Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.3
4.3 Hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de huwelijksgemeenschap valt
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948271:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ten onrechte anders Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/53. Zij schrijven: “Het innen van een geldvordering pleegt geen zaaksvervanging te worden genoemd, maar heeft er wel iets van weg. Er is evenwel geen sprake van een tegenprestatie.[…].” Dat geen sprake is van een tegenprestatie betekent niet dat van zaaksvervanging geen sprake zou zijn.
Inningsbevoegdheid is de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming van een prestatie te vorderen en betalingen in ontvangst te nemen. Zie Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/63.
Vgl. S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/19.
Zie over de girale inning van geldbedragen (en zaaksvervanging) uitvoerig hoofdstuk 10.
Hetzelfde geldt voor de laatste stap in de trits wilsrecht-vordering-geïnde bij de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, de legitieme, en de ‘andere wettelijke rechten’ van Afdeling 4.3.2 BW. Zie daarover paragraaf 3.2.2, 3.3.2 en 3.3.3 van hoofdstuk 6, alsmede randnummer 420 in de hoofdtekst hierna. Zie paragraaf 5.2.4.1 van hoofdstuk 6 voor de (on)mogelijkheden om aan deze verkrijgingen een uitsluitingsclausule te verbinden, en de verhouding tot artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW.
Vgl. C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 136; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/291 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/15.
Zie paragraaf 3.2.3 en 4.2.1 van hoofdstuk 6, onder verwijzing naar C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 154; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 136; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/291 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/15. Zie tevens Kamerstukken II 2016/17, 33 987, nr. 17.
Zie paragraaf 3.2 hiervóór.
Dit geldt óók voor hetgeen wordt verkregen door inning van de vordering die ontstaat door uitoefening van de wilsrechten van artikel 4:38 lid 1 en 2 BW. Op grond van deze bepalingen kan een kind, stiefkind of echtgenoot van de erflater overdracht verlangen van bedrijfsgoederen of aandelen in een naamloze of besloten vennootschap, welke overdracht dan tegen ‘een redelijke prijs’ dient te geschieden. Omdat de overgedragen goederen op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW als privégoederen van de betreffende echtgenoot kwalificeren (zie paragraaf 3.3.3 van hoofdstuk 6) kwalificeert de verschuldigde ‘redelijke prijs’ eveneens als ‘een van de gemeenschap uitgezonderde schuld’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a BW. Dat karakter van privéschuld wijzigt niet doordat de schuld met middelen van de huwelijksgemeenschap wordt voldaan.
Zie paragraaf 3.2.2, 3.2.3, 3.3.2 en 3.3.3 van hoofdstuk 6.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/24 en S. Perrick, ‘Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 onder punt 7. Zie tevens punt 12 en 13 van het naschrift van Perrick onder B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.
Zie paragraaf 3.2.2, 3.2.3, 3.3.2 en 3.3.3 van hoofdstuk 6.
Vgl. S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/24, die het voorbeeld gebruikt van het geval dat tot het eigen vermogen van een echtgenoot het recht tot het nemen van aandelen in een vennootschap behoort.
Zie paragraaf 5.2.4.1 van hoofdstuk 6, waar ook uiteen is gezet dat aan de ‘andere wettelijke rechten’ en de legitieme naar mijn mening géén uitsluitingsclausule kan worden verbonden. Als men daar anders over denkt, geldt de in de hoofdtekst geschetste problematiek – en oplossing – ook voor deze wilsrechten.
Zie daarover paragraaf 4.4 hierna.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/22 en 24; S. Perrick, ‘Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 onder punt 7, alsmede punt 12 en 13 van diens naschrift onder B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.Zie ten onrechte anders de juridisch adviseurs van de initiatiefnemers tot de Wet beperking gemeenschap van goederen onder punt 12 van hun reactie in B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/22 en 24; S. Perrick, ‘Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort’, WPNR 2015/7069 onder punt 7, alsmede punt 12 en 13 van zijn naschrift onder B. Breederveld e.a., ‘Reactie op “Het wetsontwerp strekkende tot beperking van de wettelijke gemeenschap van goederen schiet ernstig tekort” van prof. dr. S. Perrick in WPNR (2015) 7069’, WPNR 2015/7070.
Zie paragraaf 2.3 hiervóór.
418. De eerste zinsnede van de tweede zin van artikel 1:94 lid 6 BW bepaalt dat buiten de huwelijksgemeenschap valt ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’. Artikel 1:94 lid 4 oud BW bepaalt voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen hetzelfde. Deze regel is een goed voorbeeld van een situatie van ‘zuivere’ zaaksvervanging.1 Door inning gaat een vordering geheel of gedeeltelijk verloren in rechtstreeks verband waarmee het op de vordering geïnde wordt verkregen.2 Stond de vordering in een bepaalde goederenrechtelijke rechtsbetrekking, dan treedt het geïnde op grond van zaaksvervanging in diezelfde rechtsbetrekking, indien en voor zover die rechtsbetrekking verloren dreigt te raken buiten toedoen van het te beschermen rechtssubject om. Bij de huwelijksgemeenschap is daar sprake van. Het ‘geïnde’ kwalificeert immers als een nieuw goed dat krachtens boedelmenging in beginsel tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren en dus gemeenschappelijk dreigt te worden. Daardoor dreigt een ongerechtvaardigde aantasting van de enig eigendomspositie van een echtgenoot op te treden. Artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW verhinderen dat die aantasting optreedt door ten aanzien van het geïnde de verkrijgende werking van boedelmenging alsnog uit sluiten.
419. Artikel 1:94 lid 6 BW en artikel 1:94 lid 4 oud BW hebben een ruim toepassingsbereik. De bepaling is van toepassing op allegevallen waarin een echtgenoot jegens één of meer derden een prestatie kan vorderen en dit tot het (gedeeltelijk) tenietgaan van die vordering en de verkrijging van een nieuw goed leidt.3 Het gaat dus niet alleen om de inning van geldbedragen,4 maar óók om vorderingen tot levering van één of meerdere goederen. Van dat laatste is bijvoorbeeld sprake bij een legaat.5, 6 Een legaat is immers een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent (zie artikel 4:117 lid 1 BW). Indien en voor zover het legaat ziet op de levering van goederen of de vestiging van beperkte rechten, worden door inning nieuwe goederen verkregen, die op hun beurt op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW ook weer buiten de huwelijksgemeenschap zullen vallen.7 Dat geldt óók wanneer het een legaat tegen inbreng van de waarde betreft en de alsdan verschuldigde tegenprestatie volledig ten laste van de huwelijksgemeenschap komt.8 In dat geval kwalificeerde de vordering als een privégoed, en de schuld die daaraan is verbonden als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ in de zin van artikel 1:94 lid 7 sub a BW. Dat karakter van ‘privéschuld’ wijzigt niet doordat de schuld met middelen van de huwelijksgemeenschap wordt voldaan.9 Bovendien kwalificeert artikel 1:95 lid 1 BW uitsluitend als een uitzondering op de werking van boedelmenging. Als goederen reeds op een andere grond buiten de huwelijksgemeenschap vallen, komt men aan toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW niet toe. Evenmin kunnen goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren.10 Hetgeen op de legaatsvordering wordt geïnd, valt reeds op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap. Gegeven zijn ‘beperkte’ werking kan artikel 1:95 lid 1 BW er dan niet toe leiden dat het geïnde goed alsnog krachtens boedelmenging door de echtgenoten gemeenschappelijk wordt verkregen, óók niet indien de inbrengschuld volledig met middelen van de huwelijksgemeenschap is voldaan.11
420. In hoofdstuk 6 is verder duidelijk geworden dat in het erfrecht veel wilsrechten voorkomen. In dat verband is met name gewezen op de legitieme, de wilsrechten van de kinderen van de erflater en langstlevende echtgenoot ex artikel 4:19-4:22 BW, en de ‘andere wettelijke rechten’ van Afdeling 4.3.2 BW. Daarbij is óók aan de orde gekomen dat wanneer in die gevallen het wilsrecht wordt uitgeoefend een vorderingsrecht ontstaat tot betaling van een geldsom, levering van één of meerdere goederen of de vestiging van een beperkt recht. Het wilsrecht wordt dus vervangen door een vordering. Om tot betaling van de geldsom, levering van de goederen of vestiging van het beperkte recht te komen moet die vordering vervolgens worden geïnd. Aldus bestaat er een trits van wilsrecht-vordering-geïnde.12 De laatste stap van deze trits valt zonder meer onder de reikwijdte van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW. De eerste stap (‘uitoefening wilsrecht’) valt daar niet zonder meer onder. De uitoefening van een wilsrecht kan niet als de inning van een vordering worden gekwalificeerd.13 Een wilsrecht is immers geen vordering. In hoofdstuk 6 is al uiteengezet dat de uitzondering van artikel 1:94 lid 2 sub a en c BW echter zo opgevat moeten worden dat in alle gevallen de volledige trits van wilsrecht-vordering-geïnde rechtstreeks buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt, ook al bepaalt de wettekst dat niet altijd even duidelijk.14 Dit neemt niet weg dat er óók buiten deze gevallen om van een wilsrecht sprake kan zijn dat als privégoed buiten de huwelijksgemeenschap valt. Te denken is aan een optierecht dat uit de nalatenschap van een erflater is verkregen, zoals het recht om een huis te mogen kopen.15 Als dat optierecht wordt uitgeoefend ontstaat een recht op levering van de woning. Bovendien is in hoofdstuk 6 aangegeven dat het in ieder geval mogelijk is om aan de versterfrechtelijke wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW een uitsluitingsclausule te verbinden (voor het geval de kinderen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd).16 Die wilsrechten vallen dan op grond van de uitsluitingsclausule buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen, maar als zij worden uitgeoefend worden zij vervangen door een vordering tot levering/afgifte van goederen. De uitsluitingsclausule komt dan niet vanzelf op die vordering te rusten. Aldus is in al deze gevallen een regeling van zaaksvervanging nodig die voorkomt dat de vordering die door uitoefening van het wilsrecht ontstaat in de huwelijksgemeenschap valt. Een dergelijke regeling is echter niet zo maar voorhanden; de uitoefening van een wilsrecht kan immers niet als ‘de inning van een vordering’ worden gezien, terwijl de vordering die door uitoefening ontstaat ook niet kan worden gekwalificeerd als ‘een vordering tot vergoeding die in de plaats treedt van het wilsrecht’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW.17 Tot slot biedt ook artikel 1:95 lid 1 BW geen oplossing. De vordering die door uitoefening van het wilsrecht wordt verkregen is geen verkrijging ‘anders dan om niet’.18 Het gevolg daarvan zou zijn dat de vordering die door uitoefening van het wilsrecht ontstaat in de huwelijksgemeenschap valt. Perrick is dan ook van mening dat de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen (mede) in dat opzicht tekortschiet. Het grootste manco van de huidige regeling is volgens hem dat er een algemene bepaling ontbreekt die inhoudt dat hetgeen in de plaats treedt van een privégoed, eveneens privé is. Wat hem betreft zou daarom de eerste regel van zaaksvervanging bij vruchtgebruik van artikel 3:213 lid 1, eerste zin, BW analoog toegepast moeten worden. In het geval van uitoefening van wilsrechten moet deze regeling dan extensief worden geïnterpreteerd, in die zin dat onder ‘beschikken’ mede dient te worden begrepen ‘het uitoefenen van wilsrechten’.19 Ik ben hier geen voorstander van. Mijn voorkeur gaat ernaar uit de voor de wettelijke gemeenschap van goederen geldende regels van zaaksvervanging zélf extensief te interpreteren en de oplossing dus niet te zoeken in analoge toepassing van regels van zaaksvervanging voor vruchtgebruik. Hiervóór is reeds aangegeven dat voor extensieve interpretatie ruimte bestaat wanneer de ratio van de bestaande zaaksvervangingsbepaling de toepassing van deze bepaling op het niet letterlijk daardoor bestreken geval ondersteunt en de wetgever géén blijk heeft gegeven van een andere opvatting.20 Volgens mij kan op basis van deze uitgangspunten worden aangenomen dat de vervanging die kan optreden door de uitoefening van een wilsrecht óók onder de werking van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW valt, ook al kwalificeert de uitoefening van een wilsrecht niet als de inning van een vordering. Bij de uitoefening van een wilsrecht gaat immers door die uitoefening dat wilsrecht verloren, in direct verband waarmee een nieuw goed wordt verkregen (een vordering tot levering of vestiging). Bij inning van een vordering gebeurt precies hetzelfde. Daar gaat door inning het vorderingsrecht verloren, in direct verband waarmee een nieuw goed wordt verkregen (het geïnde). De systematiek/ratio is bij beide situaties dus hetzelfde. Waar het een onder de ratio van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW valt (het innen van een vordering), kan dat dus ook voor het ander worden aangenomen (het uitoefenen van een wilsrecht). Per saldo betekent dit dat in alle gevallen waarin een wilsrecht wordt uitgeoefend waarvoor een vordering tot levering of vestiging in de plaats treedt, die vordering buiten de huwelijksgemeenschap valt, indien en voor zover het wilsrecht daarvóór ook buiten de huwelijksgemeenschap viel. Aldus zal in dergelijke gevallen de volledige trits van wilsrecht-vordering-geïnde buiten de huwelijksgemeenschap vallen, ook al volgt dit niet uit de letterlijke tekst van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW.