Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/2.4
2.4 Het vertrouwensbeginsel en de nakoming te goeder trouw van verdragen (pacta sunt servanda)
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458206:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie: A.H.J. Swart, ‘Uitlevering en rechten van de mens’, Ars Aequi 1986, p. 132-142, 141142; A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, p. 28-30; N. Keijzer, ‘Goede trouw in het uitleveringsrecht’, Delikt en Delinkwent 2005, p. 490-510, 506-507; N. Keijzer, ‘Verweren tegen uitlevering’, in: G.A.M. Strijards e.a. (red.), De derde rechtsingang nader bekeken, Opstellen aangeboden aan C. Bronkhorst (Bronkhorst-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 175-195, 186-187; J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2002, p. 113-114.
Zie: A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, p. 29 en R.C.P. Haentjens, Schets van het Nederlandse kleine rechtshulprecht in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1992, p. 28.
Het voorgaande roept wel de ook al eerder opgeworpen vraag op hoe het vertrouwensbeginsel zich verhoudt tot deze uit het volkenrecht bekende wijze van toepassing van verdragen, waarbij dus vooral belangrijk is dat verdragen te goeder trouw dienen te worden ten uitvoer gelegd, pacta sunt servanda.1 Voegt het vertrouwensbeginsel nu iets toe aan deze naleving te goeder trouw of is het slechts een vertaling van die goede trouw op het terrein van de internationale strafrechtelijke samenwerking?2 Anders gezegd: is er buiten of bovenop de naleving te goeder trouw wel of geen aanvullende ruimte voor toepassing van het vertrouwensbeginsel in die zin dat voorwaarden en excepties in het verdrag terughoudend worden getoetst? Begint en eindigt het vertrouwensbeginsel bij de naleving te goeder trouw van het verdrag of betekent het dat ook wanneer het verdrag bijvoorbeeld toetsing van een bepaald aspect van de verzochte rechtshulp toestaat die toetsing zeer terughoudend of zelf in het geheel niet plaatsvindt vanwege het vertrouwensbeginsel? Hierbij is van belang dat de goede trouw terughoudendheid kan dicteren bij de toetsing van een rechtshulpverzoek, maar ook grenzen kan stellen aan de verplichting rechtshulp te verlenen.3 Het vertrouwensbeginsel zal doorgaans echter de kant op werken van terughoudendheid bij toetsing van een rechtshulpverzoek.
Het vertrouwensbeginsel behelst niet enkel de verplichting verdragen te goeder trouw na te komen. In die naleving te goeder trouw komt de descriptieve werking van het beginsel niet terug, maar ook de normatief-voorwaardelijke werking kan niet als naleving te goeder trouw worden gezien. De norm dat de bepalingen van een verdrag dienen te worden nageleefd is een andere dan de norm dat enkel wordt samengewerkt bij het bestaan van voldoende vertrouwen. De eerste dicteert immers een bepaalde uitkomst (als het verdrag tot samenwerking dwingt, dient die samenwerking tot stand te komen), terwijl de tweede een bepaalde voorwaarde stelt (voordat samenwerking tot stand kan komen, dient sprake te zijn van voldoende vertrouwen, of – vertaald in een verdragseis – dient van voldoende vertrouwen te zijn gebleken door het bestaan van een verdrag).
De normatief-beperkende werking – dus de werking waarin het vertrouwensbeginsel terughoudendheid dicteert in de toetsing van strafrechtelijke samenwerking – kan wel worden gezien als uiting van het volkenrechtelijke principe van naleving te goeder trouw van verdragen, maar ook slechts voor zover het gaat om de volkenrechtelijk dwingende variant van die terughoudendheid. De volkenrechtelijk onverplicht betrachte terughoudendheid bij toetsing van een rechtshulpverzoek, welke terughoudendheid dus eigenlijk neerkomt op een vrije keuze van de staat die die terughoudendheid betracht, kan niet worden gezien als naleving te goeder trouw. Het voorbeeld van artikel 552k Sv kan opnieuw worden aangehaald. Er kan goede reden zijn om met een verzoek afkomstig van een staat waarmee wel een verdrag op het gebied van kleine rechtshulp bestaat, maar tot uitvoering waarvan dat verdrag in het concrete geval niet dwingt, anders – soepeler – om te gaan dan met een verzoek uit een staat waar in het geheel geen rechtshulpverdrag mee bestaat. Juist doordat geen volkenrechtelijke verplichting bestaat, kan van naleving te goeder trouw geen sprake zijn, maar een dergelijk verschil in beoordeling kan wel worden gezien als een uitwerking van het vertrouwensbeginsel.
Iets vergelijkbaars geldt ook voor terughoudendheid bij de toetsing van de resultaten van een verzoek, zoals bij een verzoek tot kleine rechtshulp. Het is niet vol te houden dat een jegens een andere staat bestaande verdragsverplichting zo ver reikt dat die verplichting ook dicteert in hoeverre van de resultaten van door die andere staat op verzoek verrichte rechtshulp vervolgens gebruik dient te worden gemaakt. Een concreet voorbeeld: dat de Belgische autoriteiten op verzoek van de Nederlandse autoriteiten op grond van verdrag een doorzoeking verrichten en bewijsmateriaal vinden, betekent niet dat de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van dat bewijsmateriaal door het verdrag wordt gedicteerd. In wezen is dan namelijk de fase van samenwerking geëindigd en is een interne aangelegenheid, de berechting van de verdachte, aangevangen. Een terughoudende toetsing van de rechtmatigheid van dat onderzoek wordt niet beheerst door het principe van naleving te goeder trouw van het verdrag. Die naleving ziet immers op de uitvoering van het verzoek (in dit voorbeeld door België op Nederlands verzoek). Dat Nederland in dit voorbeeld het rechtshulpverdrag niet te goeder trouw naleeft indien de rechter bijvoorbeeld oordeelt dat het onrechtmatig verkregen bewijs betreft, lijkt moeilijk verdedigbaar. Een terughoudende toetsing van de resultaten van een verzoek tot kleine rechtshulp wordt veelal echter wel onder het vertrouwensbeginsel begrepen, vooral waar het de rechtmatigheid betreft. Ook hieruit valt op te maken dat het vertrouwensbeginsel en het beginsel van naleving te goeder trouw van verdragen niet kunnen worden vereenzelvigd.
Het lijkt gelet op het voorgaande beter onderscheid te blijven maken tussen het vertrouwensbeginsel enerzijds, en daarbij de in deze studie te bespreken uitwerkingen van het vertrouwensbeginsel te hanteren, en het volkenrechtelijke beginsel van naleving te goeder trouw van verdragen anderzijds. Wel kan daarbij discussie bestaan aangaande de vraag of een bepaalde werking van het vertrouwensbeginsel in de rechtspraktijk, vooral in de rechtspraak, toepassing moet vinden vanwege het beginsel van naleving te goeder trouw.