Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.2.2.3
10.2.2.3 Toetsing door het Bundesverfassungsgericht
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454094:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: BVerfGE 49, 89 (8 augustus 1978). Zie hierover ook: Degenhart 2016, p. 127-129; Heun 2011, p. 35, 38. In dit hoofdstuk zal, zoals gebruikelijk is in de Duitse literatuur, voor verwijzingen naar jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht steeds gebruik worden gemaakt van BVerfGE, de gebundelde uitgave van de belangrijkste jurisprudentie van het Duitse constitutionele hof. De nummering van rechtsoverwegingen is bij deze jurisprudentie pas sinds enkele jaren gangbaar geworden en daarbij liep de nummering van digitaal te raadplegen arresten niet altijd gelijk met die in BVerfGE. Om die reden is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de in de Duitse literatuur gangbare wijze van verwijzen naar BVerfGE.
Badura 2015, p. 835-836.
Badura 2015, p. 838-842.
Het gaat hierbij om een schending van grondrechten of van de artikelen 20, vierde lid, 33, 38, 101, 103 of 104 GG.
Epping & Hillgruber 2013, p. 1560; Jarass & Pieroth 2016, p. 1057.
In zijn jurisprudentie heeft het Bundesverfassungsgericht vaak de taak om voormelde bepalingen nader te interpreteren. De in de vorige paragraaf besproken bepalingen laten daarbij veel beoordelingsvrijheid voor het Hof, gelet op hun abstracte en algemene karakter. Als element van het democratiebeginsel ontwikkelde het in het kader van fundamentele rechten bijvoorbeeld onder meer de zogenoemde Wesentlichkeitstheorie.1 Op grond hiervan dient het parlement door middel van wetgeving zelf te besluiten over ‘essentiële beslissingen’. Die kunnen niet geheel worden overgelaten aan de Bondsregering als uitvoerende macht, maar vereisen volgens het Hof democratische legitimatie. Het is daardoor de vraag welke beslissingen precies als ‘essentieel’ moeten worden aangemerkt. Hoewel het Bundesverfassungsgericht dit leerstuk niet uitdrukkelijk verbindt aan zijn jurisprudentie over Europese integratie, lijkt dit ook daaraan ten grondslag te liggen.
Het Hof kan via verschillende wegen komen tot een nadere uitwerking van bepalingen uit het Grundgesetz. Voor dit proefschrift zijn twee taken van het Hof in het bijzonder van belang. Allereerst beslist het Hof op grond van artikel 93, eerste lid, sub 1, GG over zogenoemde Organstreitigkeiten.2 Dit zijn geschillen tussen federale ambten over de interpretatie van het Grundgesetz en de daaruit voortvloeiende rechten en plichten van deze ambten. In dat geval kunnen alleen (leden van) die ambten een zaak voor het Hof brengen.
Verder kan iedere burger op grond van artikel 93, eerste lid, sub 4a, GG bij het Bundesverfassungsgericht klagen over een vermeende schending van het Grundgesetz door de overheid. In dat geval is sprake van een Verfassungsbeschwerde.3 Op grond van artikel 93, eerste lid, sub 4a, GG kan niet over iedere schending van het Grundgesetz een klacht worden ingediend. Deze bepaling maakt onder meer klachten mogelijk over schendingen van grondrechten en van het kiesrecht zoals vastgelegd in artikel 38 GG.
In de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht over Europese integratie wordt in het geval van een Verfassungsbeschwerde steeds aansluiting gezocht bij artikel 38 GG. Een burger klaagt in dat geval dat zijn kiesrecht is geschonden omdat door een Europese regeling bepaalde zaken niet langer (uitsluitend) nationaal worden geregeld, maar (deels) Europees. Daarmee zou het kiesrecht worden uitgehold, omdat op die manier de uitoefening van overheidsmacht minder beïnvloed kan worden. Tegelijkertijd wordt dan om dezelfde reden vaak het democratiebeginsel uit artikel 20 GG ingeroepen. Artikel 20, eerste lid, GG kan echter geen zelfstandige grondslag zijn voor een Verfassungsbeschwerde. Die procedure is uitsluitend bedoeld voor een schending van een van de rechten genoemd in artikel 93, eerste lid, sub 4a, GG.4 Artikel 20, eerste lid, GG komt hierin, anders dan artikel 38 GG, niet voor. Een Verfassungsbeschwerde moet in deze context daarom gebaseerd worden op een schending van het kiesrecht van artikel 38 GG.
Wel maken in dat geval ook de andere grondwettelijke bepalingen deel uit van de toetsingsmaatstaf van het Bundesverfassungsgericht.5 Bij de beoordeling van een Verfassungsbeschwerde op grond van artikel 38 GG, komt daarom ook vaak de gestelde schending van het democratiebeginsel van artikel 20, eerste lid, GG aan de orde. Bovendien geeft het Bundesverfassungsgericht aan artikel 38 GG een zo ruime uitleg, zoals hieronder zal blijken, dat de samenhang tussen die bepaling en artikel 20 GG zeer sterk is.
Artikel 38 GG vormt zo een cruciale schakel tussen Verfassungsbeschwerden en de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht over Europese integratie. Dit is anders bij de Organstreit-procedure, omdat federale ambten voor het voorleggen van een constitutioneel geschil aan het Bundesverfassungsgericht geen aansluiting hoeven te zoeken bij die bepaling.