Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.4
8.4 Problemen bij de coversielast?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232476:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
‘Het fiscale recht breekt niet in op de rechtsverhouding zoals die in het civiele recht tot stand komt’, H.J.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid. Een onderzoek naar de betekenis van drie spanningsvelden bij het bepalen van de fiscale werkelijkheid (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2010, p. 139. Zie ook HR 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126, m.nt. J.E.A.M. van Dijck. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad: ‘Voor een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, met als consequentie daarvan andere fiscale gevolgen dan de contracterende partijen op grond van de civielrechtelijke vorm verwachtten, en daardoor veelal een hogere of lagere belastingheffing, kan plaats zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet.’ Daarvan is bij de oplossingen voor de bestaanseis bij de krachtens een conversielast opgerichte stichting geen sprake.
Zie ook Gr. van der Burght e.a. (red.), Herziening successiewet, z.p. [Den Haag]: Koninklijke Vermande 1985, p. 14; Schuttevâer/Zwemmer 1998, nr. VI.41; C.J.M. Martens & F. Sonneveldt, Wegwijs in de Successiewet 13 (Wegwijs serie), Den Haag: SDU Fiscaal 2010, nr. 6.13.
In 3.3 kwam aan de orde dat als de mislukking van de oprichting van een stichting bij uiterste wilsbeschikking is te wijten aan de verkeerde vorm van de uiterste wil, terwijl de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting overigens geen onvolkomenheden bevat, de regeling van de conversielast uit artikel 4:135 lid 2 BW van toepassing is. De nietige oprichting van een stichting bij uiterste wilsbeschikking wordt dan geconverteerd in een uiterste wilsbeschikking tot oprichting krachtens uiterste wilsbeschikking (zie voor het verschil 1.1.1.1 en 1.1.1.2).
Omdat de stichting ten gevolge van de conversielast niet bij maar krachtens uiterste wilsbeschikking wordt opgericht, dus per definitie na het overlijden van de erflater, voldoet de stichting niet aan de bestaanseis van artikel 4:56 BW (zie 2.2.2.3). De krachtens de conversielast opgerichte stichting zou daarom geen voordeel kunnen trekken uit makingen opgenomen in de uiterste wil van de erflater waarin ook de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting is opgenomen. De vraag hoe de stichting dan toch gerechtigd kan worden tot wat de erflater voor haar had bedacht, brengt civielrechtelijk grote problemen met zich mee, zo bleek in 3.4.1. In de literatuur zijn diverse oplossingen aangedragen om het probleem van het niet voldoen aan de bestaanseis bij de conversielast op te lossen. Kort samengevat zijn de door mij beschreven oplossingen de volgende.
Perrick en Breemhaar vinden de oplossing voor het niet voldoen aan de bestaanseis in een dubbele conversie. De uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting wordt geconverteerd in een last tot oprichting van een stichting, en tevens wordt de making die de erflater ten behoeve van deze stichting heeft gemaakt, geconverteerd in een last ten behoeve van de stichting. Van der Grinten en Schols willen een uitzondering maken op de bestaanseis voor krachtens een opgerichte stichting. Van der Grinten maakt deze uitzondering zowel voor de conversielast als de directe last, Schols alleen voor de conversielast. In mijn oplossing wordt deze stichting geacht te bestaan vanaf het moment van overlijden van erflater en wordt een erfstelling ten behoeve van de krachtens een conversielast opgerichte stichting geconverteerd in een legaat.
Welke van deze oplossingen men ook toepast, de oplossingen leiden alle tot een verkrijging krachtens erfrecht. Fiscaal zal dit ook worden gevolgd, zodat geen sprake lijkt van een bijzondere problematiek.1 Toch is er iets merkwaardigs aan de hand. Tot 2010 gold artikel 16 (oud) Sw 1956. In 8.2 bleek al dat deze bepaling de fictie bevatte dat wat werd verkregen door de conversielast opgerichte stichting, rechtstreeks krachtens erfrecht werd verkregen.2 Sinds de afschaffing van de bepaling geldt ook voor de erfbelasting dat de krachtens een conversielast opgerichte stichting heeft te gelden als pas opgericht na het overlijden van de erflater. Als Perrick en Breemhaar gelijk hebben met hun benadering dat een dergelijke stichting haar vermogen verkrijgt door de conversie van makingen voor de stichting in lastbevoordelingen, is de heffing van erfbelasting daarover tamelijk ingewikkeld, zoals ook blijkt uit het volgende onderdeel waarin de gevolgen van het doel als last voor de erfbelasting uiteengezet worden.