Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/11.1:11.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/11.1
11.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457621:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Religieuze of levensbeschouwelijke groepen kunnen door uitlatingen van anderen worden beledigd. Andersom kunnen gelovigen of aanhangers van een levensovertuiging – geïnspireerd door hun overtuiging – uitlatingen doen waarmee ze andere groepen met bepaalde kenmerken (zoals homoseksualiteit) beledigen. In het vorige hoofdstuk is de eerste categorie uitlatingen aan de orde gesteld, dit hoofdstuk heeft betrekking op de tweede. Bekend in dit verband zijn de al wat oudere zaken over het echtpaar Goeree dat zich kwetsend uitliet over joden en homo’s.
In de wat recentere jurisprudentie over artikel 137c Sr wordt ten aanzien van beledigende uitlatingen een context-benadering toegepast.1 De rechter onderzoekt dan het beledigende karakter van de uitspraak in de context van de uitlating.2 In sommige gevallen kan de context van een uitlating het beledigende karakter doen ontvallen. Daarbij kan gedacht worden aan de context van het maatschappelijk debat, maar ook aan de context van de uiteenzetting van de geloofsovertuiging.3
De rechter oordeelt niet zomaar dat de religieuze context het beledigende karakter van een uitlating wegneemt. Hiervoor stelt hij de eis dat de betreffende uitlating ‘kenbaar in direct verband staat met de geloofsopvatting of levensovertuiging’ van de verdachte. Alleen in die gevallen kan het beledigende karakter van de uitlating komen te ontvallen. Relevant voor dit onderzoek is hoe de rechter bepaalt of de verdachte een geloofsopvatting of levensovertuiging heeft. De indeling van dit hoofdstuk is als volgt: in paragraaf 11.2 blikken we terug op de wat oudere jurisprudentie over het echtpaar Goeree, daarna bepreek ik in paragraaf 11.3 de uitgangspunten in de recente EHRM- en nationale jurisprudentie inzake beledigende religieus geïnspireerde uitlatingen. Vervolgens analyseer ik in paragraaf 11.4 een vijftal recente artikel-137c uitspraken over beledigende religieus geïnspireerde uitlatingen. Paragraaf 11.5 bevat een conclusie.