De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.4.3.2:4.4.3.2 De rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.4.3.2
4.4.3.2 De rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394769:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Thans de rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn. Het artikel luidt:
"De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen."
Aan de onjuiste Nederlandse omschrijving van de personen aan wie deze rechtstreekse vordering wordt toegekend, is in paragraaf 4.2.1 reeds aandacht besteed. Hier wordt ervan uitgegaan, dat krachtens de Richtlijn aan allen die recht hebben op vergoeding van door (motor)voertuigen veroorzaakte schade een rechtstreekse vordering wordt toegekend.
De Richtlijn laat zich niet expliciet uit over het rechtskarakter van deze rechtstreekse vordering. Ook uit de bewoordingen kan niet met volkomen zekerheid worden afgeleid of sprake is van de figuur van de action directe in eigenlijke zin, of van een (vorm van) eigen recht. De woorden "een rechtstreekse vordering (kunnen) instellen" duiden er echter op dat opstellers van de Richtlijn gedacht hebben aan de klassieke action directe. Dat zou betekenen dat de lidstaten ermee kunnen volstaan om de benadeelde alleen het ius agendi en niet (tevens) een vorderingsrecht op de verzekeraar te geven. Maar het valt te betwijfelen of deze conclusie juist is. De Richtlijn beperkt immers de mogelijkheid van de verzekeraar om zich in de relatie met de benadeelde op wettelijke en polisbeperkingen en -uitsluitingen te beroepen en daarmee heeft de benadeelde een vorderingsrecht dat onder omstandigheden niet aan de verzekerde zelf toekomt. Dat brengt mij tot de conclusie dat de Richtlijn een eigen recht introduceert.
Niet alleen is de Richtlijn niet bijzonder helder over het karakter van de rechtstreekse vordering, evenmin laat zij zich volkomen duidelijk uit over de inhoud ervan. Mijnssen wijst daarop, naar aanleiding van de voorloper van art. 18 van de Richtlijn in de 4e Richtlijn.1
Met name zwijgt de Richtlijn over een beperking van het vorderingsrecht in de tijd. Mijnssen stelt de vraag of de Wam met haar driejarige directe actie aan de Richtlijn voldoet.2 Hij lijkt deze vraag ontkennend te beantwoorden.
Ik deel die opvatting niet. Geen enkele nationale wet kent een in de tijd onbeperkte directe actie. Er lijkt meer sprake van een lacune in de Richtlijn, die gerepareerd zou moeten worden in een volgende richtlijn. Harmonisatie van de termijn waarbinnen benadeelden van de directe actie gebruik zouden moeten maken zou de helderheid voor benadeelden beslist ten goede komen.
Enerzijds moet voor de omvang van deze vordering de door de Richtlijn gedicteerde inhoud van de dekking in aanmerking worden genomen. Zo zal zowel zaak- als personenschade moeten zijn gedekt, mag alleen aansprakelijkheid ten opzichte van de bestuurder worden uitgesloten en moet de polis minimale - door de Richtlijn voorgeschreven - sommen dekken. De derde zal ook op deze dekking een beroep kunnen doen. Anderzijds worden de mogelijkheden van de verzekeraar om een beroep te doen op dekkingbeperkende polisclausules, ingeperkt. Zie art 13 en 17, waarover uitvoerig in paragraaf 5.2.8. Dat maakt van de rechtstreekse vordering een eigen recht.
Zo mag - behoudens uitzonderingen en dan nog onder voorwaarden - de verzekeraar de omstandigheid dat het voertuig door een niet-gemachtigde bestuurder werd bestuurd, dat de bestuurder niet over een voor het voertuig geldig rijbewijs beschikt of dat het voertuig niet aan wettelijke technische eisen voldoet, niet aan de benadeelde tegenwerpen. Een diefstaluitsluiting is alleen toegestaan als de benadeelde aanspraken tegen het waarborgfonds geldend kan maken.
Ook wordt een alcoholuitsluiting "geacht niet te gelden inzake vorderingen van de inzittende", zelfs als deze wist of had moeten weten dat de bestuurder onder invloed verkeerde.
'Franchises' (waaronder begrepen eigen risico's) kunnen evenmin aan de benadeelde worden tegengeworpen.
De vraag naar de omvang van de rechtstreekse vordering van art. 18 kan niet los worden gezien van de uitleg die het HvJ EU geeft aan art. 13 van de Richtlijn. In paragraaf 5.2.7 zullen de arresten van het hof rond de toelaatbaarheid van aan derden tegen te werpen dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen nader worden onderzocht en zal worden nagegaan of de Richtlijn toestaat dat andere weren - zoals bijvoorbeeld het verweer dat de dekking ontbreekt wegens non-betaling van premie of verzwijging, of omdat de verzekerde opzettelijk handelde - aan de benadeelde kunnen worden tegengeworpen. Hier valt voorlopig te constateren dat het verschil tussen de rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn en een eigen recht - als dat van art. 6 Wam - kleiner is dan het theoretisch wellicht lijkt te zijn.