Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/11.4.1
11.4.1 Bewijsvermoedens niet in strijd met EVRM
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498345:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vg. EHRM 8 april 2004 (Weh t. Oostenrijk) en EHRM 13 december 2005 (Narinen t. Finland).
Vakstudie Ned. Int. Belastingrecht, aant. 2.4 bij art. 6 EVRM.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku t. Frankrijk), FED 1990/420 (m.aant. Feteris).
EHRM 19 oktober 2004 (Falk t. Nederland), NJ 2005, 429.
Vakstudie Ned. Int. Belastingrecht, aant. 2.4.1 bij art. 6 EVRM.
EHRM 19 oktober 2004 (Falk t. Nederland), NJ 2005, 429. Daarbij verwijst het Hof naar EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden),BNB 2003/2 (m.nt. Feteris), § 113.
EHRM 25 september 1992 (Pham Hoang t. Frankrijk), NJ 1995, 593 (m.nt. Alkema), § 36.
EHRM 11 januari 2007 (Mamidakis t. Griekenland), FED 2007/63 (m.aant. Thomas), § 32.
Vooral in situaties waarin de verdachte zijn medewerking weigert, ligt het gebruik van (wettelijke) vermoedens (‘presumptions of fact or of law’) voor het bewijs van de criminal charge op de loer.1 Of, en zo ja welk bewijs voorhanden moet zijn om te komen tot de (processuele) vaststelling of de verdachte het heeft gedaan, zal (primair) afhangen van de nationale bewijsvoorschriften. Het EVRM bevat geen bepaling over het bewijs in straf-, civiele en bestuursrechtelijke zaken. Het EHRM kent de verdragsstaten daarom een grote vrijheid toe, inclusief de vrijheid om een criminal charge te bewijzen met behulp van ficties of vermoedens.2
Relatie met de onschuldpresumptie
Deze bewijsmiddelen komen niet zonder meer in strijd met de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM. Vgl. de zaak Passet. Daarin moest het Hof oordelen over de situatie dat de Franse belastingdienst, naar aanleiding van het niet beantwoorden van vragen door de klager, ambtshalve aanslagen met boetes aan hem had opgelegd.3 Deze handelwijze was niet strijdig met art. 6, lid 2 EVRM, omdat de verdediging elk element van het bewijsmateriaal voor de opgelegde boetes in rechte kon betwisten, verweren kon inbrengen voor de rechter tegen de opgelegde boetes en de rechter in zijn uitspraak gemotiveerd op de verweren van de verdediging is ingegaan.
Bewijsvermoedens mogen niet tekort doen aan rechten verdediging
Het gebruik van (wettelijke) vermoedens ofwel juridische ficties die bepaalde feiten veronderstellen respectievelijk vermoedens gebaseerd op bepaalde feiten, is door het EHRM toegestaan in enkele andere zaken, waaronder Salabiaku4 en Falk5.6 Wel moet daarbij rekening worden gehouden met de rechten van de verdediging. Het gebruik van vermoedens in strafzaken vereist dat verdragsstaten een balans vinden tussen het algemene belang dat op het spel staat en de rechten van de verdediging. Er moet sprake zijn van een proportionele verhouding tussen de middelen en het beoogde legitieme doel.7
Uit de zaak Pham Hoang kan worden afgeleid dat het rekening houden met de rechten van de verdediging zo moet worden uitgelegd, dat een rechter het bewijs moet kunnen wegen, beoordelen en vervolgens de schuld moet kunnen vaststellen. Een wettelijk vermoeden mag niet automatisch leiden tot de vaststelling van schuld.8 In het arrest Mamidakis hecht het Hof belang aan de omstandigheden dat de klager zijn argumenten in een procedure op tegenspraak naar voren kon brengen en dat de nationale rechter gemotiveerd op zijn argumenten is ingegaan. Daardoor was geen sprake van schending van de onschuldpresumptie. Dit in aanvulling op de arresten Salabiaku en Pham Hoang.9