Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.2.4.1
2.4.1 De bankrekening op naam van één rekeninghouder
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947987:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4750, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom); HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002/371 (Koren/Tekstra q.q.); HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3414, NJ 2004/196 (Procall) en HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139, NJ 2017/436.
Zie HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3414, NJ 2004/196 (Procall). Vgl. HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4750, NJ 1984, 752 (Slis-Stroom).
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/743a. Zie uitvoerig over de kwaliteitsrekening Steneker, Kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen (O&R nr. 31) 2005 en Wolfert, De kwaliteitsrekening (R&P nr. 157) 2007.
Zie Wolfert, De kwaliteitsrekening (R&P nr. 157) 2007/14.
Zie HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1139, NJ 2017/436.
Zie HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193.
Zie HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1454, NJ 1996/461 (Kas Associatie/Drying).
Vgl. voor registergoederen HR 2 april 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6874, NJ 1976/450 (Modehuis Nolly).
606. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het saldo van een bankrekening in beginsel tot het vermogen behoort van degene op wiens naam die bankrekening is gesteld.1 In zijn Procall-arrest baseert de Hoge Raad dit uitgangspunt op artikel 3:276 BW.2 Dat artikel bepaalt dat, tenzij de wet of overeenkomst anders bepaalt, een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Dit is volgens de Hoge Raad slechts anders wanneer het een zogenoemde ‘kwaliteitsrekening’ betreft. De grondslag voor een dergelijke kwaliteitsrekening is thans gelegen in artikel 25 Wet op het notarisambt (Wna) en artikel 19Gerechtsdeurwaarderswet (GDW). Op grond van deze regelingen kunnen notarissen en deurwaarders door het aanhouden van een zogenoemde ‘kwaliteits- of derdenrekening’ de op die rekening in hun kwaliteit ontvangen bijschrijvingen afgescheiden houden van hun eigen vermogen.3 Op grond van artikel 25 lid 3 Wna en artikel 19 lid 3 GDW behoort het vorderingsrecht dat voortvloeit uit de kwaliteitsrekening toe aan de gezamenlijke belanghebbenden. Door deze bepaling kunnen schuldeisers van de notaris respectievelijk deurwaarder geen beslag leggen op de kwaliteitsrekening. Bovendien valt een positief saldo niet in zijn faillissement. De vordering op de bank behoort immers niet aan de notaris respectievelijk deurwaarder toe.4 In het ‘Procall-arrest’ heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overeenkomstige toepassing van artikel 25 Wna en artikel 19 GDW mogelijk is op de rekeningen die door advocaten en accountants worden aangehouden met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden. Dit wordt volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd door de vertrouwenspositie waarin advocaten en accountants, evenals notarissen en gerechtsdeurwaarders, verkeren ten opzichte van derden die aan hen gelden toevertrouwen. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat advocaten verplicht zijn een derdenrekening te doen houden door een daartoe opgerichte stichting. Doordat de rekening op naam staat van een stichting beheer derdengelden is kenbaar dat sprake is van een kwaliteitsrekening.5 Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn ‘Kadasterkosten-arrest’ inmiddels ook aanvaard dat het met de bestaansgrond van de notariële kwaliteitsrekening als bedoeld in artikel 25 Wna strookt om ook derden aan te kunnen merken als ‘rechthebbenden’ op een met inachtneming van artikel 25 lid 3 Wna te berekenen aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening.6 Daarvoor is in het bijzonder grond indien een partij bij de rechtshandeling waarvoor de notaris is ingeschakeld, ten behoeve van een derde een geldbedrag op de notariële kwaliteitsrekening bijschrijft of laat bijschrijven in direct verband met die rechtshandeling. In een dergelijk geval moet die partij er volgens de Hoge Raad op kunnen vertrouwen dat dit geldbedrag terechtkomt bij de derde voor wie het is bestemd, ongeacht of de derde een schuldeiser is van die partij of van de notaris.
607. Behoudens de hierboven beschreven kwaliteitsrekening kan er verder geen uitzondering worden aanvaard op het uitgangspunt dat het saldo van een bankrekening (in ieder geval mede) toebehoort aan degene op wiens naam die bankrekening staat geadministreerd. Het saldo van die bankrekening valt in zijn vermogen, en dat betekent dat op grond van artikel 3:276 BW zijn schuldeisers zich ook op het saldo van die bankrekening kunnen verhalen. In dit verband kan ook nog worden gewezen op hetgeen de Hoge Raad in zijn KasAssociatie/Drying-arrest heeft bepaald.7 In die zaak ging het niet om een tegoed op een bankrekening, maar om een effectendepot. Centraal stond de vraag of (het aandeel in) effecten in een verzameldepot die op naam van de een zijn bijgeschreven – welke effecten de Hoge Raad als een recht (een vordering) op naam kwalificeert – op grond van artikel 3:110 jo. 3:90 BW toch aan een ander kunnen zijn gaan toebehoren. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet mogelijk is, omdat artikel 3:110 BW slechts kan worden toegepast op goederen waarvan de levering plaatsvindt door de verkrijger daarvan het bezit te verschaffen. De regel van artikel 3:110 BW kan daarom niet dienen – ook niet bij analogie – als grondslag voor een directe levering van een recht op naam waarbij bezitsverschaffing géén rol speelt.8 Toegepast op de bankrekening – waarvan de afzonderlijke vorderingen die in het saldo besloten liggen óók als vorderingen op naam kwalificeren – betekent dit dat deze vorderingen niet op grond van artikel 3:110 jo. 3:90 BW aan een ander kunnen zijn gaan toebehoren, dan aan degene op wiens naam de rekening staat geregistreerd.