Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.3:4.2.3 Het moment waarop artikel 2 EVRM, artikel 8 EVRM en artikel 1 EP van toepassing worden
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.3
4.2.3 Het moment waarop artikel 2 EVRM, artikel 8 EVRM en artikel 1 EP van toepassing worden
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS447488:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de zaken die in paragraaf 4.2.2 besproken zijn. In die zaken waren ook de (materiële) positieve verplichtingen om de aantasting van een beschermd belang te voorkomen of te beperken aan de orde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 3.2.2 is in het algemeen uiteengezet dat artikel 2evrm, artikel 8evrm en artikel 1ep niet alleen van toepassing zijn bij bestaande aantastingen, maar vanzelfsprekend en noodzakelijkerwijs ook in situaties waarin (objectief bezien) een gevaar bestaat dat in de toekomst (als gevolg van een activiteit of natuurlijke gebeurtenis) een aantasting van een beschermd belang plaatsvindt. In dit verband is gewezen op het bestaan van (materiële) positieve verplichtingen. Die verlichtingen zijn erop gericht om een aantasting van een beschermd belang te voorkomen of te beperken.1 Als artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en artikel 1 ep alleen van toepassing zouden zijn bij een aantasting die in het heden plaatsvindt of in het verleden reeds plaatsgevonden heeft, zouden die positieve verplichtingen (die juist beogen een aantasting te voorkomen of te beperken) immers niet kunnen bestaan. Artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en artikel 1 ep zouden dan namelijk nog niet van toepassing zijn op het moment van het nemen van preventieve maatregelen (die om zinvol te zijn noodzakelijkerwijs vóór de mogelijke aantasting genomen moeten worden).
Deze redenering over de toepasselijkheid van artikel 2evrm, artikel 8evrm en artikel 1ep vond in paragraaf 3.2.2 plaats in het kader van de bespreking van de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen. Dat neemt echter niet weg dat zij evengoed geldt voor de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen. Voor een nadere onderbouwing van de opvatting dat artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en artikel 1 ep ook van toepassing zijn in situaties waarin (objectief bezien) een gevaar bestaat dat in de toekomst een aantasting van een beschermd belang plaatsvindt wordt naar die paragraaf verwezen.