Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/2.7.1
2.7.1 Het formele zorgvuldigheidsbeginsel
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509861:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het vergaren van onnodige kennis door de overheid kan leiden tot overheidsaansprakelijkheid, naar blijkt uit CBb 23 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:406 (BioCandeo I). Zie voor de afwikkeling CBb 4 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:127 (BioCandeo II) en CBb 19 april 2017, ECLI:NL:CBB:2017:135 (BioCandeo III).
Pront-van Bommel 2006, p. 149.
Vgl. Schuurmans 2004, p. 217-218. Zie bijvoorbeeld CBb 11 januari 2000, AB 2000/286 m.nt. J.H. van der Veen (Technip).
ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999/403 m.nt. M. Schreuder-Vlasblom (Winterbewaarprei). Zie ook ABRvS 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9741, JB 2009/124 m.nt. R.J.N. Schlössels (Schelpdiervisserij) en ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:439, AB 2016/134 m.nt. C.B. Modderman & R. Ortlep, r.o. 3.4 (Inlichtingen over feitelijke verblijfplaatsen).
Zie uitvoerig over deze uitspraak Schuurmans 2004, p. 217-218, Schuurmans 2006, p. 155-160 en De Waard 2006, p. 119-120.
ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999/403 m.nt. M. Schreuder-Vlasblom (Winterbewaarprei). Zie ook ABRvS 14 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX8542, AB 2006/331 m.nt. A.T. Marseille (Parkeervergunning Den Haag).
Zie bijvoorbeeld reeds ARRvS 2 augustus 1985, AB 1986/285 (Tennisclub ‘t Nylan).
Met name het formele zorgvuldigheidsbeginsel komt in beeld. Dit beginsel, dat gedeeltelijk is gecodificeerd in artikel 3:2 Awb, schrijft voor dat het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.1 Sommigen stellen – in algemene zin – dat een redelijke uitleg van het zorgvuldigheidsbeginsel ertoe leidt dat het bestuursorgaan de wederpartij gerichte informatie over zijn rechtspositie verschaft indien hij daarbij redelijkerwijs belang heeft.2 Zo ver zou ik niet willen gaan (vgl. paragraaf 2.8.1). Wel is in enkele specifieke gevallen aangenomen dat een verplichting tot het verstrekken van informatie voortvloeit uit het beginsel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in gevallen waarin het bestuursorgaan een belanghebbende – in het kader van een aanvraag – moet voorlichten over zijn bewijslast en over de wijze waarop hij aan zijn bewijslast kan voldoen.3 In wezen gaat het hierbij om informatieverstrekking op verzoek, aangezien een aanvraag een verzoek is van een belanghebbende om een besluit te nemen (artikel 1:3 lid 3 Awb), zij het dat niet om informatie maar om een besluit wordt verzocht. Deze voorlichtingsplicht strekt er mede toe dat het bestuursorgaan beschikt over de gegevens die het nodig heeft om het gevraagde besluit te kunnen nemen, en is dus niet uitsluitend erop gericht om de burger te helpen.
Een bekend voorbeeld is de winterbewaarprei-zaak.4 Aan de orde was een bijdrage wegens teeltplanschade als gevolg van een overstroming. De minister had een bijdrage toegekend op basis van het uitgangspunt dat het betrokken landbouwbedrijf gewone prei teelde. In beroep nam de rechtbank als vaststaand aan dat de minister het bedrijf de gelegenheid had geboden om bewijs te leveren van het feit dat het bedrijf – duurdere – winterbewaarprei teelde en dat het bewijs daarvan niet was geleverd. In beroep was aan de hand van veilinggegevens echter alsnog komen vast te staan dat winterbewaarprei was geteeld, zodat de rechtbank het besluit vernietigde omdat de minister volgens de rechtbank van een materieel onjuiste grondslag was uitgegaan. Op de stelling van de minister dat de eerst bij de rechtbank overgelegde gegevens te laat in de procedure waren gebracht, overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak dat ‘niet kan worden geoordeeld dat het voor het bedrijf duidelijk was dan wel had behoren te zijn dat werd verzocht om bewijsstukken teneinde aan te tonen dat zij winterbewaarprei teelde’. Voorts valt volgens de Afdeling bestuursrechtspraak niet in te zien waarom de minister niet alsnog om de door hem gewenste bewijsstukken had verzocht, ‘te meer nu daar hiervoor nog voldoende gelegenheid was, nu het, na ontvangst van de brief van de maatschap, nog een jaar heeft geduurd alvorens een beslissing op het bezwaarschrift is genomen’.5
In haar noot bij deze uitspraak stelt Schreuder-Vlasblom dat binnen het bewijsdomein van de burger zorgvuldigheidsverplichtingen van het bestuur resteren.6 Hiermee bedoelt zij dat op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel op het bestuursorgaan de verplichting rust om de burger tijdig en ondubbelzinnig aan te geven welke gegevens van hem worden verlangd. Op het bestuur rust dus onder omstandigheden, zoals bij een beschikking op aanvraag, een verplichting om de burger in voorkomend geval te informeren over de benodigde gegevens. Bij onvoldoende voorlichting over de bewijslast kan de burger soms niet worden verweten dat hij niet tijdig overgaat tot het overleggen van voldoende bewijs, en komt het besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb voor vernietiging in aanmerking. Ook buiten de verplichting om de burger voor te lichten over de op hem rustende bewijslast, is overigens uit het zorgvuldigheidsbeginsel wel een verplichting tot informatieverstrekking afgeleid, bijvoorbeeld over een gehanteerde (interne) beleidslijn.7