Einde inhoudsopgave
De aanmerkelijkbelangregeling in internationaal perspectief (FM nr. 123) 2007/7.3.1.1
7.3.1.1 Immigratie
Mr. dr. F.G.F. Peters, datum 01-03-2007
- Datum
01-03-2007
- Auteur
Mr. dr. F.G.F. Peters
- JCDI
JCDI:ADS363818:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Buitenlands belastingplichtige
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Belastingplichtige
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zaak C-251/98 (Baars).
Zaak C-470/04 (N).
Vergelijk zaak C-365/02 (Lindfors), r.o. 34-35.
Om die reden kan naar mijn mening ook geen sprake zijn van indirecte discriminatie; immigranten zullen vaak onderdanen van andere lidstaten zijn, maar van nadeliger behandeling ten opzichte van Nederlanders is geen sprake.
Zie nader paragraaf 7.1.2.1.
De aanmerkelijkbelanghouder is binnenlands belastingplichtig indien hij zelf inwoner van Nederland is, ongeacht de vestigingsplaats of het oprichtingsrecht van de vennootschap. Voor de buitenlandse belastingplicht wordt aangeknoopt bij de vestigingsplaats van de vennootschap: deze dient feitelijk dan wel fictief in Nederland te liggen; bij de bepaling van de fictieve vestigingsplaats speelt het oprichtingsrecht van de vennootschap sinds 1997 geen enkele rol meer. De vergelijkbaarheid wordt mijns inziens niet verminderd doordat naar Nederlands recht opgerichte lichamen binnenlands belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting (artikel 2, lid 4, Wet Vpb 1969) of inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting (artikel 1, lid 3, Wet Div.bel. 1965). Deze regelingen gelden niet voor de inkomstenbelasting, en er bestaat geen direct verband tussen de regeling voor inkomen uit aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting en de belastingplicht voor lichamen in de vennootschapsbelasting respectievelijk de inhoudingsplicht in de dividendbelasting. Ten eerste gaat het hier om een heffing van de aanmerkelijkbelanghouder, waar de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang gehouden wordt, buiten staat. Voorts is met de herziening in 1997 de strekking van het aanmerkelijkbelangregime gewijzigd. Sindsdien staat de gelijkenis van de aanmerkelijkbelanghouder met een IB-ondernemer voorop en wordt diens winst in beginsel subjectief bepaald, zodat de band met de winstreserves van de vennootschap naar de achtergrond is verschoven; zie paragraaf 2.1. Bovendien is voor de aanmerkelijkbelangregeling niet relevant of de vennootschap al dan niet belastingplichtig is in Nederland. Aan de vergelijkbaarheid wordt evenmin afgedaan door de in artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb 1969 in het leven geroepen buitenlandse belastingplicht voor niet hier te lande gevestigde rechtspersonen met een niet tot het ondernemingsvermogen behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap; voor zover deze regeling verband houdt met de buitenlandse belastingplicht voor aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting, zou ook daarvoor de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, lid 6, Wet IB 2001 moeten gelden (zie nader paragraaf 2.2.1.1, onder ‘Buitenlandse belastingplicht in de Wet Vpb 1969’).
Immigrerende aanmerkelijkbelanghouders van naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen waarvan de werkelijke leiding vóór 1997 naar het buitenland is verplaatst, zouden in strijd met het doel van de regeling een step-up kunnen verkrijgen (zie paragraaf 2.2.2.5.1,b; zie ook de aldaar beschreven ontgaansmogelijkheid van de immigratieregeling door inbreng in een andere vennootschap). Dit is echter een zeer uitzonderlijk geval en alleen toe te schrijven aan de overgang in 1997 naar een nieuw aanmerkelijkbelangregime. Deze mogelijkheid maakt de regeling mijns inziens hoe dan ook niet discriminerend, maar hooguit gedeeltelijk ongeschikt om het beoogde doel te bereiken – vergelijk zaak C-436/00 (X en Y), r.o. 63 – maar die kwestie speelt pas in het kader van het onderzoek van eventuele rechtvaardigingsgronden, dus nadat er een beperking van het vrije verkeer is geconstateerd.
Wél voor de verkrijgingsprijsregeling als geheel: ingeval de verlengde buitenlandse belastingplicht op grond van de vestigingsplaatsfictie in strijd met het EG-recht zou zijn, lijkt het mij evenzeer EG-rechtelijk verboden bij immigratie door het weigeren van een step-up die regeling indirect alsnog toe te passen.
Toegang tot het EG-verdrag
Een aanmerkelijkbelanghouder die zijn woonplaats vanuit een lidstaat van de Europese Unie naar Nederland verlegt, krijgt te maken met de regeling voor de bepaling van de verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht. Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt dat de verkrijgingsprijs op de waarde in het economische verkeer op het immigratietijdstip wordt gesteld. Ingevolge het derde lid van genoemd artikel, in samenhang met de vestigingsplaatsfictie van artikel 4.35 Wet IB 2001, wordt de immigrant evenwel een step-up onthouden indien sprake is van een feitelijk buiten Nederland gevestigde, naar Nederlands recht opgerichte vennootschap. Anders dan bij de emigratieheffing van artikel 4.16, lid 1, letter h, Wet IB 2001 is Nederland hier niet de vertrekstaat, maar de aankomststaat. Voor wat betreft de mogelijk inroepbare verdragsvrijheden geldt voor immigratie in wezen hetzelfde als bij emigratie. De immigrant kan zich bij kwalificerende activiteiten in Nederland beroepen op de vrijheid van werknemersverkeer of op de vestigingsvrijheid. Een beroep op de vrijheid van vestiging ter zake van het aanmerkelijk belang zelf is in ieder geval mogelijk indien de aanmerkelijkbelanghouder voldoet aan het Baars-criterium1, ongeacht of de feitelijke leiding van de vennootschap eveneens naar Nederland wordt verplaatst. Er is immers hetzij voorafgaand aan immigratie reeds sprake van een grensoverschrijdende situatie (vennootschap in Nederland) hetzij sinds de immigratie (vennootschap in de vertrekstaat); vergelijk het arrest N2 (r.o. 26-28). Indien de aanmerkelijkbelanghouder niet voldoet aan het Baars-criterium, kan hij een beroep doen op het vrije verkeer van de burgers van de Unie. Een beroep op het kapitaalverkeer is niet mogelijk, aangezien de immigratie van de aanmerkelijkbelanghouder geen kapitaalbeweging inhoudt. Voor een en ander zij verwezen naar paragraaf 7.1.1.
Beperking van het vrije verkeer
De regeling ex artikel 4.25 jo. 4.35 Wet IB 2001 zou tot een tweetal beperkingen kunnen leiden. Ten eerste zou sprake kunnen zijn van een belemmerende maatregel met onderscheid ten opzichte van aanmerkelijkbelanghouders die steeds in Nederland woonden; de interne situatie zou dan gunstiger worden behandeld dan de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder van zijn verdragsvrijheden gebruik maakt en immigreert.3 Dat is echter niet het geval: aanmerkelijkbelanghouders die steeds inwoner van Nederland waren, zijn belastingplichtig voor inkomen uit aanmerkelijk belang ongeacht het oprichtingsrecht van hun vennootschap, en voor hen geldt eveneens de historische verkrijgingsprijs.4
In de tweede plaats zou ten aanzien van de immigrerende aanmerkelijkbelanghouder van een naar Nederlands recht opgerichte, feitelijk in het buitenland gevestigde vennootschap sprake kunnen zijn van afgeleide discriminatie. Er wordt immers onderscheid gemaakt naar nationaliteit van de vennootschap, hetgeen ten opzichte van de aanmerkelijkbelanghouder kan worden aangemerkt als een belemmering en ten opzichte van de vennootschap als discriminatie naar nationaliteit.5 Deze immigrant wordt anders behandeld dan de immigrerende aanmerkelijkbelanghouder van een naar buitenlands recht opgerichte, feitelijk in het buitenland gevestigde vennootschap. Aangezien het oprichtingsrecht van de vennootschap niet van belang is bij de bepaling van de (buitenlandse) belastingplicht voor aanmerkelijk belang, zijn de gevallen van een naar Nederlands en een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap vergelijkbaar.6 De nadeliger behandeling bestaat uit het onthouden van een step-up, waardoor, ingeval voorafgaand aan immigratie geen buitenlandse belastingplicht voor aanmerkelijk belang bestond, een claim wordt gelegd op de in het buitenland ontstane meerwaarde van het aanmerkelijk belang. Op grond van de regeling ex artikel 4.25 jo. 4.35 Wet IB 2001 sec zou zich deze belemmering naar mijn mening inderdaad voordoen. Als gevolg van de in artikel 16 Uitv.besl. IB 2001 getroffen regeling is de nadeliger behandeling evenwel opgeheven. Niet het oprichtingsrecht van de vennootschap, maar uitsluitend het al dan niet aanwezig zijn van buitenlandse belastingplicht voorafgaand aan de immigratie, is beslissend voor de toekenning van een step-up.7 De vraag of de buitenlandse belastingplicht als zodanig wel in het aanmerkelijkbelangsysteem past, heeft naar mijn mening geen betekenis voor de vraag naar het discriminerende of belemmerende karakter van de verkrijgingsprijs-vestigingsplaatsfictie.8 De vestigingsplaatsfictie van artikel 4.35 Wet IB 2001 heeft feitelijk geen invloed op de beslissing van de buitenlandse aanmerkelijkbelanghouder om al dan niet van de verdragsvrijheden gebruik te maken. De conclusie luidt dan ook dat er met ingang van 2001 geen belemmerende werking meer uitgaat van de vestigingsplaatsfictie in samenhang met de regeling van de verkrijgingsprijs bij immigratie.