in art. 429c, 2e alinea, Rv oud. Door de jaren heen is de forum non conveniens-regel binnen art. 429c Rv oud verscheidene malen vernummerd, laatstelijk tot art. 429c lid 15 Rv oud. De formulering, die letterlijk is ontleend aan het amendement Geurtsen10 (zie hierna), is steeds dezelfde gebleven:
`Aan de rechter komt geen rechtsmacht toe, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Nederland heeft."11