De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.3.3:3.6.3.3 Een tussentijdse vergelijking
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.3.3
3.6.3.3 Een tussentijdse vergelijking
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702004:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
KB van 18 november 1980, gepubliceerd in: Rapport van de commissie artikel 49 WRO 1983, p. 41.
KB van 17 februari 1982, AB 1982/203.
Ook de Kroon liet zich niet zelden adviseren door de SAOZ, zie: Rapport van de commissie artikel 49 WRO 1983, p. 39-46.
Rapport van de commissie artikel 49 WRO 1983, p. 113.
Uitgebreid § 4.3.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wijze van advisering in het ruimtelijk ordeningsrecht vertoonde reeds toen grote gelijkenissen met de wijze van advisering in het onteigeningsrecht. Daaraan ligt de verwantschap van het soort berekeningen ten grondslag, alsook het feit dat aan de schadebeoordelingscommissie, net als aan de onteigeningsdeskundigen, niet alleen taxatietechnische vragen werden voorgelegd, maar ook juridische vragen. Beide rechtsgebieden zijn bij uitstek rechtersrecht; de wettelijke bepalingen op basis waarvan de schadevergoeding wordt toegekend, bevatten in beide rechtsgebieden slechts bewoordingen van algemene strekking. De praktische inkleuring wordt in grote mate aan deskundigen overgelaten. Die deskundigen worden geconfronteerd met allerlei vragen. Bijvoorbeeld: is er sprake van voor vergoeding in aanmerking komende stagnatieschade door een bouwverbod voortkomend uit de wijziging van het bestemmingsplan, 1of was de gestelde schade als gevolg van het bouwverbod voor een kippenhok ‘voorzienbaar’ en is er in het verlengde daarvan sprake van (actieve) risicoaanvaarding?2
De aan de deskundigen voorgelegde vragen waren in het kader van art. 49 WRO op een andere leest geschoeid dan de vragen over onteigening. Bij onteigening spitste de juridische vraagstelling zich met name toe op de afpaling van wat nog wel en wat niet meer als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening kon worden gezien. De vraagstelling bij de schadebeoordelingscommissie ex art. 49 WRO zag veeleer op de juridische beoordeling van de ‘onredelijkheid’ van de benadeling. Voorts is natuurlijk een belangrijk verschil dat de advisering in het kader van art. 49 WRO voornamelijk 3 plaatsvond in het bestuurlijk voortraject ten behoeve van de gemeenteraad (en later het college van B en W). Bij onteigening ging het echter om advisering ten behoeve van de civiele rechter.
Indien ik de lijn van overeenkomsten tussen de twee rechtsgebieden doortrek, valt verder nog op de ‘pleitzitting’ ten overstaan van de deskundigencommissie en de mogelijkheid tot het reageren op het (concept)rapport.4 Tenslotte is de uiteindelijk beslissing op de (eventuele) schadevergoeding in beide gevallen uitdrukkelijk niet aan de adviescommissie doch aan de civiele rechter respectievelijk gemeenteraad opgedragen.
Waar ik voor de civiele rechter in het kader van onteigening reeds uitvoerig heb beschreven dat er van het deskundigenadvies een grote invloed uitging, zijn empirische gegevens mij in het kader van art. 49 WRO onbekend. Uit onderzoek blijkt dat de gemeente en de verzoeker elkaar vaak minnelijk vonden, en dat er op grond van de gemeentelijke procedureverordeningen weinig claims werden gehonoreerd.5 Door deze omstandigheden, laat de daadwerkelijke invloed zich moeilijk kwantificeren. Daarnaast werden de raadsbeslissingen vaak niet integraal gepubliceerd. De Kroon-jurisprudentie alsook het feit dat de invloed van planschadeadviescommissies thans groot is,6 rechtvaardigen de verwachting dat de invloed van het deskundigenadvies in de periode 1962-1985 ook groot was.