Parketnummer: 96-280635-22.
HR, 24-03-2026, nr. 23/01771
ECLI:NL:HR:2026:483
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
23/01771
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:483, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:45
ECLI:NL:PHR:2026:45, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:483
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑07‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0108
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Klimaatdemonstratie en bezetting van belastingkantoor in 2022 in Den Haag. Hinderlijk ophouden in een voor publiek toegankelijke ruimte, art. 2:50 APV Den Haag. Had art. 2:50 APV Den Haag gelet op grondwettelijk recht tot die betoging ex art. 9 Grondwet buiten toepassing moeten blijven? Art. 9 Grondwet heeft betrekking op grondrecht tot betoging. Uit totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en grondwettelijke beperkingssystematiek volgt dat grondwetgever uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen dat recht op betoging niet door lagere overheden kan worden beperkt anders dan krachtens specifieke wetsbepaling. Gemeenteraden kunnen niet krachtens hun algemene bevoegdheid (ex art. 149 Gemeentewet) tot stellen van beperkingen overgaan. Art. 2:50 APV Den Haag betreft verordening die door gemeenteraad Den Haag is vastgesteld o.g.v. die bevoegdheid. Deze bepaling kan daarom niet worden toegepast om betogingsrecht a.b.i. art. 9.1 Grondwet te beperken. Art. 9.2 Grondwet biedt mogelijkheid om bij wet regels te stellen ter bescherming van gezondheid in belang van verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Grondrecht tot betoging kan, gelet op art. 9.2 Grondwet, slechts worden beperkt door wet in formele zin. Zo’n wet in formele zin kan ook voorzien in voldoende specifieke wetsbepaling waarmee bevoegdheid tot stellen van regels over betogingen wordt gedelegeerd aan lagere overheid (bijvoorbeeld gemeente). Wetgever heeft met Wet openbare manifestaties voorzien in wet a.b.i. art. 9.2 Grondwet. Over betogingen houdt deze wet in dat gemeenteraad regels vaststelt m.b.t. gevallen waarin voor betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist (art. 4 Wom). Wom voorziet niet in bepaling waarmee gemeenteraad andere bevoegdheden krijgt waarmee grondrecht tot betoging beperkt kan worden. Ktr heeft bewezenverklaard dat verdachte zich op hinderlijke wijze heeft opgehouden in belastingkantoor. In uitspraak van Ktr ligt besloten dat dit ophouden onderdeel was van betoging a.b.i. art. 9.1 Grondwet. Gelet hierop getuigt oordeel Ktr dat art. 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten, van onjuiste rechtsopvatting. HR zal zaak zelf afdoen door verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarbij is van belang dat weliswaar klachten zijn geformuleerd over (motivering van) bewezenverklaring, maar dat ook als ervan wordt uitgegaan dat die klachten slagen, na terugwijzing geen veroordeling meer kan volgen vanwege slagen van middel over buiten toepassing laten van art. 2:50 APV Den Haag. Voor deze keuze om behandeling in cassatie te concentreren op deze klachten is ook van belang dat verdediging in feitelijke aanleg primair verweer naar voren heeft gebracht dat (als het gaat om betoging) verbodsbepaling van art. 2:50 APV Den Haag gelet op art. 9 Grondwet buiten toepassing moet blijven. HR ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. CAG (strekking): vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01771
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 13 april 2023, nummer 96-280635-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, sector kanton, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Bewezenverklaring, kwalificatie en verwerping van gevoerde verweren
2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat zij:
“op 29 juni 2022 te ’s-Gravenhage zich zonder redelijk doel en op een voor (een) ander(en) hinderlijke wijze heeft opgehouden in een voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek toegankelijke) ruimte, te weten het belastingkantoor aan de Prinses Beatrixlaan, Huisnr: 512.”
2.2
Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als overtreding van artikel 2:50 van de Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag 2013 (hierna: APV Den Haag). Deze bepaling luidt:
“Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.”
2.3
Namens de verdachte zijn bij de behandeling van de zaak door de kantonrechter meerdere verweren gevoerd. Allereerst is door de verdediging naar voren gebracht dat het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet) en het grondwettelijke recht tot betoging (artikel 9 Grondwet) alleen kunnen worden beperkt bij wet in formele zin en dat artikel 2:50 APV Den Haag niet zo’n wet betreft. Gelet hierop zou, zo heeft de verdediging aangevoerd, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moeten worden verklaard. Daarnaast heeft de verdediging – onder verwijzing naar artikel 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – verweren gevoerd die strekken tot vrijspraak van het tenlastegelegde, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, dan wel toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
2.4
De kantonrechter heeft naar aanleiding van deze verweren overwogen:
“Niet-ontvankelijkheidsverweer
Door de verdediging is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in haar vervolging, omdat door middel van de strafrechtelijke vervolging cliënte haar vrijheid van meningsuiting en recht tot betoging te beperken op grond van een wet in materiële zin, dit zou grondwettelijk gezien niet zijn toegestaan. De kantonrechter is van oordeel dat het gaat om een wet in materiële zin die niet ziet op het recht op betoging of op de vrijheid van meningsuiting. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk en evenmin hoeft het artikel buiten toepassing te blijven.
Bewijsbaarheid van het feit
De kantonrechter is voorts van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de kantonrechter staat vast dat hinder werd veroorzaakt. Er was geen redelijk doel voor de demonstranten waaronder de verdachte om zich op te houden in het belastingkantoor. Het een en ander brengt met zich mee dat er een overtreding van de APV kan worden vastgesteld. De kantonrechter overweegt dat het recht om te demonstreren niet absoluut is, hier kunnen beperkingen op worden aangebracht. De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd was om dat recht te beperken. De demonstranten hebben geen gehoor gegeven aan de oproep om het kantoor te verlaten. Uit de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden dat sprake is van een schending van artikel 10 of artikel 11 van het EVRM.
De kantonrechter overweegt voorts dat eenieder het recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering. De aanhouding van verdachte door de politie was er niet op gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren. Er moet gekeken worden of sprake was van een ‘chilling-effect’. Was het optreden dusdanig ontmoedigend dat anderen ervan een ‘chilling’ effect konden ondervinden. De kantonrechter neemt mee dat het achteraf allemaal anders had gekund en volgt daarbij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:126). De kantonrechter is met betrekking tot het tenlastegelegde feit dan ook van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
(...)
De strafoplegging
De kantonrechter houdt bij het bepalen van een straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd. Ook kijkt de kantonrechter naar het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden.
In deze zaak overweegt de kantonrechter het volgende.
Door deel te nemen aan de demonstratie en bezetting van het belastingdienstgebouw heeft de verdachte hinder veroorzaakt. Hiermee heeft de verdachte de Algemene Plaatselijke Verordening overtreden.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 maart 2023.
Alles overwegende zal de kantonrechter de verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.”
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat artikel 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing moet blijven. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte is veroordeeld voor een gedraging die onderdeel was van een betoging als bedoeld in artikel 9 Grondwet en dat het grondwettelijke recht tot die betoging niet door artikel 2:50 APV Den Haag kan worden beperkt.
3.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
1. Cliënte is overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag 2013 tenlastegelegd. Blijkens de vermelding van artikel 2:50 APV Den Haag 2013 in de oproeping zijn de daarin genoemde termen kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in deze bepaling.
2. Artikel 7 Grondwet beschermt de vrijheid van meningsuiting. Artikel 9 Grondwet het recht tot betoging. Met de formule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ geven deze bepalingen aan dat aan deze vrijheden beperkingen mogen worden gesteld.
3. De ‘wet’ in artikel 7 en 9 Grondwet is echter nadrukkelijk de wet in formele zin. De vrijheid van meningsuiting en het recht tot betoging mogen dus alleen bij wet in formele zin worden beperkt. De APV Den Haag 2013 is niet zo’n wet.
4. Uit het proces-verbaal blijkt dat cliënte deel uitmaakte van een groep demonstranten. Ook blijkt dat het ging om een protest van Extinction Rebellion en Christian Climate Change tegen de fossiele subsidies van de overheid (vgl. bijv. Dagblad Trouw, 29 juni 2022). Haar komt dientengevolge de bescherming van artikel 7 en 9 van de Grondwet toe.”
3.2.2
De overwegingen van de kantonrechter zijn weergegeven onder 2.4. Deze overwegingen houden onder meer als oordeel van de kantonrechter in dat artikel 2:50 APV Den Haag een wet in materiële zin betreft die niet ziet op het recht op betoging en dat geen grond bestaat dit artikel buiten toepassing te laten.
3.3.1
Artikel 9 Grondwet luidt:
“1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”
“De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.”
3.3.2
De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 Grondwet houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting bij de Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten:
“7. Terminologie
De Staatscommissie-Van Schaik heeft, daarin gevolgd door de Proeve, de Staatscommissie-Cals/Donner en wetsontwerp 11 051, voorgesteld de terminologie van grondwetsbepalingen te systematiseren, ten einde tot uitdrukking te brengen in welke gevallen de wetgever een hem opgedragen taak zelf moet verrichten en in welke gevallen aan hem wordt overgelaten te beoordelen in hoeverre hij het geven van voorschriften aan zich wil houden, dan wel aan andere overheidsorganen wil opdragen. Dit onderwerp betreft niet slechts het onderhavige wetsontwerp maar de gehele Grondwet. (...)
Het zojuist beschreven onderscheid en de daarbij behorende terminologie is overgenomen. De bevoegdheid van de wetgever om de hem grondwettelijk verleende taak of bevoegdheid aan andere organen over te dragen wordt tot uitdrukking gebracht door het gebruik van enigerlei vorm van het werkwoord «regelen», de zelfstandige naamwoorden «regels» en «regeling» of de term «bij of krachtens». Komt geen van deze formuleringen in een bepaling voor, dan is het overdragen van de grondwettelijk verleende bevoegdheid niet geoorloofd.
(...)
Tot slot zij erop gewezen, dat een grondwettelijke attributie aan de wetgever invloed kan hebben op bevoegdheden van andere organen. Zo heeft het grondwettelijk erkennen van het recht tot betoging en de ter zake van dat recht voorgestelde regeling van de beperkingsbevoegdheid (artikel 1.9) tot gevolg, dat gemeenten niet anders dan krachtens een specifieke wetsbepaling en niet krachtens hun algemene (autonome) bevoegdheid (artikel 168 gemeentewet) tot het stellen van beperkingen kunnen overgaan. De grondwettelijke bevoegdheidsverlening strekt er in dit geval immers toe om voor de formele wetgever, zij het met een mogelijkheid van delegatie, de bevoegdheid te scheppen inbreuk te maken op het door de Grondwet verleende grondrecht.”
(Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 22-23.)
- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij de Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten, en de Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake sociale grondrechten:
“Artikel 1.9 (vergadering en betoging)
Artikel 1.9 houdt in dat de autonome bevoegdheid van de gemeenten omtrent betogingen regels te stellen zal vervallen. Het beperken van het recht tot betoging wordt in dat artikel aan de wetgever opgedragen. Krachtens het tweede lid van artikel 1.9 kan de wetgever echter aan onder andere organen van de gemeenten in medebewind bevoegdheden verlenen regels te stellen omtrent betogingen. Deze bevoegdheden moeten wel blijven binnen het kader van de bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De wetgever zal zelf kunnen bepalen in welke mate hij krachtens het tweede lid aan lagere organen bevoegdheden met betrekking tot betogingen zal verlenen (...).
Het tweede lid van artikel 1.9 moet worden gelezen in samenhang met het eerste lid van dat artikel. In het eerste lid wordt allereerst het recht tot betoging (en vergadering) grondwettelijk vastgelegd met de bevoegdheid van de wetgever in formele zin om beperkingen te stellen.
Deze beperkingsclausule «behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet» laat geen delegatie toe. Alle beperkende regels, die krachtens deze clausule worden gegeven, zullen in de wet zelf moeten worden vastgelegd. Daarnaast wordt in het tweede lid van artikel 1.9 de bevoegdheid van de wetgever omschreven voor de in dat lid genoemde doeleinden beperkingen te regelen ten aanzien van de uitoefening van het recht tot betoging. De beperkingsbevoegdheid van het tweede lid laat – in tegenstelling tot de beperkingsbevoegdheid van het eerste lid – wel toe, dat de wetgever aan lagere organen met betrekking tot de in dat lid genoemde onderwerpen de bevoegdheid tot het stellen van regels omtrent betogingen verleent.”
(Kamerstukken I 1976/77, 13872 en 13873, nr. 55b, p. 43.)
3.4.1
Artikel 9 Grondwet heeft betrekking op het grondrecht tot betoging. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en, in samenhang daarmee, de grondwettelijke beperkingssystematiek volgt dat de grondwetgever uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen dat het recht op betoging niet door lagere overheden kan worden beperkt anders dan krachtens een specifieke wetsbepaling. Gemeenteraden kunnen niet krachtens hun algemene bevoegdheid – die tegenwoordig is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet – tot het stellen van beperkingen overgaan (vgl. ABRvS 28 augustus 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AH6164 en ABRvS 6 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6842). Artikel 2:50 APV Den Haag betreft een verordening die door de gemeenteraad van Den Haag is vastgesteld op grond van de bevoegdheid gegeven in artikel 149 Gemeentewet. Deze bepaling kan daarom niet worden toegepast om het betogingsrecht als bedoeld in artikel 9 lid 1 Grondwet te beperken.
3.4.2
In aanvulling hierop is nog het volgende van belang in verband met de mogelijkheid die artikel 9 lid 2 Grondwet biedt om bij wet regels te stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.Het grondrecht tot betoging kan, gelet op artikel 9 lid 2 Grondwet, slechts worden beperkt door een wet in formele zin. Zo’n wet in formele zin kan ook voorzien in een voldoende specifieke wetsbepaling waarmee de bevoegdheid tot het stellen van regels over betogingen wordt gedelegeerd aan een lagere overheid (bijvoorbeeld een gemeente). De wetgever heeft met de – na de inwerkingtreding van artikel 9 Grondwet tot stand gekomen – Wet openbare manifestaties voorzien in een wet als bedoeld in artikel 9 lid 2 Grondwet. Over betogingen houdt deze wet in dat de gemeenteraad regels vaststelt met betrekking tot de gevallen waarin voor betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist (artikel 4 Wom). De Wet openbare manifestaties voorziet niet in een bepaling waarmee de gemeenteraad andere bevoegdheden krijgt dan die in artikel 4 lid 1 Wom bedoeld en waarmee het grondrecht tot betoging beperkt kan worden.
3.5
De kantonrechter heeft bewezenverklaard dat, kort gezegd, de verdachte zich op een hinderlijke wijze heeft opgehouden in het belastingkantoor. In de uitspraak van de kantonrechter ligt besloten dat dit ophouden onderdeel was van een betoging als bedoeld in artikel 9 lid 1 Grondwet. Gelet hierop getuigt het oordeel van de kantonrechter dat artikel 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten, van een onjuiste rechtsopvatting.
3.6
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarbij is van belang dat weliswaar in het eerste en het tweede cassatiemiddel klachten zijn geformuleerd over (de motivering van) de bewezenverklaring, maar dat ook als ervan wordt uitgegaan dat die klachten slagen, na terugwijzing geen veroordeling meer kan volgen vanwege het slagen van het derde cassatiemiddel. Voor deze keuze om de behandeling in cassatie te concentreren op de klachten van het derde cassatiemiddel is ook van belang dat de verdediging in feitelijke aanleg primair het verweer naar voren heeft gebracht dat, als het gaat om een betoging, de verbodsbepaling van artikel 2:50 APV Den Haag, gelet op (onder meer) artikel 9 Grondwet, buiten toepassing moet blijven.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt en in het licht van wat onder 3.6 is overwogen, ziet de Hoge Raad af van een bespreking van de overige cassatiemiddelen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van de kantonrechter;
- ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Demonstratie in (voor publiek toegankelijke ruimte van) belastingkantoor. Overtreding art. 2:50 APV Den Haag. AG gaat onder meer in op de vraag of het recht tot betoging kan worden beperkt door een APV-bepaling. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01771
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De kantonrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 13 april 20231.de verdachte veroordeeld wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 2:50 Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag 2013” en daarbij bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.
1.2
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Voordat ik overga tot een bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1
De kantonrechter heeft bewezenverklaard dat de verdachte:
“op 29 juni 2022 te ’s-Gravenhage zich zonder redelijk
doel en op een voor (een) ander(en) hinderlijke wijze heeft opgehouden
in een voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek
toegankelijke) ruimte, te weten het belastingkantoor aan de Prinses Beatrixlaan, Huisnr:
512 ”.
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting, van 14 april 2023;
(…)
We zijn naar het belastingkantoor gegaan om te demonstreren tegen de fossiele subsidies. We wilden naar het ministerie van Financiën maar dat was al afgesloten. Toen zijn we afgeweken naar een andere plek en dat was het belastingkantoor
(…)
2. het proces-verbaal van overtreding, d.d. 31-08-2022, nr. 701254026305807,
opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag.
(…)
Achternaam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedatum] -1958
(…)
Datum : 29-06-2022
Omstreeks 13:05 uur
Plaats ’s-Gravenhage
Gemeente ‘s Gravenhage
Locatie Prinses Beatrixlaan huisnr: 512
(…)
Ik, verbalisant, bevond mij op genoemde locatie als zijnde Paraat Peleton. Wij werden naar genoemd adres gestuurd alwaar demonstranten het Belastingkantoor van de overheid waren binnengedrongen.
Dit betrof al de tweede keer in korte tijd dat zij (Extinction Rebellion) dit deden. Genoemde verdachte maakte onderdeel uit van een groep van ongeveer 30 personen. De groep werd alvorens deze beschikking gevorderd om zichzelf te verwijderen uit het pand. Indien men hier gevolg aan gaf zaten daar geen consequenties aan vast. De groep waaronder de verdachte besloten om geen gevolg te geven aan deze vordering en trachtte zichzelf vast te tekenen aan elkaar. Hierop werd aan verdachte een proces-verbaal aangezegd vanwege het zich schuldig maken aan zonder redelijk doel in een publieke ruimte hinderlijk op te houden. De hinder bestond uit het aanwezig zijn met een grote groep gelijkgestemde in de publieke ruimte. Het hard schreeuwen van leuzen in de publieke ruimte. Het laten zien van grote spandoeken in de publieke ruimte. Het opplakken van spandoeken in de publieke ruimte met behulp van plakband.”
2.3
De kantonrechter heeft met betrekking tot de bewezenverklaring overwogen:
“Bewijsoverwegingen
Niet-ontvankelijkheidsverweer
Door de verdediging is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in haar vervolging, omdat door middel van de strafrechtelijke vervolging cliënte haar vrijheid van meningsuiting en recht tot betoging te beperken op grond van een wet in materiële zin, dit zou grondwettelijk gezien niet zijn toegestaan. De kantonrechter is van oordeel dat het gaat om een wet in materiële zin die niet ziet op het recht op betoging of op de vrijheid van meningsuiting. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk en evenmin hoeft het artikel buiten toepassing te blijven.
Bewijsbaarheid van het feit
De kantonrechter is voorts van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de kantonrechter staat vast dat hinder werd veroorzaakt. Er was geen redelijk doel voor de demonstranten waaronder de verdachte om zich op te houden in het belastingkantoor. Het een en ander brengt met zich mee dat er een overtreding van de APV kan worden vastgesteld. De kantonrechter overweegt dat het recht om te demonstreren niet absoluut is, hier kunnen beperkingen op worden aangebracht. De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd was om dat recht te beperken. De demonstranten hebben geen gehoor gegeven aan de oproep om het kantoor te verlaten. Uit de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden dat sprake is van een schending van artikel 10 of artikel 11 van het EVRM.
De kantonrechter overweegt voorts dat eenieder het recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering. De aanhouding van verdachte door de politie was er niet op gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren. Er moet gekeken worden of sprake was van een ‘chilling-effect’. Was het optreden dusdanig ontmoedigend dat anderen ervan een ‘chilling’ effect konden ondervinden. De kantonrechter neemt mee dat het achteraf allemaal anders had gekund en volgt daarbij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:126). De kantonrechter is met betrekking tot het laste gelegde feit dan ook van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.”
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft bewezenverklaard dat het belastingkantoor “een voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek toegankelijke) ruimte” is in de zin van art. 2:50 Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV Den Haag), althans dat de bewezenverklaring op dit punt niet toereikend is gemotiveerd.
3.2
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende artikelen uit de APV Den Haag van belang:
“Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
1. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel aangevoerd dat in art. 2:50 APV Den Haag, om een indicatie te geven op welke voor het publiek toegankelijke ruimten deze bepaling het oog heeft, bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet wordt genoemd. De kantonrechter heeft het belastingkantoor met deze ruimten gelijkgesteld, zodat de beslissing van de kantonrechter blijk geeft “van een onjuiste, want te ruime opvatting van de ruimten waarop deze bepaling ziet.” Daarnaast miskent het oordeel van de kantonrechter volgens de steller van het middel dat art. 2:50 APV Den Haag beoogt te voorzien in een aanvulling op de strafbaarstelling van hinderlijk gedrag onder meer in gebouwen.
3.4
De tekst van het huidige art. 2:50 APV Den Haag is na een daartoe strekkend voorstel van de burgemeester2.in 2005 opgenomen in de APV Den Haag en was aanvankelijk neergelegd in art. 78a Algemene politieverordening voor ‘s-Gravenhage 1982. De toelichting bij deze uitbreiding luidde:3.
“Toelichting
Het doelloos rondhangen van jongeren - en de overlast die er vaak uit voortvloeit - zorgt voor gevoelens van onveiligheid bij burgers. Deze situaties werken voorts delicten als tasjesdiefstal en zakkenrollerij in de hand. In het bijzonder in het gebied rond de NS-stations Den Haag Centraal (CS) en Hollands Spoor (HS) en bij ‘losse’ bushaltes in de stad is dit een bekend probleem. Den Haag CS maakt samen met Den Haag HS deel uit van een integrale (sociale) veiligheidsaanpak stations. Politie, HTM, NS en de gemeente Den Haag hebben gezamenlijk een maatregelenpakket samengesteld dat de problematiek aanpakt. Daarnaast is CS en een aantal andere locaties in de stad aangewezen als hotspot. Onderdeel van deze aanpakken is dat de politie dagelijks intensief surveilleert op deze locaties, en verbaliseert als zij overtredingen constateert. Dit leidt tot enige vermindering van de overlast ter plaatse, maar er is ruimte voor verbetering.
De mogelijkheden om hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten aan te pakken, zijn beperkt. Feitelijk verbiedt alleen artikel 78 van de APV hinderlijk hanggedrag, maar alleen voor zover dit het gebied in en rondom gebouwen betreft. Andere locaties, zoals bushaltes, telefooncellen, rijwielstallingen en toegangen tot parkeergarages, vallen buiten de werking van deze bepaling. Qua aanpak van de overlast van rondhangende jeugd en tasjesdieven/zakkenrollers is het wenselijk om de APV uit te breiden met een artikel dat de politie de mogelijkheid geeft om op te treden tegen doelloos rondhangende individuen, die op enigerlei wijze de openbare orde verstoren.”
3.5
Op 10 februari 2009 is de Algemene politieverordening voor ’s-Gravenhage 1982 vervangen door de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag 2008. Hiermee wijzigde de nummering van art. 78a naar art. 2:50.4.De tekst van de bepaling bleef daarbij ongewijzigd. Wel werd het artikel (opnieuw) voorzien van een toelichting:5.
“Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Aan artikel 2.4.9 bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.”
3.6
Het middel werpt de vraag op of het belastingkantoor in dit geval kan worden aangemerkt als een “voor het publiek toegankelijk portaal” of een “soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte”. Deze vraag kan mijns inziens bevestigend worden beantwoord.
3.7
Uit de totstandkomingsgeschiedenis komt naar voren dat de strafbaarstelling van art. 2:50 APV Den Haag aanvankelijk voorzag in de aanvulling van een leemte. De mogelijkheden om op te treden tegen hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten waren namelijk beperkt. De Algemene Politieverordening voor ’s-Gravenhage 1982 kende alleen een bepaling die voorzag in hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.6.Andere ruimten vielen daardoor buiten de werking van deze bepaling. Een aantal van deze ruimten is in art. 2:50 APV Den Haag “bij wijze van voorbeeld” genoemd, zo vermeldt de toelichting, en is aldus niet uitputtend bedoeld.7.Dit volgt overigens eveneens uit de formulering van voornoemde bepaling, waaruit blijkt dat het moet gaan om een “voor het publiek toegankelijk portaal” of na opsomming van een aantal voorbeelden, “andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimten”.
3.8
Hoewel art. 2:49 APV Den Haag hinderlijk gedrag bij of in gebouwen strafbaar stelt, neemt dit niet weg dat een voor het publiek toegankelijk portaal of ruimte in de zin van art. 2:50 APV Den Haag zich ook in een gebouw kan bevinden. Zo wordt in dit artikel expliciet een parkeergarage als voorbeeld genoemd, hetgeen zich in voorkomende gevallen in een gebouw bevindt. Datzelfde geldt overigens voor het in de meest recente toelichting aangehaalde voorbeeld van “zelfbedieningsruimten in postkantoren”. Bovendien werpt laatstgenoemd voorbeeld een bredere blik op wat onder voor het publiek toegankelijk ruimte kan worden verstaan, nu – zoals reeds opgemerkt – ook “andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimten” onder de strafbaarstelling van art. 2:50 APV Den Haag kunnen worden geschaard. Met de steller van het middel meen ik dat het belastingkantoor moeilijk als soortgelijk kan worden gezien aan bijvoorbeeld een telefooncel of rijwielstalling, maar voor een zelfbedieningsruimte in een postkantoor ligt dat alweer anders. Het gaat hier aldus om een bepaling met een enigermate open karakter die de rechter de nodige interpretatievrijheid laat.
3.9
Verder heeft art. 2:50 APV Den Haag betrekking op “een voor het publiek toegankelijk portaal”. Wat onder ‘portaal’ in de zin van art. 2:50 APV Den Haag kan worden verstaan, volgt niet uit de totstandkomingsgeschiedenis en wordt evenmin in de APV Den Haag omschreven.8.Voor de uitleg zou derhalve kunnen worden gekeken naar wat daaronder in het dagelijks spraakgebruik wordt verstaan. Oftewel aan de hand van de grammaticale interpretatiemethode. In De Dikke Van Dale9.wordt aan het woord ‘portaal’ de volgende betekenis gegeven: “1. Voorhal van een groot gebouw, 2. brede overloop: trapportaal, 3. (computer) website die uitsluitend bestaat uit verwijzingen naar sites op een bep. terrein”. Het moge duidelijk zijn dat het in dit verband met name zal gaan om de eerste en tweede daaraan toegekende betekenis.
3.10
In de onderhavige zaak vond de demonstratie plaats in het belastingkantoor. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat in cassatie niet wordt bestreden dat de demonstratie plaatsvond in een voor het publiek toegankelijk deel van het belastingkantoor.10.De demonstratie vond, zo begrijp ik, in de toegangshal plaats.
3.11
Gelet op het vorenstaande getuigt het oordeel van de kantonrechter dat erop neerkomt dat het belastingkantoor moet worden aangemerkt als een “voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek toegankelijke ruimte)” aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
3.12
Het eerste middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich “zonder redelijk doel” heeft opgehouden in het belastingkantoor.
4.2
De op het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2023 door de raadsvrouw overgelegde en voorgedragen pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Demonstratievorm wordt beschermd door EVRM en IVBPR
34. Evident is dat cliënte, samen met anderen, in een bepaalde vorm haar mening heeft geuit. Die vorm van meningsuiting valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en dus in beginsel beschermd door de Grondwet en de genoemde verdragen.
35. De demonstratie waaraan cliënte deelnam was gericht tegen de fossiele subsidies van de overheid.
36. Cliënte geeft aan dat de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën die dag fysiek waren afgesloten, waardoor de demonstranten hebben gedemonstreerd in het daarna meest geëigende overheidsgebouw. Daarom was volgens cliënte en haar medestanders het Belastinggebouw bij uitstek een geschikte locatie om hun mening te uiten.
Vreedzaam
37. De demonstratie was vreedzaam.
Geen bovenmatige ‘disruption of ordinary life’
38. Ook blijkt dat de actie niet gepaard is gegaan met strafbare feiten of wanordelijkheden, anders dan een hooguit een gewone ‘disruption of ordinary life’. De Belastingdienst heeft geen aangifte gedaan tegen cliënte en haar mededemonstranten.
39. Het enige doel van cliënte en haar mededemonstranten was het kenbaar maken van hun gezamenlijke mening. Evident is ook dat het cliënte en haar mededemonstranten niet om te doen was het door artikel 2:50 APV Den Haag 2013 beschermde belang aan te tasten. Het betreden van het gebouw was slechts noodzakelijk om op de meest geschikte locatie haar stem te laten horen. Zoals ook het overtreden van de Wegenverkeerswet noodzakelijk is indien een protestmars wordt gehouden op de openbare weg. Er is dan geen officier van justitie die de demonstranten voor WVW-overtredingen voor de rechter brengt.
Zorgvuldige uitvoering
40. De actie is zeer zorgvuldig uitgevoerd, juist met het oog op het voorkomen van schade aan goederen en gevaar voor de veiligheid van personen. Er is niets beschadigd en er is ook overigens geen schade veroorzaakt. De Belastingdienst heeft geen vordering als benadeelde partij ingediend of andere juridische vervolgstappen tegen cliënte en haar mededemonstranten genomen.
De demonstratie was van beperkte duur
41. De actie was van beperkte duur.
Geen verzet bij aanhouding; allen direct gelegitimeerd
42. Cliënte heeft zich niet verzet bij haar staandehouding. Zij heeft zich direct gelegitimeerd met een geldig legitimatiebewijs.
Geen onaanvaardbare disruption to ordinary life’, geen ‘reprehensible’ gedrag
43. In het licht van al deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat, als al sprake was van ‘disruption to ordinary life’, deze binnen de grenzen van een legitieme demonstratie of meningsuiting valt. Ook kan in het licht van alle omstandigheden van het geval niet worden vastgesteld dat de gedragingen van cliënte en haar mededemonstranten ‘reprehensible’ waren.
Relatieve ernst van de gedragingen
44. Overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag 2013 is een strafbaar feit van relatieve ernst.
Consequentie: vrijspraak
45. Het tenlastegelegde feit kan hiermee niet worden bewezen. Ten laste gelegd is immers dat cliënte zich zonder redelijk doel ophield. Daarvan is gelet op de omstandigheden van de zaak en het geschetste verdragsrechtelijk kader geen sprake.
46. Het redelijk doel is het uitoefenen van de rechten van artikelen 10 en 11 EVRM. Cliënte wenste haar demonstratierecht uit te oefenen. Getoetst aan de geciteerde jurisprudentie moet dat worden gezien als een redelijk doel. Ik verzoek u daarom cliënte vrij te spreken.”
4.3
De steller van het middel voert ten eerste aan dat art. 2:50 APV Den Haag is ingevoerd ter bestrijding van het in bepaalde ruimten doelloos rondhangen door bijvoorbeeld jongeren, tasjesdieven en zakkenrollers en dat de uitoefening van de betogingsvrijheid in die ruimten daarmee niet kan worden gelijkgesteld. Dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich op een voor anderen hinderlijke wijze heeft opgehouden, doet daar niet aan af. De steller van het middel voert in dit verband aan dat de gedragingen van de verdachte immers een aanvaardbare ‘disruption to ordinary life’ vormen en aldus binnen de grenzen van een reguliere vreedzame demonstratie vallen. Onder deze omstandigheden heeft de kantonrechter het ophouden ‘zonder redelijk doel’ niet uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden, althans is de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
4.4
Blijkens de tekst van art. 2:50 APV Den Haag kan het verbod worden ingezet tegen degenen die zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze ophouden en daarmee op enigerlei wijze de orde verstoren dan wel, de in die bepaling bedoelde ruimte, verontreinigen of gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Voor het verbod is plaats, zo volgt uit het voorstel, omdat “het doelloos rondhangen van jongeren – en de overlast die er vaak uit voortvloeit – zorgt voor gevoelens van onveiligheid bij burgers” en “delicten als tasjesdiefstal en zakkenrollerij in de hand” werkt.11.Uit de toelichting volgt dat feitelijk alleen art. 78 (oud) APV Den Haag “hinderlijk hanggedrag” verbiedt en bepaalde locaties buiten de werking van deze bepaling vallen. Het werd dan ook wenselijk geacht “om de APV uit te breiden met een artikel dat de politie de mogelijkheid geeft om op te treden tegen doelloos rondhangende individuen, die op enigerlei wijze de openbare orde verstoren.”12.In een latere toelichting is opgenomen dat “deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten (…) tegen te gaan”.13.Gezien de totstandkomingsgeschiedenis beoogt deze bepaling dan ook onmiskenbaar zogenaamd “hanggedrag” tegen te gaan.
4.5
In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter overwogen dat vaststaat dat hinder werd veroorzaakt en dat er voor de demonstranten, waaronder de verdachte, geen redelijk doel was om zich op te houden in het belastingkantoor. Het oordeel van de kantonrechter komt er kennelijk op neer dat in het onderhavige geval de demonstratie in het belastingkantoor kan worden aangemerkt als het zonder redelijk doel op hinderlijke wijze ophouden als bedoeld in art. 2:50 APV Den Haag. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, acht ik dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk en dus ontoereikend gemotiveerd.
4.6
Het middel slaagt.
5. Het derde middel
5.1
Hoewel het slagen van het tweede middel op zich maakt dat de overige middelen geen bespreking meer behoeven, acht ik het niet alleen voor de behandeling van de zaak na terugwijzing van belang om toch in te gaan op het derde middel. Het demonstratierecht is een actueel thema, ook voor de rechtspraktijk. Recent zijn door de Hoge Raad verschillende arresten gewezen met betrekking tot demonstranten die strafrechtelijk werden vervolgd.14.In die zaken ging het om vervolgingen op grond van het Wetboek van Strafrecht, zoals lokaalvredebreuk (art. 139 Sr). In het voorliggende geval gaat het echter om een vervolging op grond van een APV-bepaling. In dat opzicht is het derde middel relevant voor de rechtspraktijk. Daarbij verdient opmerking dat thans dergelijke zaken op grond van art. 404 lid 4 Sv in cassatie aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd. Met de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering lijkt deze mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen te komen vervallen.15.
5.2
Dat brengt mij tot de bespreking van het derde middel. Het klaagt onder meer over het oordeel van de kantonrechter dat art. 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te blijven. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de aan de verdachte verweten gedraging louter haar deelname aan een betoging vormde en het recht tot betoging, zoals is neergelegd in art. 9 Grondwet, slechts kan worden beperkt bij een wet in formele zin.
5.3
Art. 9 Grondwet luidt:
“1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”
5.4
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De Grondwet bevat fundamentele rechten. Dat betekent echter niet dat alle in de Grondwet neergelegde rechten te allen tijde absoluut zijn, in die zin dat zij nimmer kunnen worden beperkt. Of een beperking van een grondrecht is toegestaan, en zo ja, op welke wijze dit dient plaats te vinden, hangt in de eerste plaats samen met de formulering van de grondrechtsbepaling.16.Uit de zinsnede “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” in art. 9 lid 1 Grondwet volgt dat de bevoegdheid tot beperking van het recht tot betoging17.door de formele wetgever mag worden uitgeoefend en dat die bevoegdheid niet door de formele wetgever mag worden gedelegeerd.18.Met andere woorden, een beperking is alleen toegestaan bij een wet in formele zin.19.
5.5
Wel is het de formele wetgever op grond van art. 9 lid 2 Grondwet toegestaan de bevoegdheid te delegeren om beperkingen aan te brengen op het recht tot betoging. Dit volgt uit de gekozen terminologie “de wet kan regels stellen”. De lagere wetgever is bevoegd om het grondrecht te beperken “ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.” Daarbij moet uitdrukkelijk worden opgemerkt dat deze bevoegdheid niet uit de Grondwet als zodanig voortvloeit, maar pas ontstaat wanneer de formele wetgever besluit van de mogelijkheid tot delegatie gebruik te maken.20.In de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom) heeft de formele wetgever van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. Ingevolge art. 4 lid 1 Wom stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist. In de APV van een gemeente kunnen aldus zulke nadere regels zijn gesteld.21.
5.6
Voor de volledigheid kan worden opgemerkt dat art. 149 Gemeentewet waarin is bepaald dat de raad de verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt, geen delegatiemogelijkheid biedt om het recht tot betoging te beperken. Weliswaar is de Gemeentewet een wet in formele zin, maar niet is voldaan aan de eisen die door de grondwetgever worden gesteld aan een delegatiemogelijkheid. Naast de eis dat de specifieke wetsbepaling bewust een beperkingsbevoegdheid moet toekennen aan een lager bestuursorgaan, moet die specifieke wetsbepaling namelijk ook aangeven welk grondrecht mag worden beperkt.22.Een bepaling zoals art. 149 Gemeentewet, die aan de gemeenteraad autonome verordende bevoegdheden toekent, geldt derhalve niet als een door de Grondwet vereiste uitdrukkelijke, specifieke delegatiebepaling.23.Art. 2:50 APV Den Haag is zo’n bepaling die voortvloeit uit de verordende bevoegdheid van art. 149 Gemeentewet, maar strekt er dus niet toe een grondrecht te beperken.
5.7
Uit het voorgaande blijkt dat ook in het geval van een betoging een strafrechtelijke vervolging niet is uitgesloten, maar dat dit een formeel-wettelijke grondslag vereist.24.Gedacht kan worden aan vervolging op grond van overtreding van bepalingen van de Wet openbare manifestaties of in voorkomende gevallen het Wetboek van Strafrecht. Lagere regelgeving – zoals in het onderhavige geval de APV – valt hier niet onder.
5.8
Voor de beoordeling van het middel is van belang of in het onderhavige geval het strafrechtelijk optreden een beperking van de betogingsvrijheid oplevert. Daar gaat eerst nog de vraag aan vooraf of in het onderhavige geval sprake was van een betoging in de zin van art. 9 Grondwet.
5.9
Met betrekking tot het antwoord op die vraag kan ik kort zijn. Uit de door de kantonrechter gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met mededemonstranten naar het belastingkantoor in Den Haag is gegaan om te demonstreren tegen fossiele subsidies. De kantonrechter heeft overwogen dat het recht om te demonstreren niet absoluut is en dat hierop beperkingen kunnen worden aangebracht. De kantonrechter komt vervolgens tot het oordeel dat het gerechtvaardigd was om dat recht te beperken, nu de demonstranten geen gehoor hebben gegeven aan de oproep om het belastingkantoor te verlaten. Verder overweegt de kantonrechter dat eenieder het recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en dat de aanhouding van de verdachte door de politie er niet op was gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren. Uit een en ander volgt dat naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval sprake was van een demonstratie. Daar komt bij dat uit de bewijsvoering van de kantonrechter niet volgt dat de demonstratie een zodanig karakter had of ontaard is in zodanige wanordelijkheden, dat de betoging de grondwettelijke bescherming niet (langer) toekomt en dus – in het verlengde daarvan – kon worden beperkt of beëindigd op grond van bijvoorbeeld de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester ex art. 172 lid 3 Gemeentewet.25.
5.10
Voorts kan uit de hiervoor aangehaalde overwegingen en de door de kantonrechter gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat als gevolg van het aanzeggen van het proces-verbaal wegens overtreding van art. 2:50 APV Den Haag het recht tot betoging (de facto) is beperkt. Daaraan doet niet af, wat daar overigens ook van zij, dat de aanhouding van de verdachte door de politie, naar het oordeel van de kantonrechter, er niet op was gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren.
5.11
Het oordeel van de kantonrechter in zijn bewijsoverwegingen dat art. 2:50 APV Den Haag in dit geval niet buiten toepassing hoeft te blijven, getuigt, gelet op het vorenstaande, van een onjuiste rechtsopvatting.
5.12
Het middel slaagt.
6. Slotsom
6.1
Het eerste middel faalt. Het tweede en het derde middel slagen. De overige middelen behoeven in verband daarmee geen bespreking. Indien de Hoge Raad mij in dit laatste niet kan volgen, ben ik desgewenst graag bereid die middelen alsnog inhoudelijk te bespreken.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 14 april 2023. De kantonrechter zal daarmee – na terugwijzing en voor zover nodig – rekening kunnen houden. Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van de kantonrechter aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, sector kanton, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2026
Voorstel tot wijziging van de APV ter opname van een verbod op het zich hinderlijk ophouden in publieke ruimte d.d. 17 september 2004, BSD/2004.2713 – RIS 120018.
Wijziging van de Algemene Politieverordening ter opname van een verbod op het zich hinderlijk ophouden in publieke ruimten d.d. 7 januari 2005, RIS117772_02-MRT-2005.
Voorstel van het college inzake vaststelling Algemene plaatselijke verordening d.d. 11 december 2007, RIS150331_17-DEC-2007.
Voorstel van het college inzake vaststelling Algemene plaatselijke verordening met toelichting d.d. 17 december 2007, RIS150331a_15-NOV-2007, p. 58 en 59.
Art. 78 Algemene politieverordening voor ’s-Gravenhage 1982. De titel van dit artikel spreekt van ‘Overlast bij of in gebouwen’.
Men zou zich overigens kunnen afvragen wat heden ten dage nog de waarde is van de telefooncel als voorbeeld in dit verband nu deze (m.u.v. kunstobjecten) sinds de komst van de mobiele telefoon uit het straatbeeld zijn verdwenen, maar dit terzijde.
Ook het APV-model van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten vermeldt hier niets over.
De Dikke Van Dale Online, groot woordenboek van de Nederlandse taal.
De toegangshal van het belastingkantoor is – zo maak ik op uit de website van het belastingkantoor – voor het publiek toegankelijk. Zie link Langskomen bij de balie | Belastingdienst.
Voorstel tot wijziging van de APV ter opname van een verbod op het zich hinderlijk ophouden in publieke ruimte d.d. 17 september 2004, BSD/2004.2713 – RIS 120018.
Wijziging van de Algemene Politieverordening ter opname van een verbod op het zich hinderlijk ophouden in publieke ruimten d.d. 7 januari 2005, RIS117772_02-MRT-2005.
Voorstel van het college inzake vaststelling Algemene plaatselijke verordening met toelichting d.d. 17 december 2007, RIS150331a_15-NOV-2007, p. 58 en 59.
Zie onder meer HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1436, NJ 2025/324 m.nt. Rozemond en HR 30 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1437, NJ 2025/326 m.nt. Rozemond.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 1158. Zoals de Memorie van Toelichting vermeldt, kunnen na de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in dergelijke zaken wel rechtsvragen via een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad worden voorgelegd.
A.J. Nieuwenhuis, M. Den Heijer en A.W. Hins, Hoofdstukken grondrechten, Ars Aequi Libri 2021, p. 103.
Zie ook Kamerstukken II 1975-1976, 13 872, nr. 3, p. 18 en 38.
A.J. Nieuwenhuis, M. Den Heijer en A.W. Hins, a.w., p. 134.
Zie ook N.L.J. Swart e.a., Het recht om te demonstreren in de democratische rechtsstaat. Onderzoek naar het Nederlands demonstratierecht vanuit internationaalrechtelijk, empirisch, rechtsvergelijkend en rechtstheoretische perspectief, WODC 11 december 2025, p. 75.
B. Roorda, J. Brouwer en A.E. Schilder, a.w., p. 59.
C.A.J.M. Kortmann/P.P.T. Bovend’Eert e.a. Constitutioneel recht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 444.
Zie ook N.L.J. Swart e.a., a.w., p. 114 en 235.
B. Roorda, ‘Wanordelijkheden als argument om demonstraties en vergaderingen te verbieden’, Ars Aequi september 2017, p. 702.
Beroepschrift 22‑07‑2025
SCHRIFTUUR, HOUDENDE VIJF MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoekster | [verdachte] |
|---|---|
geboortedatum | [geboortedatum] 1958 |
adres | [adres] |
woonplaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | rechtbank Den Haag |
|---|---|
datum uitspraak | 13 april 2023 |
parketnummer | 96-280635-22 |
Middel 1
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de kantonrechter ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verzoekster zich heeft opgehouden in een ‘voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek toegankelijke) ruimte’. Althans is de bewezenverklaring op dit onderdeel niet toereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
De kantonrechter heeft ten laste van verzoekster bewezen verklaard dat zij
‘op 29 juni 2022 te ‘s‑Gravenhage zich zonder redelijk doel en op een voor (een) ander(en) hinderlijke wijze heeft opgehouden in een voor het publiek toegankelijk portaal althans een soortgelijke (voor het publiek toegankelijke) ruimte, te weten het belastingkantoor aan de Prinses Beatrixlaan, Huisnr: 512.’
2.
De kantonrechter heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
- '1.
de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting, van 14 april 2023;
(…)
We zijn naar het belastingkantoor gegaan om te demonstreren tegen de fossiele subsidies. We wilden naar het ministerie van Financiën maar dat was al afgesloten. Toen zijn we afgeweken naar een andere plek en dat was het belastingkantoor (…)
- 2.
het proces-verbaal van overtreding, d.d. 31-08-2022, nr. 701254026305807, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag.
(…)
Achternaam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedatum]-1958
(…)
Datum : 29-06-2022
Omstreeks 13:05 uur
Plaats ‘s‑Gravenhage
Gemeente ‘s‑Gravenhage
Locatie Prinses Beatrixlaan huisnr: 512
(…)
Ik, verbalisant, bevond mij op genoemde locatie als zijnde Paraat Peleton. Wij werden naar genoemd adres gestuurd alwaar demonstranten het Belastingkantoor van de overheid waren binnengedrongen.
Dit betrof al de tweede keer in korte tijd dat zij (Extinction Rebellion) dit deden. Genoemde verdachte maakte onderdeel uit van een groep van ongeveer 30 personen. De groep werd alvorens deze beschikking gevorderd om zichzelf te verwijderen uit het pand. Indien men hier gevolg aan gaf zaten daar geen consequenties aan vast. De groep waaronder de verdachte besloten om geen gevolg te geven aan deze vordering en trachtte zichzelf vast te tekenen aan elkaar. Hierop werd aan verdachte een proces-verbaal aangezegd vanwege het zich schuldig maken aan zonder redelijk doel in een publieke ruimte hinderlijk op te houden. De hinder bestond uit het aanwezig zijn met een grote groep gelijkgestemde in de publieke ruimte. Het hard schreeuwen van leuzen in de publieke ruimte. Het laten
zien van grote spandoeken in de publieke ruimte. Het opplakken van spandoeken in de publieke ruimte met behulp van plakband.’
3.
Artikel 2:50 APV Den Haag ziet op ‘hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten’ en luidt:
‘Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.’
4.
De toelichting op het raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Politieverordening Den Haag ter opname van een verbod op het zich hinderlijk ophouden in publieke ruimten van 7 januari 2005 houdt onder meer in:
‘Het doelloos rondhangen van jongeren — en de overlast die er vaak uit voortvloeit — zorgt voor gevoelens van onveiligheid bij burgers. Deze situaties werken voorts delicten als tasjesdiefstal en zakkenrollerij in de hand. In het bijzonder in het gebied rond de NS-stations Den Haag Centraal (CS) en Hollands Spoor (HS) en bij ‘losse’ bushaltes in de stad is dit een bekend probleem. Den Haag CS maakt samen met Den Haag HS deel uit van een integrale (sociale) veiligheidsaanpak stations. Politie, HTM, NS en de gemeente Den Haag hebben gezamenlijk een maatregelenpakket samengesteld dat de problematiek aanpakt. Daarnaast is CS en een aantal andere locaties in de stad aangewezen als hotspot. Onderdeel van deze aanpakken is dat de politie dagelijks intensief surveilleert op deze locaties, en verbaliseert als zij overtredingen constateert. Dit leidt tot enige vermindering van de overlast ter plaatse, maar er is ruimte voor verbetering.
De mogelijkheden om hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten aan te pakken, zijn beperkt. Feitelijk verbiedt alleen artikel 78 van de APV hinderlijk hanggedrag, maar alleen voor zover dit het gebied in en rondom gebouwen betreft. Andere locaties, zoals bushaltes,
telefooncellen, rijwielstallingen en toegangen tot parkeergarages, vallen buiten de werking van deze bepaling. Qua aanpak van de overlast van rondhangende jeugd en tasjesdieven/zakkenrollers is het wenselijk om de APV uit te breiden met een artikel dat de politie de mogelijkheid geeft om op te treden tegen doelloos rondhangende individuen, die op enigerlei wijze de openbare orde verstoren.’1.
5.
Het verbod voorziet blijkens deze toelichting nadrukkelijk in een aanvulling op hinderlijk gedrag in en rondom gebouwen. Kennelijk om een indicatie te geven voor het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is in de tekst van artikel 2:50 APV Den Haag bij wijze van voorbeeld een aantal van de bedoelde ruimten concreet genoemd.
6.
In verzoeksters zaak heeft de kantonrechter een belastingkantoor gelijkgesteld met de in artikel 2:50 APV Den Haag genoemde voorbeelden van ruimten van gebouwen en voor het publiek toegankelijke voorzieningen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor openbaarvervoermiddelen, parkeergarages en rijwielstallingen. Aldus geeft de beslissing blijk van een onjuiste, want te ruime opvatting van de ruimten waarop deze bepaling ziet. Voorts miskent dit oordeel dat artikel 2:50 APV Den Haag beoogt te voorzien in een aanvulling op de strafbaarstelling van hinderlijk gedrag onder meer in gebouwen.
7.
Het vonnis niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de kantonrechter op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft bewezenverklaard dat verzoekster zich zonder redelijk doel heeft opgehouden in een belastingkantoor en/of heeft verworpen het verweer, dat verzoekster zich niet zonder redelijk doel ophield in het belastingkantoor, nu zij (kort gezegd) deelnam aan een vreedzame betoging.
Toelichting
1.
Namens verzoekster is betoogd dat zij dient te worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat zij zich zonder redelijk doel heeft opgehouden in het belastingkantoor, nu zij aldaar haar in artikel 10 en 11 EVRM neergelegde rechten uitoefende. Daartoe heeft verzoeksters raadsvrouw een uitgebreid juridisch toetsingskader geschetst en vervolgens aangevoerd:
‘Demonstratievorm wordt beschermd door EVRM en IVBPR
- 34.
Evident is dat cliënte, samen met anderen, in een bepaalde vorm haar mening heeft geuit. Die vorm van meningsuiting valt onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en dus in beginsel beschermd door de Grondwet en de genoemde verdragen.
Belang van de symbolische plaats van de demonstratie; ‘within sight and sound’
- 35.
De demonstratie waaraan cliënte deelnam was gericht tegen de fossiele subsidies van de overheid.
- 36.
Cliënte geeft aan dat de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën die dag fysiek waren afgesloten, waardoor de demonstranten hebben gedemonstreerd in het daarna meest geëigende overheidsgebouw. Daarom was volgens cliënte en haar medestanders het Belastinggebouw bij uitstek een geschikte locatie om hun mening te uiten.
Vreedzaam
37. De demonstratie was vreedzaam.
Geen bovenmatige ‘disruption of ordinary life’
- 38.
Ook blijkt dat de actie niet gepaard is gegaan met strafbare feiten of wanordelijkheden, anders dan een hooguit een gewone ‘disruption of ordinary life’. De Belastingdienst heeft geen aangifte gedaan tegen cliënte en haar mededemonstranten.
- 39.
Het enige doel van cliënte en haar mededemonstranten was het kenbaar maken van hun gezamenlijke mening. Evident is ook dat het cliënte en haar mededemonstranten niet om te doen was het door artikel 2:50 APV Den Haag 2013 beschermde belang aan te tasten. Het betreden van het gebouw was slechts noodzakelijk om op de meest geschikte locatie haar stem te laten horen. Zoals ook het overtreden van de Wegenverkeerswet noodzakelijk is indien een protestmars wordt gehouden op de openbare weg. Er is dan geen officier van justitie die de demonstranten voor WVW-overtredingen voor de rechter brengt.
Zorgvuldige uitvoering
- 40.
De actie is zeer zorgvuldig uitgevoerd, juist met het oog op het voorkomen van schade aan goederen en gevaar voor de veiligheid van personen. Er is niets beschadigd en er is ook overigens geen schade veroorzaakt. De Belastingdienst heeft geen vordering als benadeelde partij ingediend of andere juridische vervolgstappen tegen cliënte en haar mededemonstranten genomen.
De demonstratie was van beperkte duur
- 41.
De actie was van beperkte duur.
Geen verzet bij aanhouding [kennelijk is bedoeld: staandehouding WHJ]; (…) direct gelegitimeerd
- 42.
Cliënte heeft zich niet verzet bij haar staandehouding. Zij heeft zich direct gelegitimeerd met een geldig legitimatiebewijs.
Geen onaanvaardbare ‘disruption to ordinary life’, geen ‘reprehensible’ gedrag
- 43.
In het licht van al deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat, als al sprake was van ‘disruption to ordinary life’, deze binnen de grenzen van een legitieme demonstratie of meningsuiting valt. Ook kan in het licht van alle omstandigheden van het geval niet worden vastgesteld dat de gedragingen van cliënte en haar mededemonstranten ‘reprehensible’ waren.’
2.
De kantonrechter heeft dit verweer verworpen en daartoe geoordeeld:
‘De kantonrechter is (…) van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de kantonrechter staat vast dat hinder werd veroorzaakt. Er was geen redelijk doel voor de demonstranten waaronder de verdachte om zich op te houden in het belastingkantoor. Het een en ander brengt met zich mee dat er een overtreding van de APV kan worden vastgesteld. De kantonrechter overweegt dat het recht om te demonstreren niet absoluut is, hier kunnen beperkingen op worden aangebracht. De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd was om dat recht te beperken. De demonstranten hebben geen gehoor gegeven aan de oproep om het kantoor te verlaten. Uit de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden dat sprake is van een schending van artikel 10 of artikel 11 van het EVRM.
De kantonrechter overweegt voorts dat eenieder het recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering. De aanhouding van verdachte door de politie was er niet op gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar [sic] taken te kunnen laten uitvoeren. Er moet gekeken worden of sprake was van een ‘chilling-effect’. Was het optreden dusdanig ontmoedigend dat anderen ervan een ‘chilling’ effect konden ondervinden. De kantonrechter neemt mee dat het achteraf allemaal anders had gekund en volgt daarbij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:126). De kantonrechter is met betrekking tot het laste gelegde feit dan ook van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.’
Eerste deelklacht
3.
Artikel 2:50 is in de Haagse APV geïntroduceerd ter bestrijding van het in bepaalde ruimten doelloos rondhangen van bijv, jongeren, tasjesdieven en zakkenrollers, alsook de daaruit dikwijls voortvloeiende overlast (vgl. middel 1, kantlijnnummer 4).
4.
Daarmee kan niet worden gelijkgesteld het verblijf in die ruimten ter uitoefening van de betogingsvrijheid.
5.
Hieraan doet niet af dat volgens de bewezenverklaring verzoekster zich in het belastingkantoor op een voor anderen hinderlijke wijze heeft opgehouden en dat die hinder volgens de door de kantonrechter gebruikte bewijsmiddelen bestond uit het met een grote groep gelijkgestemden aanwezig zijn, het hard schreeuwen van leuzen, het laten zien van grote spandoeken en het met plakband opplakken van spandoeken. Die gedragingen vormen immers, zoals door de raadsvrouw is betoogd, een aanvaardbare ‘disruption to ordinary life’ en vallen dus, anders gezegd, binnen de grenzen van een reguliere vreedzame demonstratie.
6.
Mitsdien heeft de kantonrechter het zich door verzoekster ‘ophouden zonder redelijk doel’ uit de bewijsmiddelen niet kunnen afleiden. Althans is de bewezenverklaring op dit onderdeel niet toereikend met redenen omkleed.
7.
Het vonnis kan niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
8.
De kantonrechter heeft geen van de hierboven in dit middel onder 1 genoemde, door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden weerlegd.
9.
Artikel 11 EVRM eist, ook in geval van een ‘unlawful situation’, een bepaalde mate van tolerantie van de autoriteiten jegens vreedzame demonstranten, opdat het recht op vreedzame vergadering niet van al zijn betekenis wordt ontdaan. De mate van de hier aan de dag te leggen tolerantie dient van geval tot geval te worden beoordeeld.
Vgl. A-G Van Wees, conclusie van 11 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:620 en de daarin aangehaalde rechtspraak
10.
In bijv. EHRM 7 oktober 2008, nr. 10346/05 (Éva Molnár/Hongarije), waarin het ingrijpen in demonstratieve wegblokkades — door het EHRM van ‘essentially disorderly character' getypeerd — niet in strijd met artikel 11 EVRM werd geoordeeld, stelde het EHRM expliciet vast dat de demonstranten de gelegenheid hadden gekregen hun visies te uiten:
‘However, the police did not break up the demonstration until about 9 p.m., with the result that the demonstrators had had several hours at their disposal to manifest their views. (…) In these circumstances, the Court considers that the applicant had a sufficiently long time to show solidarity with her co-demonstrators. Thus it finds that the ultimate interference with the applicant's freedom of assembly does not appear to have been unreasonable (…).'
11.
Daarnaast is van belang dat vreedzame demonstraties in gebouwen niet zelden voor langere tijd door de rechthebbenden worden gedoogd. Zie bijv. gerechtshof Den Haag, 10 april 2024 ECLI:NL:GHDHA:2O24:565 resp. ECLI:NL:GHDHA:2024:566:
‘Op 20 oktober 2020 heeft de verdachte rond 10:30 uur samen met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag betreden. (…) Het departement had toestemming gegeven om tot 17:00 uur te demonstreren.’
‘Aan de demonstranten is alle ruimte geboden om gedurende een periode van een aantal uren te demonstreren in het gebouw van ING, zijnde een besloten lokaal dat derhalve niet zonder meer open staat voor publiek.’
12.
Over de specifieke duur van de demonstratie waaraan verzoekster deelnam heeft de kantonrechter niets vastgesteld. Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de politie niet onmiddellijk ingreep door verzoekster en haar mededemonstranten te vorderen zich te verwijderen en, nadat daaraan geen gevolg werd gegeven, het aanzeggen van een proces-verbaal wegens overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag.
13.
Daaruit blijkt kortom niet dat de vereiste tolerantie jegens verzoekster in acht is genomen. Ook blijkt daaruit niet dat het belastingkantoor, als rechthebbende op het lokaal alwaar de betoging plaatsvond, de aanwezigheid van de demonstranten ten tijde van het ingrijpen door de politie niet toeliet of gedoogde.
14.
Uit de bewijsmiddelen blijkt wel dat het ingrijpen op grond van artikel 2:50 APV Den Haag plaatsvond om 13.05 uur. Dat indiceert niet dat de betoging plaatsvond tegen of na sluitingstijd van het belastingkantoor.
15.
In het licht van deze omstandigheden heeft de kantonrechter het ‘zich ophouden door verzoekster zonder redelijk doel’ uit de bewijsmiddelen niet kunnen afleiden. Althans is de bewezenverklaring op dit onderdeel niet toereikend met redenen omkleed.
16.
Het vonnis kan niet in stand blijven.
Middel 3
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de kantonrechter ten onrechte, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat artikel 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te blijven en/of het bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag en/of heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde volgens de wet strafbaar is.
Toelichting
1.
De kantonrechter heeft ten laste van verzoekster bewezen verklaard, kort gezegd, dat zij zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze heeft opgehouden in een belastingkantoor. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verzoekster met ongeveer 30 personen een demonstratie hield in een belastingkantoor en deze personen werden gevorderd zich uit het pand te verwijderen, waarna, toen daaraan geen gevolg werd gegeven, verzoekster een proces-verbaal werd aangezegd wegens overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag.
2.
Verzoeksters raadsvrouw heeft blijkens haar overgelegde pleitnota betoogd dat door middel van de strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 2:50 APV Den Haag verzoeksters recht tot betoging, zoals neergelegd in artikel 9 Grondwet, ontoelaatbaar is beperkt, nu de daarin neergelegde formule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’ uitsluitend betrekking heeft op de wet in formele zin. Een beperking van het recht tot betoging is dus volgens artikel 9 Grondwet niet toegestaan op grond van artikel 2:50 APV Den Haag, niet zijnde een wet in formele zin.2.
3.
Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van de kantonrechter, dat artikel 2:50 APV Den Haag in verzoeksters zaak niet buiten toepassing hoeft te blijven (en/of de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit als overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag en/of het oordeel dat het bewezenverklaarde volgens de wet strafbaar is) van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is die beslissing niet begrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd, nu de verzoekster als overtreding van artikel 2:50 APV Den Haag verweten gedraging louter haar deelname aan een betoging vormde. Ofwel: het verweten gedrag en verzoeksters deelname aan de betoging vielen samen; zij is niet vervolgd voor een strafbaar feit dat van de betoging waaraan zij deelnam min of meer losstond.
4.
Het vonnis kan niet in stand blijven.
Middel 4
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de kantonrechter op onjuiste en/of onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen het verweer, dat in verzoeksters geval ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op de artikelen 10 en 11 EVRM en als gevolg daarvan artikel 2:50 APV Den Haag buiten toepassing moet blijven en verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Toelichting
1.
Namens verzoekster heeft haar raadsvrouw betoogd (voetnoten weggelaten):
‘Schending artikel 19/21 IVBPR en artikel 10/11 EVRM (1): beperking niet ‘prescribed by law’
- 7.
Dat de bijeenkomst in het kantoor van de Belastingdienst Den Haag een demonstratie was wordt in het dossier niet betwist. Gezien dit karakter van de bijeenkomst is het evident dat de gedraging van cliënte naast Grondwettelijke bescherming ook die van de artikelen 19 en 21 IVBPR, en 10 en 11 EVRM toekomt.
- 8.
Een maatregel die een meningsuiting beperkt, moet volgens deze bepalingen voldoen aan de eis dat die beperkende maatregel bij wet is voorzien. ‘Bij wet is voorzien’ betekent onder meer dat voor de burger voldoende voorzienbaar is wat de consequenties van die regeling zijn.
- 9.
Niet is — op de gronden als aangevoerd in het vorige verweer3. — in de Nederlandse rechtsorde voorzienbaar dat de verdragsrechtelijke vrijheid van meningsuiting door artikel 2:50 APV Den Haag 2013 kan worden beperkt.
- 10.
Daarom dient deze bepaling wegens strijd met artikel 19 IVBPR en artikel 10 EVRM buiten toepassing te blijven en cliënte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
2.
Voorts is namens verzoekster aangevoerd hetgeen is weergegeven in middel 2 in kantlijnnummer 1, als consequentie waarvan verzoeksters raadsvrouw heeft aangevoerd:
- ‘47.
Onder deze omstandigheden vormt cliëntes strafrechtelijke vervolging boven op het beëindigen van de demonstratie, haar staandehouding en haar verwijdering uit het Belastingkantoor een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en/of 11 EVRM.
- 48.
Volstaan had kunnen en moeten worden, gezien alle omstandigheden van dit geval, met de verwijdering van cliënte en haar mededemonstranten en het hun ontzeggen van verdere toegang tot het Belastingkantoor.
- 50.
De inbreuk op artikel 10 en 11 EVRM kan in cliëntes geval niet ‘necessary in a democratie society’ worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen. Ter vergelijking zie bijv. rechtbank Noord-Holland 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7825 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1359. Het betrof hier het wederrechtelijk vertoeven van een demonstrante in de Albert Heijn en in de Zara en het wederrechtelijk vertoeven van 14 demonstranten in het gebouw van een pensioenverzekeraar. In beide gevallen werd een ontslag van alle rechtsvervolging verleend.
- 51.
Volgens artikel 94 Grondwet blijft de wet buiten toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met verdragen van volkenrechtelijke organisaties.
- 52.
Van Dorst stelt in verband met het door de Hoge Raad buiten toepassing laten van wettelijke regelingen wegens onverenigbaarheid met rechtstreeks werkende verdragen: ‘Aldus is de mogelijkheid geschapen om in de gevallen waarin een wettelijke regeling daartoe de ruimte biedt, enerzijds die regeling te behoeden voor de fatale slag van de onverbindendverklaring, en anderzijds veroordeling op basis van die regeling te voorkomen in die situaties waarin dit rechtens onaanvaardbaar zou zijn.’31
- 53.
Ik verzoek u in de specifieke omstandigheden van dit geval artikel 2:50 APV Den Haag 2013 buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 10 EVRM.’
3.
De kantonrechter heeft op dit verweer niet expliciet gereageerd. De bewijsoverwegingen houden onder meer het volgende in:
‘De kantonrechter overweegt dat het recht om te demonstreren niet absoluut is, hier kunnen beperkingen op worden aangebracht. De kantonrechter is van oordeel dat het in dit geval gerechtvaardigd was om dat recht te beperken. De demonstranten hebben geen gehoor gegeven aan de oproep om het kantoor te verlaten. Uit de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt, wordt overgegaan tot strafrechtelijk optreden dat sprake is van een schending van artikel 10 of artikel 11 van het EVRM.
De kantonrechter overweegt voorts dat eenieder het recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering. De aanhouding van verdachte door de politie was er niet op gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren. Er moet gekeken worden of sprake was van een ‘chilling-effect’. Was het optreden dusdanig ontmoedigend dat anderen ervan een ‘chilling’ effect konden ondervinden. De kantonrechter neemt mee dat het achteraf allemaal anders had gekund en volgt daarbij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:126). De kantonrechter is met betrekking tot het laste gelegde feit dan ook van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.’
Eerste deelklacht
4.
De kantonrechter heeft op het verweer, dat een inbreuk op verzoeksters recht op vreedzame vergadering op grond van artikel 2:50 APV Den Haag niet ‘prescribed by law’ is zoals neergelegd in artikel 11 EVRM, niet gereageerd.
5.
Daarom kan het vonnis niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
6.
Voor zover de kantonrechter heeft bedoeld te oordelen dat de inbreuk op verzoeksters door artikel 11 EVRM gegarandeerde recht (ten gevolge van haar staandehouding en/of strafrechtelijke vervolging en/of de kwalificatie van het ten laste van haar bewezenverklaard als overtreding) ‘prescribed by law’ was zoals bedoeld in artikel 11 EVRM, is dat oordeel onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.
7.
Het vereiste ‘prescribed by law’ stelt volgens het EHRM eisen aan de kwaliteit van de ‘law’ in kwestie. De regelgeving moet toegankelijk, voorzienbaar en voldoende precies zijn. De burger moet op basis van die precisie in staat zijn om redelijkerwijs te voorzien wat de gevolgen van bepaalde handelingen kunnen zijn.
Vgl.:
- —
EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen), par. 108-110;
- —
EHRM 20 februari 2003, 20652/92 (Djavit An/Turkije), par. 65;
- —
Ook: VN-Mensenrechtencomité, general comment no. 37 (2020) on the right of peaceful assembly (article 21), 17 september 2020, par. 39
8.
Artikel 2:50 APV Den Haag maakt volgens zijn tekst noch volgens zijn totstandkomingsgeschiedenis voldoende precies voorzienbaar dat daarmee een inbreuk op het recht van vreedzame vergadering zoals bedoeld in artikel 11 lid 1 EVRM kan worden gemaakt. Ook de rechtspraak over artikel 2:50 APV Den Haag bergt die precisie en voorzienbaarheid niet in zich.
9.
De kantonrechter heeft mitsdien blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting. Althans is zijn vonnis niet toereikend gemotiveerd.
10.
Het vonnis kan daarom niet in stand blijven.
Derde deelklacht
11.
Voor zover de kantonrechter heeft bedoeld te oordelen dat het door de demonstranten geen gehoor geven aan de oproep om het kantoor te verlaten een inbreuk op het recht tot betoging en/of het recht van vreedzame vergadering rechtvaardigt, is dat — mede in het licht van hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd — niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
12.
De raadsvrouw heeft immers betoogd dat verzoeksters gedrag niet als ‘reprehensible’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM (en Uw Raad) kan worden bestempeld, alsook dat de gedragingen van de demonstranten een aanvaardbare ‘disruption of ordinary life’ vormen. De kantonrechter heeft dat in zijn vonnis niet weerlegd.
Vierde deelklacht
13.
Het oordeel van de kantonrechter, dat de aanhouding van verzoekster door de politie er niet op was gericht om het recht op demonstratie te beperken, maar om de belastingdienst haar taken te kunnen laten uitvoeren, is onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd.
14.
Op de eerste plaats blijkt uit de bewijsvoering van de kantonrechter dat als direct gevolg van het op artikel 2:50 APV Den Haag gebaseerde politieoptreden verzoeksters betogingsvrijheid en recht op vreedzame vergadering in de kern aantastten. Immers werd haar (en kennelijk haar mededemonstranten) verweten hinderlijk aanwezig te zijn doordat zij als groep gelijkgestemden in het belastingkantoor aanwezig waren en aldaar gedragingen verrichtten die goed beschouwd tot de gebruikelijke kenmerken van een demonstratie horen.
15.
Op de tweede plaats is onbegrijpelijk het oordeel dat verzoekster is aangehouden. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verzoekster een proces-verbaal is aangezegd, terwijl door de raadsvrouw is aangevoerd dat verzoekster werd staandegehouden.
16.
Op de derde plaats kan uit de vaststellingen van de kantonrechter niet worden afgeleid dat het belastingkantoor c.q. de belastingdienst haar taken niet kon uitvoeren als gevolg van de aanwezigheid van de demonstranten en hun gedragingen. Over dat laatste heeft de kantonrechter slechts vastgesteld dat op luide toon leuzen werden geroepen, grote spandoeken werden getoond en spandoeken werden ‘opgeplakt’.
17.
Daaruit kan niet worden afgeleid dat de medewerkers van de belastingdienst of overige bezoekers door de demonstranten werden gehinderd of geblokkeerd, in het bijzonder ook niet in hun gang door de ruimte waar de demonstratie plaatsvond. Voorts is niet vastgesteld met welke frequentie leuzen werden geroepen en of dat door een enkeling dan wel meerdere personen gebeurde, terwijl ook niet is vastgesteld of de belastingdienst haar activiteiten uitvoerde in of binnen gehoorsafstand van de ruimte waar de betoging plaatsvond. Kortom: of de vastgestelde hinder enig belemmerend effect had op de activiteiten van de belastingdienst of haar bezoekers, kan uit het vonnis niet worden afgeleid.
Vijfde deelklacht
18.
Op de vierde plaats heeft de kantonrechter geoordeeld dat gekeken moet worden of sprake was van een ‘chilling effect’ voor anderen als gevolg van ‘het optreden’. Die overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien daarmee wordt bedoeld dat te dezen het optreden van de politie in ogenschouw moet worden genomen. Immers dient ruimer te worden gekeken: ook niet het optreden van het openbaar ministerie (de beslissing tot vervolging) en/of de rechter (een kwalificatiebeslissing en/of schuldigverklaring en/of sanctionering).
19.
Verder zijn de overwegingen over het ‘chilling effect’ onbegrijpelijk omdat de kantonrechter achterwege heeft gelaten of van zo'n ‘effect’ sprake was. Voor zover de kantonrechter heeft bedoeld dat van dit ‘effect’ geen sprake was op grond van het oordeel dat het ‘achteraf allemaal anders had gekund’, is ook dat onbegrijpelijk. De kantonrechter heeft immers in het midden gelaten wat achteraf ‘allemaal anders had gekund’, alsook welk gevolg de vaststelling dat het ‘allemaal anders had gekund’ heeft voor de beoordeling van verzoeksters zaak.
Zesde deelklacht
20.
Voor zover de kantonrechter met zijn oordeel dat het ‘achteraf allemaal anders had gekund’ heeft bedoeld te overwegen dat het achteraf bezien het niet noodzakelijk was dat verzoekster werd staandegehouden en/of haar een proces-verbaal werd aangezegd en/of zij strafrechtelijk werd vervolgd, is onbegrijpelijk, althans niet genoeg gemotiveerd, het oordeel dat jegens verzoekster niet een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op artikel 11 EVRM als gevolg waarvan artikel 2:50 APV Den Haag buiten toepassing is gelaten en verzoekster ontslag van alle rechtsvervolging is verleend.
21.
Het vonnis kan niet in stand blijven.
Middel 5
Het recht (waaronder het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in de artikelen 14 lid 3 onder c IVBPR en 6 lid 1 EVRM) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof de processtukken niet tijdig aan Uw Raad heeft ingezonden.
Toelichting
1.
Het bestreden vonnis dateert van 13 april 2023. Namens verzoekster is op 14 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
2.
Om in dit verband te voldoen aan het recht op berechting binnen een redelijke termijn, had de rechtbank de stukken van het geding uiterlijk acht maanden na 14 april 2023 aan Uw Raad moeten doen toekomen (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De stukken van het geding zijn door Uw Raad eerst ontvangen op 27 maart 2025.
3.
Aldus is verzoeksters recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn geschonden.
4.
Het vonnis kan niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster in cassatie.
Amsterdam, 22 juli 2025,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑07‑2025
Gemeente Den Haag, rv 42 RIS117772_02-MRT-2005, rv 42, Bestuursdienst BSD/2004.1864, RIS 117772- 050301.
Uit de bewezenverklaring en de door de kantonrechter gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de betoging, waaraan verzoekster deelnam, plaatsvond op een andere dan een ‘openbare plaats’ in de zin van artikel 1 Wet openbare manifestaties. Op de desbetreffende plaats was het belastingkantoor c.q. zijn vertegenwoordiger rechthebbende in de zin van artikel 139 Sr. Tot het buiten de rechthebbende om beperken van een op een dergelijke plaats vertoeven in het kader van een betoging bestaat op grond van de wet in formele zin slechts ruimte op grond van artikel 8 Wet openbare manifestaties. Door middel van een vordering tot verwijdering kan in zo'n geval de rechthebbende bewerkstelligen dat het strafbare feit van artikel 138/139 Sr ontstaat. Vgl. in dit verband ook Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3 p. 7: ‘Overigens zij er in dit verband op gewezen, dat het wetsontwerp de bestaande strafrechtelijke en strafvorderlijke regels en bevoegdheden onverlet laat. Zo zullen de dwangmiddelen van het Wetboek van Strafvordering ook tijdens manifestaties op niet-openbare plaatsen en tijdens niet voor het publiek toegankelijke bijeenkomsten kunnen worden gehanteerd tegen verdachten van strafbare feiten; uiteraard met inachtneming van de wettelijke beperkingen ter zake (bij voorbeeld de artikelen 120–123 Wetboek van Strafvordering).’
Dit verweer komt erop neer dat een beperking van het recht tot betoging zoals neergelegd in artikel 9 Grondwet op grond van artikel 2:50 APV Den Haag — niet zijnde een wet in formele zin — niet toelaatbaar is, WHJ.