Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.4.3
6.5.4.3 De toepasselijkheid van de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid op de verstrekking van Europese subsidies door Nederlandse bestuursorganen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399635:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.3.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.4.
Voor zover de nationale cofinanciering door het bestuursorgaan wordt verstrekt dat ook de Europese subsidie verstrekt, worden de Europese subsidie en de nationale cofinanciering door middel van één besluit verstrekt.
Zie CBb 3 juni 2009, AB 2009, 373, m.nt. C.J. Wolswinkel, r.o. 6.3.5 en CBb 28 april 2010, AB 2010, 186 m.nt. C.J. Wolswinkel (Pierik en Meson), r.o. 6.3. Zie ook Van Omroeren, Den Ouden & Wolswinkel 2011, p. 1863 en 1864.
Zie hieromtrent ook Van Omroeren, Den Ouden & Wolswinkel 2011, p. 1864. Een uitzondering biedt CBb 19 december 2007, JB 2008/67 waarin het CBb overweegt dat het wijzigen van de beleidsregels gedurende de besluitvormingsfase niet was toegestaan. Indien sprake is van een vergelijkende toets dienen vanuit een oogpunt van objectiviteit, transparantie en rechtszekerheid bij het toepassen van een vergelijkende toets de criteria waaraan de aanvragen worden getoetst, tevoren te worden vastgelegd en kunnen deze criteria gedurende de besluitvormingsfase niet worden gewijzigd, hooguit verduidelijkt. Zie over de overlap tussen het transparantiebeginsel en bestaande algemene beginselen van behoorlijk bestuur Drahmann 2011A, p. 286 e.v.; Buijze & Widdershoven 2010, p. 590, p. 605; Drahman 2010, p. 171 e.v.; Prechal 2008; Prechal &De Leeuw 2007; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 91; Van Omroeren 2004, p. 49.
De Awb kent het onpartijdigheidsbeginsel niet. Wel zijn in artikel 2:4 van de Awb belangrijke aspecten van dit beginsel gecodificeerd. Zie hieromtrent Prenen 2009, p. 320; Van Ommeren 2004, p. 46.
Het gelijkheidsbeginsel wordt uiteraard wel in de Nederlandse rechtsorde erkend, namelijk in artikel 1 van de Grondwet. In subsidiegeschillen met een louter nationale dimensie wordt het gelijkheidsbeginsel zo uitgelegd dat subsidieaanvragers alleen in gelijke gevallen op gelijke wijze moeten worden behandeld. Zie Prenen 2009, p. 317. Het gelijkheidsbeginsel in het kader van het creëren van mededinging bij schaarse rechten heeft echter als functie om ongelijke gevallen - de verschillende aanvragers - gelijk te behandelen. Zie hieromtrent Van Ommeren 2004, p. 45.
Van Ommeren, Den Ouden & Wolswinkel 2011, p. 1864.
In CBb 3 juni 2009, AB 2009, 373, m.nt. C.J. Wolswinkel laat het CBb in het midden of sprake is van een grensoverschrijdend belang. Zie hieromtrent ook Stergiou 2011, p. 85.
Zie Drahmann 2011A, p. 290 e.v.; Buijze 2011, p. 248; Drahmann 2010, p. 173 e.v.; Buijze & Widdershoven 2010, p. 607.
Van Ommeren, Den Ouden & Wolswinkel 2011, p. 1865. Zij geven aan dat daarvoor noodzakelijk is dat de toegevoegde waarde van dit beginsel ten opzichte van de huidige algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende duidelijk wordt gemaakt. Zie ook Stergiou 2011, p. 86.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.3.
Deze zijn besproken in hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.8.
Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.4.
Zie hieromtrent verder hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.8.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.42.
Zie hieromtrent Den Ouden onder punt 7 in haar noot bij ABRvS 20 oktober 2010, AB 2011, 232 (Coach 4 kids).
De Richtlijn 2004/18 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coordinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, Pb. 2004, L 134/114.
Zie hieromtrent paragraaf 62.5.
In hoofdstuk 5 is besproken dat de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid onverkort van toepassing zijn op de verstrekking van Europese subsidies door de nationale agentschappen in het kader van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie.1 De toepasselijkheid van deze beginselen dient ertoe ervoor zorg te dragen dat iedere potentiële aanvrager een gelijke kans heeft om een Europese subsidie te verkrijgen.
Geconcludeerd is dat aannemelijk is dat de voormelde beginselen ook van toepassing zijn op Europese subsidies die in gedeeld beheer worden verstrekt, hoewel daarover nog geen duidelijke jurisprudentie van het Hof van Justitie bestaat.2 Zodra het nieuwe Financieel Reglement in werking treedt, is echter duidelijk dat het transparantiebeginsel ook geldt voor Europese subsidies die in gedeeld beheer worden verstrekt. In de nu volgende paragrafen wordt er dan ook van uitgegaan dat de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid en de daaruit voortvloeiende eisen ook van toepassing zijn op de verdeling van de Europese subsidie door Nederlandse bestuursorganen en daarmee logischerwijs ook op de verdeling van de nationale cofinanciering.3 Bezien wordt in hoeverre de door Nederlandse bestuursorganen gevolgde procedure tot verstrekking van schaarse Europese subsidies reeds aan deze eisen voldoet.
Belangrijk is dat in de Nederlandse jurisprudentie nog geen ongeschreven zelfstandig transparantiebeginsel bestaat wat betreft de verstrekking van schaarse publieke rechten. Wel heeft het CBb in sommige zaken geoordeeld dat een transparantieverplichting van toepassing is op de verlening van schaarse vergunningen.4 Deze verplichting wordt echter gebaseerd op de beginselen van proportionaliteit, zorgvuldigheid en motivering.5 Vooralsnog worden de beginselen van transparantie, onpartijdigheid6 en gelijkheid,7 derhalve nog niet uitdrukkelijk als grondslag gehanteerd voor de rechtsnorm dat voor potentiële gegadigden kenbaar moet zijn of een vergunning beschikbaar is of komt en de te volgen procedure 8 Dat is vanuit Eu-perspectief ook niet noodzakelijk, voor zover geen sprake is van een grensoverschrijdend belang.9 Hoewel in de literatuur wel gepleit wordt voor het kwalificeren van de transparantieverplichting als zelfstandig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur,10 lijkt het daarvoor nu nog te vroeg.11
Het voorgaande neemt niet weg dat in de subsidietitel van de Awb en de daarop gebaseerde subsidieregelingen enkele elementen zijn terug te vinden die overeenkomen met de Europese eisen die voortvloeien uit de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid. In de volgende paragrafen wordt besproken in hoeverre deze elementen voldoende zijn om aan de vermeende Europese eisen te voldoen. In dat kader wordt een vergelijking gemaakt met de procedure die geldt voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie.12 Op grond van het Financieel Reglement zijn op de verstrekking van deze Europese subsidies de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid nu al van toepassing, zodat de procedure die de Europese Commissie voorschrijft geacht moet worden te voldoen aan de eisen die deze beginselen stellen. Voor zover van belang zal ook worden gekeken naar de eisen die door het Hof van Justitie in aanbestedingszaken zijn afgeleid uit de beginselen van gelijkheid en transparantie.13 Niet valt uit te sluiten dat het Hof daarmee vergelijkbare eisen ook van toepassing zal achten op de verdeling van Europese subsidies.14 Het is echter nog niet uitgekristalliseerd of alle eisen die uit het transparantiebeginsel voortvloeien wat betreft het aanbestedingsrecht, onverkort van toepassing zijn op de verdeling van Europese schaarse subsidies.15
In hoofdstuk 5 is aan de orde gekomen dat er ook argumenten bestaan om aan te nemen dat de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid ook zouden moeten gelden voor de verdeling van nationale subsidies.16 Niet valt in te zien dat er ook geen vorm van mededinging zou moeten bestaan bij de verstrekking van schaarse nationale subsidies met een grensoverschrijdend belang, net als bij de verstrekking van daarmee vergelijkbare schaarse vergunningen. Een tweede argument om de beginselen van gelijkheid, onpartijdigheid en transparantie ook op de verstrekking van nationale subsidies van toepassing te laten zijn, is dat deze beginselen ook á van toepassing zijn op nationale subsidies die feitelijk overeenkomen met een door het aanbestedingsrecht beheerste 'overheidsopdracht'.17 Het feit dat een financiële verstrekking door een nationaal bestuursorgaan het naamkaartje 'subsidie' draagt, belet namelijk niet dat sprake kan zijn van een overheidsopdracht in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn nr. 2004/18.18 Uiteraard zijn voormelde beginselen dan onverkort van toepassing. Van belang daarbij is dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat het transparantiebeginsel ook in acht moet worden genomen bij opdrachten onder de drempelwaarde, namelijk in gevallen waarin sprake is van een grensoverschrijdend belang. Overheidsopdrachten, vormgegeven als nationale subsidies, die weliswaar onder de drempelwaarde vallen, maar wel een grensoverschrijdend belang vertonen, zijn derhalve (alsnog) onderworpen aan het Europese transparantiebeginsel. Uit de jurisprudentie blijkt dat de scheidslijn tussen een subsidie en een opdracht soms moeilijk valt aan te geven.19Om te voorkomen dat bestuursorganen voor een subsidievorm kiezen om aan de Europeesrechtelijke aanbestedingsregels te kunnen ontsnappen, verdient het de voorkeur dat duidelijk is dat de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid ook op de verstrekking van subsidies van toepassing zijn. Gelet op de in de volgende paragrafen te beschrijven problemen die zich niet alleen voordoen bij de verdeling van schaarse Europese maar ook bij die van nationale schaarse subsidies, is het in de derde plaats wenselijk dat ook het verdelen van schaarse nationale subsidies geschiedt met inachtneming van de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid.
Gelet op het vorenstaande, verdient het, voor zover in de nu volgende paragrafen nieuwe wetgeving wordt voorgesteld om aan de Europese eisen voortvloeiend uit de beginselen van transparantie, onpartijdigheid en gelijkheid te kunnen voldoen, de voorkeur om deze bepalingen in de subsidietitel van de Awb neer te leggen (de artikelen 4:26a tot en met 4:26d) en niet in de Wet inzake Europese subsidies. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de te formuleren eisen ook van toepassing zijn op de verstrekking van nationale schaarse subsidies. Dit heeft als nadeel dat voor zover een Europese subsidie onverhoopt niet als Awb-subsidie kan worden gekwalificeerd, deze eisen niet van toepassing zouden zijn wanneer deze niet rechtstreeks doorwerken op grond van een Europese verordening. In de Wet inzake Europese subsidies dient dan ook uitdrukkelijk te worden verwezen naar verdelingsregels die zijn neergelegd in de subsidietitel van de Awb. Dit resulteert in het volgende voorstel:
Voor zover een subsidieplafond is vastgesteld, vindt de verdeling van de Europese subsidies en de nationale cofinanciering door het bestuursorgaan plaats met toepassing van de artikelen 4:26, 4:26a, 4:26b en 4:26c van de Awb, voor zover de Europese subsidieregelgeving niet anders bepaalt.
Het bestuursorgaan dat bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken, is bevoegd om een adviescommissie in te stellen die adviseert over de kwaliteit van de ingediende subsidieaanvragen.
Artikel 4:26d van de Awb is van toepassing, voor zover de Europese subsidieregelgeving niet anders bepaalt.