Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.4
3.2.4.4 Beperkende/derogerende werking
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS497414:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld door het Kenniscentrum Wetgeving en Juridische Zaken (https://www.kcwj.nl/kennisbank/integraal-afwegingskader-beleid-en-regelgeving/6-wat-het-beste-instrument/62/623-algemene (31 augustus 2019) en Chao-Duivis, BR 2005/52, voetnoot 18.
HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664.
Zoals aangehaald in paragraaf 2.4.2.4 heeft Barendrecht onder meer onderzoek gedaan naar de rechtspraak over de invloed van redelijkheid en billijkheid op een beroep op exoneratieclausules. Hij stelt dat, door de toetsing aan de hand van alle omstandigheden van het geval en de overvloedige hoeveelheid rechtspraak op dit punt het kennen van de norm (ofwel: het voorspellen van de uitspraak van de rechter) moeilijk is (Barendrecht 1992, p. 11).
Als sprake is van misbruik van bevoegdheid (voorafgaand aan de codificering in artikel 3:13 BW aangeduid als ‘misbruik van recht’) wordt sneller aangenomen dat de drempel van de onaanvaardbaarheid is gehaald (Dijk 2015).
Rb. Tilburg (ktr.) 21 december 2000, ECLI:NL:KTGTIL:2000:AJ0583, Prg. 2001/5639. Hoewel de rechtbank in deze uitspraak de verkeerde maatstaf lijkt aan te leggen. Overwogen wordt: “Vorenstaande brengt mee dat alles afwegende naar voorlopig oordeel de slotsom moet zijn dat waar van Unigro niet in redelijkheid kan worden gevergd dat zij de supermarkt heropend de vordering van Venmans moet worden afgewezen.” Dit lijkt een te lichte, ‘gewone’, redelijkheidstoets te zijn, en niet die van de onaanvaardbaarheid. De juiste toets is wel terug te vinden in de uitspraak van Rechtbank Zutphen van 7 april 2004 (Rb. Zutphen 7 april 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AO9075) waar de rechtbank overweegt: “4.5 […] dat Laurus in beginsel gehouden is tot volledige nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand […]. 4.6 Het voorgaande lijdt evenwel uitzondering voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. […]”
Conclusie bij HR 15 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2004:AP1664.
HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2540, NJ 1998/363.
HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047. Een eerder arrest betreft een van de mesothelioom-arresten, HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494.
HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:111.
In de oorspronkelijke, geciteerde, tekst zijn de woorden ‘voor zover’ niet onderstreept, maar cursief gedrukt.
De Hoge Raad bevestigt het arrest van het hof waarin, in plaats van een beding in een verzekeringscontract geheel buiten werking te stellen, een aftrek van 10% op het verzekerde bedrag plaatsvindt (HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717).
Schelhaas, NTBR 2008/21, paragraaf 4.2.
Schelhaas 2017, p. 75-77.
Vranken 2013, p. 135-160.
Een partij kan geen beroep doen op een recht dat voor haar voortvloeit uit een overeenkomst of uit de wet, indien dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze variant van de werking van de redelijkheid en billijkheid wordt weleens met de ‘hardheidsclausule’ vergeleken.1 Met dat laatste wordt de mogelijkheid voor overheidsorganen bedoeld om van wetten af te wijken als het toepassen van die wetten een onbedoeld en onredelijk benadelend gevolg voor een burger of onderneming zou hebben.
Net als bij de hardheidsclausule, is het de bedoeling dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend wordt toegepast. Zo overweegt de Hoge Raad in 20042 dat het hof kenbaar had moeten maken hoeveel gewicht hij onder meer toekende aan het argument:
“3.5 […] Voor het buiten toepassing laten van een krachtens overeenkomst tussen partijen geldende regel bestaat immers niet reeds grond indien het beroep op die regel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor is nodig dat dat beroep in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Indien het hof, hoewel het arrest in dit opzicht niet duidelijk is doordat een verwijzing naar art. 6:248 lid 2 of de daarin gegeven maatstaf ontbreekt, heeft bedoeld de juiste maatstaf toe te passen, dan is zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. Niet kenbaar is immers welk gewicht het hof heeft toegekend aan de in onderdeel I.3 genoemde argumenten, die in het kort onder meer hierop neerkomen:
- […]
- dat bij overeenkomsten tussen professioneel dan wel commercieel handelende grote partijen in de regel extra terughoudendheid gepast is waar het gaat om het op grond van art. 6:248 lid 2 BW buiten toepassing laten van exoneratiebedingen of in plaats daarvan gehanteerde bedingen als het onderhavige, die een beperking van de verjaringstermijn betreffende een reeds onderkende aanspraak inhouden.”
Uit het bovenstaande citaat blijkt dat de Hoge Raad, bij professionele partijen (in dit specifieke geval ten aanzien van de vraag of een exoneratieclausule buiten werking gesteld kan worden), zelfs meent dat ‘extra’ terughoudendheid gepast is.3
Op dit vlak kan een duidelijke verbinding worden gemaakt met de contractuele invulling van goed huurderschap, een open norm die nog nader uitgewerkt wordt in het volgende hoofdstuk. Een huurovereenkomst beoogt immers doorgaans de verplichtingen van de huurder (evenals – doorgaans in meer beperkte mate – de verplichtingen van de verhuurder) vast te leggen. Het voldoen aan die huurdersverplichtingen kan bestempeld worden als goed huurderschap. Voorbeelden van dergelijke huurdersverplichtingen zijn het inrichten van een woning of bedrijfsruimte op een bepaalde wijze of het geopend houden van een winkel gedurende bepaalde tijden. Het vorderen van nakoming van dergelijke huurdersverplichtingen kan echter naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het kan zijn dat de verplichting valt onder de categorie ‘onredelijk bezwarend beding’ (artikel 6:233 e.v. BW), maar ook dat onder omstandigheden het beroep op de verplichting niet redelijk is. Dit laatste moet niet verward worden met het al dan niet redelijk zijn van het beding. Het kan immers naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om een beroep te doen op een bepaald beding (bijvoorbeeld omdat dit misbruik van bevoegdheid oplevert4), terwijl het beding zelf redelijk kan zijn. Van dit laatste is een actueel voorbeeld een beroep van de verhuurder op de contractuele exploitatieverplichting (volgens sommigen onderdeel van goed huurderschap, artikel 7:213 BW; zie paragraaf 5.1), terwijl de huurder daar niet (meer) de financiële middelen voor heeft (zie bijvoorbeeld het vonnis van Rechtbank Tilburg 21 december 20005). Meer voorbeelden van een onaanvaardbaar beroep op de exploitatieplicht zijn opgenomen in paragraaf 4.1, en in paragraaf 4.2.2.3 wordt nader ingegaan op het leerstuk ‘misbruik van bevoegdheid’.
Zoals uit het bovenstaande volgt, kan (naast goed huurderschap) nog een link worden gelegd met een andere open norm uit dit proefschrift, te weten het onredelijk bezwarende beding. Zoals Timmerman in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad 15 oktober 20146 beschrijft:
“3.3. Art. 6: 233 BW geeft een wederpartij de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden vernietiging te vragen van een beding in algemene voorwaarden die bij het afsluiten van een overeenkomst worden gehanteerd: a. indien het beding onredelijk bezwarend is, of b. […]. Art. 6: 235 BW zondert groepen personen uit die geen beroep kunnen doen op art. 6: 233 BW. Daarmee vervalt voor dezen niet de mogelijkheid zich te verzetten tegen een beding in algemene voorwaarden; zij kunnen terugvallen op het meer algemene art. 6:248 BW. […] De Hoge Raad heeft in een aantal arresten aangegeven dat hij verschil wenst te maken tussen het in strijd met de redelijkheid en billijkheid achten van een bepaalde contractuele bepaling en het naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn van een beroep op de desbetreffende contractsbepaling. In een recent arrest is te lezen dat de Hoge Raad het niet wenselijk acht dat rechters de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals deze is te vinden in art. 6: 248, lid 2 BW, ‘verder oprekken’ in de richting van een meer directe toets aan de redelijkheid en billijkheid […]. Het verschil tussen de toetsing van art. 6: 248, lid 2 BW en die van art. 6: 233 BW bestaat in die benadering hierin dat de toetsing aan art. 6: 248 BW terughoudender, minder direct dient zijn en die terughouding zich in toepassing van het criterium 'onaanvaardbaar' uit.”
Dat ten aanzien van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid van belang is om onderscheid te maken tussen strijd met de redelijkheid en billijkheid en het onaanvaardbaar zijn van een (contractuele) verplichting of recht op grond van de redelijkheid en billijkheid, had de Hoge Raad in 1998 al overwogen:
“Onduidelijk is of de Rechtbank uiteindelijk de door haar vooropgestelde maatstaf van art. 6:248 lid 2 heeft gehanteerd, mede omdat zij aan het slot van haar voormelde overweging spreekt van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’, wat een andere maatstaf is dan die welke wordt uitgedrukt met de meer terughoudende woorden ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’.”7
Onaanvaardbaar is immers een zwaardere toets dan ‘slechts’ onredelijk. Hieruit volgt ook het verschil in de toetsingsmaatstaf van lid 1 van artikel 6:248 BW versus de toetsingsmaatstaf van lid 2 van voornoemd artikel.
Ondanks deze zware toets en het feit dat het leerstuk van verjaring in de wet is opgenomen om de rechtszekerheid te bevorderen, is recent een aantal arresten gewezen waaruit volgt dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. De Hoge Raad verwoord dit in een arrest uit 2018 als volgt:
“3.3.3 Een beroep op verjaring, waaronder begrepen een beroep op het niet stuiten van de verjaring, kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn mede door de billijkheid wordt bepaald (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168 ([…]), rov. 3.4), staat, anders dan onderdeel 1.1 betoogt, niet eraan in de weg dat de omstandigheden die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. […]
De klacht van onderdeel 1.1 dat het oordeel van het hof niet strookt met het strenge en tot terughoudende toepassing nopende karakter van de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, kan ook niet tot cassatie leiden. Het hof heeft dit karakter niet miskend. Het heeft immers in rov. 6.30 gewezen op de uitzonderlijkheid van dit geval, vervolgens de in rov. 6.30-6.32 vermelde omstandigheden in aanmerking genomen en bij zijn oordeel in rov. 6.33 de juiste maatstaf aangelegd.”8
De Hoge Raad overweegt aldus dat, ondanks de terughoudende toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, een beroep op verjaring onaanvaardbaar kan zijn.
Meer specifiek ten aanzien van een verjaring die intreedt terwijl partijen met elkaar in onderhandeling zijn, verwees de Hoge Raad onlangs naar zijn op dit punt ingenomen standpunt in 2002:
“In zijn arrest van 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002/195 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet is uitgesloten dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een schuldenaar die — voordat de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is voltooid — met een schuldeiser in onderhandeling treedt, zich tegenover deze erop beroept dat op enig tijdstip gedurende de onderhandelingen deze termijn is voltooid. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen te rekenen van het ogenblik waarop de onderhandelingen worden afgebroken.”9
De onaanvaardbaarheid wordt hier ingevuld door het feit dat partijen met elkaar in gesprek zijn.
Relevant is eveneens dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ook proportioneel kan worden toegepast. Schelhaas legt hierbij de link met de wettekst ‘dat een bepaling buiten toepassing blijft voor zover10 dit in strijd is met de eisen der redelijkheid en billijkheid’, en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad 17 februari 200611, waaruit blijkt dat een bepaling ook deels buiten werking kan worden gesteld.12
Tot slot is de uiteenzetting van Schelhaas, onder verwijzing naar literatuur en rechtspraak, inzake de werking van de redelijkheid en billijkheid bij commerciële contracten en daarbij de link naar de rechtszekerheid, vermeldingswaardig:
“Uit de rechtspraak en literatuur kan worden afgeleid dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in commerciële verhoudingen, te weten verhoudingen waar geen consument bij is betrokken, een beperkter plaats wordt (of moet worden) toebedeeld dat in contracten waar een consument bij betrokken is. Een beding is in commerciële verhoudingen minder snel ‘onaanvaardbaar’. Waar bij consumenten gezien de ongelijkwaardigheid in (contracts)positie redelijkheidsmotieven een prominenter rol spelen, worden bij puur commerciële contracten in de weging der factoren ook de rechtszekerheid relevant geacht.”13
Het voorgaande sluit aan bij het standpunt van Vranken, dat het belang bij rechtszekerheid varieert per rechtsgebied, en het door hem gegeven voorbeeld dat op het terrein van het overeenkomstenrecht partijen groot belang hechten aan de rechtszekerheid van hun contractuele afspraken (zie paragraaf 2.4.2.5.3).14