Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.1.3
4.1.3 Jaren ‘90: casuïstische rechtspraak
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617863:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie Knigge in zijn noot onder HR 31 maart 1998, NJ\ 1998/812.
Zie zijn conclusie bij HR 26 mei 1998, NJ 1998/730.
In HR 10 januari 1989, NJ 1989/517 werd niet begrijpelijk geoordeeld waarom de omstandigheden dat de verdachte reeds eerder ter zake van een soortgelijke overtreding was veroordeeld en nog in een proeftijd liep van belang waren voor het oordeel dat geen sprake was van een onredelijke vertraging.
Zie HR 15 juni 1993, NJ 1993/748.
Zie HR 4 november 1997, NJ 1998/157. De omstandigheid dat de verdachte schuldig was verklaard zonder toepassing van straf, hetgeen de onzekerheid minder zwaarwegend maakte, kon voorts in aanmerking worden genomen bij de weging van zijn belang bij niet-ontvankelijkverklaring.
Zie HR 22 september 1992, NJ 1993/55 m.nt. Van Veen.
Fokkens 1992, p. 5, opende in 1992 zijn inaugurele rede aan de VU met de zin dat het ‘Haagse Gerechtshof vorig jaar 413 verdachten vrijuit liet gaan omdat hun zaken te lang waren blijven liggen’.
Zie HR 16 december 1997, NJ 1998/811 en HR 23 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD 1358, NJ 1999/345 voor ontnemingszaken.
Zie HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1682, NJ 2000/227.
Welke termijnen bij wijze van uitgangspunt als redelijk golden voor de verschillende stadia van het strafproces – zoals voor het inzenden van de stukken door de griffie en voor de behandeling in appel – was aanvankelijk niet erg duidelijk en nog in ontwikkeling.1 AG Machielse signaleerde eind jaren ‘90 een tendens om de grenzen van wat nog een redelijke termijn kan heten in de cassatiefase wat in te perken.2
De rechtspraak van de Hoge Raad kenmerkte zich door een casuïstische benadering. De opsomming van in aanmerking te nemen omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van de verdachte en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, was niet limitatief.3 Bij zijn keuze wat betreft het toe te passen rechtsgevolg moest de rechter het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting afwegen tegen het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging.4 Die afweging kon in concrete gevallen een nadere invulling krijgen, bijvoorbeeld door het belang van de benadeelde partij bij schadevergoeding in de beoordeling te betrekken:5 dit is overigens een goed voorbeeld van het doorwerken in de reactie op een vormfout van de toegenomen aandacht voor het slachtoffer.
De reactie kon door de mogelijkheden tot nuancering die het rechterlijk beoordelingskader bood weliswaar goed worden toegesneden op de omstandigheden van het geval, maar die flexibiliteit kwam de rechtseenheid en rechtszekerheid natuurlijk niet ten goede. Ook uit een oogpunt van efficiëntie van de beoordeling van de veelvuldige verweren op dit vlak, was dit beoordelingskader niet ideaal. Voorts besloot de feitenrechter regelmatig vrij gemakkelijk tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. De rechtspraak van na de introductie van strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg laat verschillende gevallen zien waarin de feitenrechter deze ‘nieuwe’ reactie toepaste,6 maar in vele gevallen werd toch ook nog tot niet-ontvankelijkheid beslist.7 De toepassing van deze reactie heeft de Hoge Raad geprobeerd terug te dringen door in zijn rechtspraak voorop te stellen dat overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de regel dient te leiden tot strafvermindering en dat slechts bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van die termijn, plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM.8 Aan deze regel kon vervolgens de motivering van de feitenrechter worden getoetst.9