Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.4.2
4.4.2 Voortvloeien
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250297:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Spierings 2016, p. 217, die deze vraag positief beantwoord. Zie echter E.C.A. Nass 2019, p. 96, die van mening is dat wettelijke rente niet onder de 403-aansprakelijkheid valt. Zie § 4.5.7 waar ik uitgebreider in ga op het antwoord op de vraag of wettelijke rente onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt.
De compensatie voor een crediteur bestaat uit twee onderdelen: een vordering op de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring en de mogelijkheid om de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij in te zien. Zie § 3.4.1.
Vgl. Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 847-848, die een soortgelijk standpunt inneemt maar slechts verwijst naar het ontstaan en de inhoud van de schuld.
Zie § 3.4.1.
Zie § 4.4.1.
Er is geen eensluidend antwoord op de vraag wanneer een schuld uit een rechtshandeling ‘voortvloeit’. Er zal weinig discussie bestaan dat een verplichting die expliciet is opgenomen in een overeenkomst, uit deze overeenkomst voortvloeit – zoals de verplichting tot het betalen van huurpenningen op grond van een huurovereenkomst. Maar hoe meer ‘schakels’ er zijn tussen de oorspronkelijke rechtshandeling en het ontstaan van de schuld, hoe lastiger het is om te beoordelen of deze schuld nog uit de rechtshandeling voortvloeit of niet. Als bijvoorbeeld de huurder van een kantoorpand schade veroorzaakt aan het pand en daarvoor een schadevergoeding inclusief wettelijke rente moet betalen, vloeit deze wettelijke rente dan nog voort uit de huurovereenkomst?1
De vraag of een schuld uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij ‘voortvloeit’, moet mijns inziens worden beantwoord aan de hand van de functie van de 403-aansprakelijkheid van de moedermaatschappij bij de compensatie van de crediteur omdat deze de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kan inzien.2 Omdat de crediteur niet de mogelijkheid heeft om de jaarrekening in te zien, kan hij niet (mede) aan de hand daarvan schatten hoe groot het risico is dat zijn vordering niet (volledig) zal worden voldaan. Anders gezegd: de crediteur kan zijn keuze inzake het ontstaan, de inhoud en het voortduren van de vordering niet baseren op de informatie in de jaarrekening van de 403-maatschappij. Ter compensatie van dit gebrek aan inzicht krijgt de crediteur ook een vordering op de moedermaatschappij, van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien.
Als het element ‘voortvloeien’ uit art. 2:403 lid 1 sub f BW wordt uitgelegd in het licht van bovenstaande compensatie, brengt dat mee dat voor het antwoord op de vraag of een schuld uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voortvloeit – en dus of de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor deze schuld – van belang is of de crediteur al of niet moet worden gecompenseerd voor een gebrek aan inzicht. Mijns inziens vloeit een schuld daarom voort uit een rechtshandeling als de wil van de crediteur ten aanzien van het ontstaan, de inhoud of het voortduren van de schuld zou kunnen zijn beïnvloed door inzicht in de jaarrekening van de 403-maatschappij – als de 403-maatschappij geen gebruik zou hebben gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime.3 Daarbij maakt het geen verschil of de crediteur voorafgaand aan het bepalen van zijn wil omtrent de schuld al of niet bij het handelsregister is nagegaan of de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime en of de moedermaatschappij zich door middel van een 403-verklaring aansprakelijk heeft gesteld. Een crediteur wordt gecompenseerd omdat hij niet de mogelijkheid heeft om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien en (mede) aan de hand daarvan kan schatten hoe groot het risico is dat zijn vordering niet (volledig) zal worden voldaan.4
Ter illustratie van bovenstaande uitleg van het element ‘voortvloeien’ uit art. 2:403 lid 1 sub f BW, maak ik een vergelijking tussen twee schulden die op elkaar lijken maar uit een andere rechtshandeling voortvloeien. Ten eerste wijs ik op de situatie dat een 403-maatschappij als huurder de huurovereenkomst met de verhuurder ontbindt en een rechter oordeelt dat zij aan de verhuurder een schadevergoeding moet betalen. Ik vergelijk dit met het geval dat de 403-maatschappij de huurovereenkomst niet heeft ontbonden, maar samen met de verhuurder een nieuwe overeenkomst is aangegaan op grond waarvan de huurovereenkomst is beëindigd tegen betaling van een bepaald bedrag door de 403-maatschappij aan de verhuurder.
Ik heb er eerder op gewezen dat een verplichting tot het betalen van een schadevergoeding wegens de ontbinding van een overeenkomst een secundaire schuld is die voortvloeit uit deze overeenkomst.5 Bovengenoemde verplichting voor de 403-maatschappij tot het betalen van de schadevergoeding aan de verhuurder vloeit dus voort uit de oorspronkelijke huurovereenkomst. De tweede genoemde verplichting van de 403-maatschappij om een bedrag te betalen tot beëindiging van de huurovereenkomst, vloeit echter niet voort uit de oorspronkelijke huurovereenkomst, maar uit de later aangegane overeenkomst met de verhuurder. Hoewel beide schulden betrekking hebben op het stopzetten van de huurovereenkomst, vloeien zij dus voort uit een andere rechtshandeling van de 403-maatschappij. De reden voor dit onderscheid hangt samen met het moment waarop het kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij van belang had kunnen zijn voor de verhuurder als crediteur om zijn wil te bepalen ten aanzien van het ontstaan en de omvang van de desbetreffende vordering – als de 403-maatschappij geen gebruik zou hebben gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime.
In het geval dat de 403-maatschappij de huurovereenkomst ontbindt en de rechter oordeelt dat zij een schadevergoeding moet betalen aan de verhuurder, zou de verhuurder niet (mede) aan de hand van de jaarrekening van de 403-maatschappij zijn wil hebben kunnen bepalen of hij de schadevergoeding wil en zo ja wat de inhoud daarvan zou moeten zijn. De verhuurder kan hooguit de schadevergoeding weigeren. De schuld van de 403-maatschappij vloeit daarom voort uit de onderliggende huurovereenkomst ten aanzien waarvan de verhuurder wel (mede) aan de hand van de jaarrekening van de 403-maatschappij zijn wil zou hebben kunnen bepalen of hij deze overeenkomst aan zou gaan en tegen welke voorwaarden – als de 403-maatschappij geen gebruik zou hebben gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling.
Met betrekking tot de nieuwe overeenkomst die de 403-maatschappij en de verhuurder zijn aangaan tot beëindiging van de huurovereenkomst tegen betaling van een bepaald bedrag, zou de verhuurder wel (mede) aan de hand van de jaarrekening van de 403-maatschappij zijn wil hebben kunnen bepalen omtrent het aangaan en de voorwaarden van de overeenkomst. Er is als het ware sprake van een nieuw ‘keuzemoment’ voor de verhuurder waarbij de jaarrekening van de 403-maatschappij van belang had kunnen zijn – als de 403-maatschappij geen gebruik zou hebben gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. De verplichting van de 403-maatschappij tot het betalen van het overeengekomen bedrag tot beëindiging van de huurovereenkomst vloeit daarom niet voort uit de huurovereenkomst, maar uit de rechtshandeling die met dit keuzemoment samenhangt: de nieuwe overeenkomst tussen de verhuurder en de 403-maatschappij.
Zowel de verplichting van de 403-maatschappij tot het betalen van de schadevergoeding in verband met de ontbinding van de huurovereenkomst, als de verplichting tot het betalen van het in de latere overeenkomst afgesproken bedrag tot beëindiging van de huurovereenkomst, vloeien voort uit een rechtshandeling. Beide schulden van de 403-maatschappij vallen daarom onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid en de verhuurder kan zich in beide gevallen ook op de moedermaatschappij verhalen. Waarom is het bovengenoemde onderscheid uit welke rechtshandeling een schuld voortvloeit dan toch van belang? Daarvoor wijs ik op de mogelijkheid dat de moedermaatschappij tussentijds de 403-verklaring intrekt.
Als de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt, is zij niet aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij verricht vanaf het moment dat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking.6 Stel dat de 403-maatschappij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst gebruik heeft gemaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Maar tussen het aangaan van deze overeenkomst en het moment dat zij die ontbindt, respectievelijk een nieuwe overeenkomst aangaat tot beëindiging van de huurovereenkomst, heeft de 403-maatschappij besloten niet meer gebruik te maken van de vrijstelling en heeft de moedermaatschappij de 403-verklaring ingetrokken.
Als de 403-maatschappij de huurovereenkomst heeft ontbonden, vloeit de schadevergoeding die zij moet betalen voort uit de oorspronkelijke huurovereenkomst en deze valt daarmee onder de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij na de intrekking van de 403-verklaring. De verhuurder kan in dat geval de moedermaatschappij aansprakelijk stellen tot voldoening van de schadevergoeding. Indien de 403-maatschappij daarentegen met de verhuurder een nieuwe overeenkomst is aangegaan tot beëindiging van de eerdere huurovereenkomst, vloeit het daarin overeengekomen bedrag dat de 403-maatschappij aan de verhuurder moet betalen voort uit de latere overeenkomst en dit valt daardoor niet onder de overblijvende aansprakelijkheid na de intrekking van de 403-verklaring. De verhuurder kan zich in dat geval dus niet op de moedermaatschappij verhalen.