Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.7.1:19.7.1 Additionele financiering
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.7.1
19.7.1 Additionele financiering
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405787:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een vennootschap in zwaar weer terecht komt, zijn aandeelhouders soms bereid om haar – bijvoorbeeld in het kader van een reorganisatieplan – van additionele financiering te voorzien. De aandeelhouder zal daarbij meestal niet gedreven worden door altruïsme of door een bepaald verantwoordelijkheidsgevoel, maar primair door de hoop dat de vennootschap de financiële problemen op termijn te boven zal komen en weer winst zal maken. Blijkt de vennootschap enige tijd later, de reddingsoperatie ten spijt, niet levensvatbaar, dan zal de aandeelhouder de financiering beëindigen en zal de vennootschap meestal kort daarna failleren.
Uit de jurisprudentie blijkt, mijns inziens terecht, dat niet te snel mag worden aangenomen dat een aandeelhouder onrechtmatig handelt, omdat hij een in financiële nood verkerende vennootschap van additionele financiering voorziet Een sprekend voorbeeld betreft de Coutts-zaak. Toen de dochtervennootschap van Coutts Holding BV (Coutts) in zwaar weer terecht kwam, werd besloten om de dochter ingrijpend te reorganiseren en in dat kader verstrekte Coutts aan haar dochter in 2002 een aantal leningen. Toen medio 2003, 18 maanden na de implementatie van het reddingsplan, duidelijk werd dat de dochter het hoofd niet boven water zou houden, staakte Coutts haar financiering en stuurde zij aan op surseance. De curator in het daarop volgende faillissement van de dochter sprak Coutts aan op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelde dat Coutts haar dochter kunstmatig in leven had gehouden in de wetenschap dat het stopzetten van de financiering direct het faillissement van de dochter zou inluiden.1 Onder deze omstandigheden had het haar niet vrijgestaan de financiering te staken zonder ervoor te zorgen dat alle crediteuren van de dochter werden voldaan. Coutts was aldus aansprakelijk voor de vorderingen van alle op datum van faillissement bestaande handelscrediteuren.
Het hof vernietigde echter de uitspraak van de rechtbank en overwoog dat Coutts zich de belangen van haar dochter afdoende had aangetrokken door haar in het kader van een reorganisatieplan van leningen te voorzien, en door daarna op surseance aan te sturen toen door voortschrijdend inzicht duidelijk werd dat de dochter niet langer te redden was.2 A-G Timmerman concludeerde tot verwerping van het tegen het arrest ingestelde cassatieberoep, waarna de Hoge Raad de zaak afdeed op grond van art. 81 RO.3