Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.5:4.5 Conclusie
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.5
4.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264572:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Rooms-Hollandse recht van pandgebruik kende veel overeenkomsten met het recht van pandgebruik uit het (gerecipieerde) Romeinse recht.1 Het kon bestaan als zelfstandig beperkt recht of als onderdeel van het pandrecht of zekerheidseigendom. Bij de vestiging van een pandrecht kon een recht van pandgebruik tot stand komen op grond van een beding in de pandovereenkomst. Rustte een vuistpandrecht op een goed met een economische gebruikswaarde kreeg de pandhouder van rechtswege een recht van pandgebruik (antichresis tacita). Dit was naar Rooms-Hollands recht onomstreden. De pandhouder die op grond van een recht van pandgebruik het onderpand gebruikte, kon geen diefstal plegen als hij het onderpand gebruikte. Daarnaast konden partijen een recht van pandgebruik uitdrukkelijk tot stand brengen door middel van een nevenbeding bij de pandovereenkomst. Evenals in het Romeinse recht hadden de zelfstandige antichrese en het recht van pandgebruik goederenrechtelijke werking. Het recht van pandgebruik kon intreden bij vestiging of op een later moment, bijvoorbeeld bij verzuim.
Het recht van pandgebruik rustte naar Rooms-Hollands recht op onroerende zaken en rechten die van die onroerende zaken waren afgeleid: beperkte rechten, leenrechten en heerlijke rechten. Daarnaast kon het recht van pandgebruik rusten op vorderingen en roerende zaken. Bij roerende zaken vloeide het recht van pandgebruik voort uit een recht van pandgebruik of eigendomsoverdracht. Wat betreft verplichtingen en genotsbevoegdheden trad de pandgebruiker in de positie van de eigenaar voor de duur van het pandrecht. Dit betekende dat hij alle bevoegdheden had die voortvloeiden uit het (gerecipieerde) Romeinse recht.2 Hij kon grond bewerken of verpachten, woningen bewonen of verhuren en beperkte rechten zelf uitoefenen. Daarnaast was de pandgebruiker gerechtigd tot de uitoefening van rechten die afhankelijk waren van het pandobject, zoals een erfdienstbaarheid. Nog altijd vond de uitoefening van het recht van pandgebruik haar grens in beschadiging of misbruik van het onderpand.
Voorts kende het Rooms-Hollandse recht bevoegdheden en verplichtingen toe aan de pandgebruiker die in de Romeinse bronnen niet naar voren kwamen. Ten eerste heb ik voor het Romeinse recht betoogd dat er een verband bestond tussen pandgebruik en pignus nominis. Er waren in het Romeinse recht geen bronnen die dit verband uitdrukkelijk bevestigden. In het Rooms-Hollandse recht waren deze bronnen wel voorhanden. Naar Rooms-Hollands recht was de pandgebruiker bovendien bevoegd tot de inning van cijns en erfpachtcanon. Dit maakt aannemelijk dat de pandgebruiker ook bevoegd was om huur te innen als die betrekking had op het onderpand, zelfs als de pandgebruiker bij de huurovereenkomst geen partij was.
De mogelijkheid om leenrechten en heerlijke rechten op grondgebieden te verpanden bracht mee dat de pandgebruiker bevoegd kon worden om rechten uit te oefenen die wij tegenwoordig zouden kwalificeren als publiekrechtelijk: rechtspraak, het innen van belastingen en het benoemen van ambtenaren. Met de uitoefening van leenrechten en heerlijke rechten kon de pandgebruiker jaarlijks een aanzienlijk inkomen genereren. Door het naastingsrecht was de executie van zulke rechten bovendien een moeilijk proces. Gezien de grote waarde die een leenrechten en heerlijke rechten op een grondgebied vertegenwoordigden, is het bovendien de vraag of de executerende pandhouder makkelijk een koper kon vinden die bereid was een goede prijs te betalen. Dit alles maakte leenrechten en heerlijke rechten bij uitstek geschikt voor het recht van pandgebruik. De zekerheidswaarde van deze pandobjecten lag niet in de executiewaarde van leenrechten en heerlijke rechten, maar de inkomsten die de zekerheidsgerechtigde door pandgebruik van jaar tot jaar naar zich toe kon trekken.
Met de uitgebreidere bevoegdheden kreeg de pandgebruiker ook meer verplichtingen dan hij had naar Romeins recht. Hij was onderworpen aan alle verplichtingen die op het onderpand betrekking hadden. Dit betekende in het bijzonder dat de pandgebruiker aansprakelijk kon zijn jegens derden met een recht op het pandobject. Deze derden konden de pandgebruiker bijvoorbeeld aanspreken tot de voldoening van grondrenten die op het onderpand waren gevestigd.
Het recht van pandgebruik had dezelfde functies als in het (gerecipieerde) Romeinse recht: de aflossingsfunctie en de rentefunctie.3 Deze functies waren onderwerp van discussie in de literatuur. Verschillende juristen gaven in de literatuur, contracten en adviezen antwoord op de vraag wanneer de pandhouder aan zijn gebruiksplicht had voldaan. De pandgebruiker was aansprakelijk voor een te lage vruchtopbrengst als zij was ontstaan door zijn opzet, zware schuld of normale schuld. In dat geval kwam de opbrengst die de pandhouder had moeten realiseren in mindering op de gesecureerde vordering.
Het recht van pandgebruik met rentefunctie was onderworpen aan het wettelijke rentemaximum: de gebruiksopbrengst werd bij een rentepandgebruik gelijkgesteld aan rente. Van belang was of de gebruiksopbrengst van het onderpand naar haar aard zeker of onzeker was. Bij een zekere gebruiksopbrengst moest de pandgebruiker al hetgeen boven het rentemaximum uitkwam in mindering brengen op de hoofdsom. Bij een onzekere gebruiksopbrengst was de pandgebruiker hiertoe niet verplicht: hij mocht ook het meerdere houden als rente.
Een discussiepunt in de literatuur was voorts of het was toegestaan een aflossingsverbod in de pandovereenkomst op te nemen in combinatie met een rentepandgebruik. Met zo’n aflossingsverbod kon de pandhouder zich voor de duur van het aflossingsverbod verzekeren van rente-inkomsten uit de vruchten van het onderpand. Sommige auteurs meenden dat dit woekerachtig was. Volgens hen was de combinatie van een aflossingsverbod met een rentepandgebruik dan ook verboden. Anderen meenden op grond van analogieën en het in Holland geldende recht dat deze combinatie wel was toegestaan.
Ten slotte bestond discussie over het antwoord op de vraag welke functie een recht van pandgebruik had als partijen een vuistpandrecht hadden gevestigd voor een renteloze lening en over de functie van het pandgebruik geen afspraken hadden gemaakt. Noodt en Huber bepleitten een rentefunctie. De meerderheidsopvatting, die ook in Zuid-Afrika is gevolgd, was dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had.
Alle goederen die een economische gebruikswaarde hadden, konden het voorwerp zijn van een recht van pandgebruik. De toepassing van het recht van pandgebruik op onroerende zaken, leenrechten en heerlijke rechten kreeg de meeste aandacht in rechtspraak en literatuur. Leenrechten en onroerende zaken waren in handen van de bovenlaag van de samenleving. Verschillende leden van deze bovenlaag kwamen voorbij in casus die ik in dit hoofdstuk heb besproken. Onder meer graven, hertogen, schepenen en officieren passeerden de revue. In het Rooms-Hollandse recht speelde het recht van pandgebruik dus een rol bij grote financieringstransacties tussen vermogende partijen.