Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.4:4.3.4 Conclusie
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.3.4
4.3.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500047:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Boom 2002, p. 145. De benadering van Meijer (2007) lijkt op die van Van Boom, al gaat Meijer niet uitvoerig in op de vraag welke betekenis toekomt aan de begrippen ‘schade’ en ‘verarming’ in artikel 6:212 (zie Meijer 2007, p. 9).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening wordt de meest systematische – en daarom meest wenselijke – omlijning van artikel 6:212 verkregen als men eerst in kaart brengt welke soorten ‘verrijkingen ten koste van een ander’ in aanmerking komen om als ongerechtvaardigd te worden aangemerkt. Het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ in artikel 6:212 hoeft dan immers alleen betrekking te hebben op verrijkingen die zijn ontstaan ten koste van een ander. Als duidelijk is wat dient te worden verstaan onder ‘verrijking’, ‘ten koste van een ander’ en ‘voldoende verband’ kan vervolgens een criterium worden ontwikkeld om te beoordelen of een verrijking ongerechtvaardigd is. Aangezien een dergelijk criterium is afgestemd op ‘verrijkingen ten koste van een ander’ in de zin van artikel 6:212, is het scherper dan een criterium aan de hand waarvan moet kunnen worden beoordeeld of een willekeurige verrijking ongerechtvaardigd is. Ik meen daarom dat de eerste grens die om artikel 6:212 moet worden getrokken, dient te worden gevormd door een bepaalde invulling van de vereisten ‘verrijking’ en ‘verarming’
Wat dient te worden verstaan onder ‘verrijking’ en ‘ten koste van een ander’ in de zin van artikel 6:212? Deze begrippen kunnen op verschillende wijzen worden opgevat. Twee mogelijke interpretaties zijn onderzocht. In de eerste plaats kan worden verdedigd dat een verrijking ten koste van een ander zich (alleen) voordoet bij vermogensverschuivingen. Onder vermogensverschuiving wordt verstaan dat de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de verarmde. Een verrijking vloeit voort uit het vermogen van de verarmde als de verrijkte een voordeel geniet dat in principe aan de verarmde toekwam.
Een voorbeeld van een vermogensverschuiving vormt de situatie waarin een zaak van A wordt nagetrokken door een zaak van B. De zaak komt uit het vermogen van A. B wordt daarom ten koste van A verrijkt. In de tweede plaats kan een uitleg worden gegeven aan de begrippen ‘schade’ en ‘ten koste van een ander’ waarbij artikel 6:212 ook ziet op gevallen waarin A een voordeel geniet door een onrechtmatige daad (of wanprestatie) te plegen jegens B, zonder dat B concrete schade lijdt.1 Ondanks het ontbreken van concrete schade, wordt in deze benadering aangenomen dat de verrijking van A ontstaat ‘ten koste van’ B, zodat A zijn verrijking aan B moet afdragen als deze verrijking ongerechtvaardigd moet worden geacht. Van een vermogensverschuiving hoeft in deze laatste benadering geen sprake te zijn. De casus van de Engelse uitspraak A-G v Blake en het Nederlandse Goudse bouwmeester-arrest zijn hiervan sprekende voorbeelden.
De vraag welke uitleg van de begrippen ‘schade’ en ‘ten koste van’ het meest wenselijke is, hangt samen met de plaats van de ongerechtvaardigde verrijking als bron van verbintenissen naast de andere bronnen van verbintenissen. In dit verband moet worden bedacht dat een recht op afdracht van een verrijking (een voordeel) uit meerdere bronnen van verbintenissen kan voortvloeien. Zo kan een dergelijk recht naast de bron ‘ongerechtvaardigde verrijking’ ook ontstaan uit de bronnen ‘overeenkomst’ en ‘onrechtmatige daad’. Het is daarom niet noodzakelijk om artikel 6:212 zo ruim te interpreteren dat het betrekking heeft op elk geval waarin het wenselijk is dat een recht op voordeelsafgifte ontstaat. Ik heb daarom vervolgens onderzocht of het desondanks wenselijk is artikel 6:212 zo ruim uit te leggen. Dat leidde tot de volgende constateringen.
Beperking van artikel 6:212 tot vermogensverschuivingen heeft het voordeel dat de vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, relatief eenvoudig kan worden beantwoord. De reden daarvoor is als volgt. Een vermogensverschuiving is een verrijking die voortvloeit uit het vermogen van de verarmde. Men kan ervan uitgaan dat de verrijking die voortvloeit uit het vermogen van de verarmde in beginsel daarin thuishoorde. Dit betekent dat elke vermogensverschuiving een rechtvaardiging behoeft. Zonder uitdrukkelijke rechtvaardiging is de verrijking ongerechtvaardigd. De vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, lost zich dan op in een enkel criterium: bestaat een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving? Ik meen dat dit criterium een inzichtelijke omlijning van artikel 6:212 mogelijk maakt.
Daarentegen is het niet mogelijk om met een enkelvoudig criterium te beoordelen of een verrijking ongerechtvaardigd is als artikel 6:212 ook ziet op verrijkingen die niet het gevolg zijn van een vermogensverschuiving. In dat geval moet de vraag of een verrijking ongerechtvaardigd is, (ook) worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid, ongeschreven gedragsnormen, de verkeersopvattingen en beginselen die ten grondslag liggen aan de regelingen van risicoaansprakelijkheid. Dat bleek bijvoorbeeld in de benadering van Meijer. De omlijning van artikel 6:212 kan dan naar mijn mening niet meer op een duidelijke en/of eenvoudige wijze plaatsvinden. Het is daarom wenselijk artikel 6:212 te beperken tot vermogensverschuivingen.
Een dergelijke beperking kan worden aangebracht door middel van een bepaalde uitleg van de vereisten ‘verrijking’ en ‘verarming’. In de volgende paragraaf bekijk ik eerst wanneer precies sprake is van een verrijking en een verarming, die leiden tot een vermogensverschuiving. In de daarop volgende paragraaf onderzoek ik welke invulling moet worden gegeven aan het vereiste ‘ongerechtvaardigd’.
Opmerking verdient ten slotte dat een beperking van artikel 6:212 tot vermogensverschuivingen uitsluit dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat in gevallen waarin de verrijkte een onrechtmatige daad heeft gepleegd zonder dat een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden. Het is echter wenselijk dat in dergelijke gevallen toch een vordering tot afdracht van een verrijking ontstaat. Ik heb hiervoor betoogd dat dan moet worden aanvaard dat het recht op voordeelsafgifte voortvloeit uit de bron onrechtmatige daad.