Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.2
7.3.2 Afkoop en inkoop winstbewijzen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452931:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Op deze algemene regel bestaat één uitzondering en dat is de regeling van het zelfstandige aanmerkelijk belang in geval van zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen (art. 20a, derde lid, zesde volzin. Wet IB). Zoals in hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.2.1 is uiteengezet, is ook sprake van een aanmerkelijk belang in de vennootschap indien de belastingplichtige zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen bezit die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd. De meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB en de afgeleid-aan-merkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB (zie hoofdstuk 5, onderdelen 5.3 en 5.4) gelden overigens zowel voor de tijdelijke als de niet-tijdelijke winstbewijzen.
Onder het tot 1 januari 1997 geldende regime werd de afkoop en inkoop van tot een aanmerkelijk belang behorende winstbewijzen tot de inkomsten uit vermogen gerekend (art. 25, eerste lid, onderdeel f, Wet IB). Voor winstbewijzen die niet tot een aanmerkelijk belang behoren, is de regeling van art. 25, eerste lid, onderdeel f, in combinatie met het achtste lid, Wet IB ook sedert 1 januari 1997 van toepassing gebleven. Om ook ter zake van de afkoop en inkoop van winstbewijzen die behoren tot een aanmerkelijk belang tot een meer subjectieve invulling van de belastingheffing te komen, is in art. 20a, zesde lid, onderdeel b, Wet IB het afkopen en inkopen van winstbewijzen uitdrukkelijk onder het begrip 'vervreemding' gebracht. Hierdoor wordt het afkopen en inkopen van tot een aanmerkelijk belang behorende winstbewijzen belast als een vervreemdingsvoordeel en niet als een met de inkomsten uit vermogen corresponderend regulier voordeel. Deze wijziging heeft tot gevolg dat bij de belastingheffing ter zake van het afkopen of inkopen van winstbewijzen (een deel van) de verkrijgingsprijs in aanmerking wordt genomen. Overigens is het voor de aanmerkelijkbelangregeling in het algemeen irrelevant of sprake is van winstbewijzen die door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. tijdelijke winstbewijzen, dan wel van winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen. Beide typen winstbewijzen vallen onder de aanmerkelijkbelangregeling, hoewel niet-tijdelijke winstbewijzen meer gelijkenis vertonen met aandelen en tijdelijke winstbewijzen met stamrechten.1