Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.6:6.3.6.6 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.6.6
6.3.6.6 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610244:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik zou het begrip ‘verbonden persoon’ voor de toepassing van art. 3.6, 3.30a, 3.46, 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 willen schetsen aan de hand van de contouren:
Er geldt een sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot van de belastingplichtige, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd. De tekst van art. 3 AWIR kan hierbij als uitgangspunt worden genomen.
Voor ongehuwde samenwoners geldt in dit verband een weerlegbaar vermoeden van ‘verbondenheid’. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan de belastingplichtige aantonen dat de partner niet als ‘verbonden persoon’ kan worden beschouwd, bijvoorbeeld omdat de personen niet samenwonen en voor de toepassing van een pensioenregeling niet als partner zijn aangemeld.
Voorts wordt een minderjarig ‘kind’ van de belastingplichtige of van zijn ‘levensgezel’ tot de kring van verbonden personen gerekend. In situaties waarin de belastingplichtige een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke transactie pleegt met een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van hemzelf of van zijn ‘levensgezel’, wordt dit familielid eveneens als ‘verbonden persoon’ aangemerkt.
Indien de belastingplichtige minderjarig is, wordt ook een bloed- of aanverwant in de opgaande lijn, en diens echtgenoot, geregistreerde partner of ‘levensgezel’ als een ‘verbonden persoon’ beschouwd.
In afwijking van art. 1:3 lid 3 BW worden de duurzaam gescheiden levende echtgenoot en de ex-schoonfamilie voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet tot de kring van verbonden personen gerekend. Anders dan geldt in het personen- en familierecht, eindigt aanverwantschap dus wel voor de inkomstenbelasting.
In dit verband is er een verschil met mijn voorstel voor de omschrijving van het begrip ‘partner’, omdat hiervoor slechts de ‘ongehuwd samenlevende’ kwalificeert, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een gezamenlijke huishouding voert. In de situatie waarin een belastingplichtige meer dan één echtgenoot heeft, past het naar mijn mening in de antiontgaansfunctie van het begrip ‘verbonden persoon’ om de echtgenoten uit alle huwelijksverbintenissen als verbonden personen te beschouwen. Dit is ook een verschil met het partnerbegrip.
Hiervoor is opgemerkt dat voor de verbondenheid bij terbeschikkingstellingen aan een samenwerkingsverband in art. 3.91 Wet IB 2001 geen ondergrens geldt voor het belang van de ‘verbonden persoon’. In principe is een belang van 1% al voldoende om voor een terbeschikkingstelling het reguliere boxenstelsel opzij te zetten. Net als Stevens (2004) ben ik van mening dat het in de strekking van de regeling past, indien wordt aangesloten bij het 33'/3%-criterium dat ook geldt voor het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969.
In plaats van het huidige aanmerkelijkbelangcriterium kan deze 33'/3%-grens ook worden gehanteerd in de regeling van art. 3.92 Wet IB 2001. Hierdoor worden alleen aandeelhouders met belangrijke zeggenschap in een lichaam onder reikwijdte van de maatregel gebracht, hetgeen naar mijn mening resulteert in een evenwichtige benadering. De contouren van dit begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ zou ik willen vormgeven aan de hand van het bezit van een ‘belang’, een term die in hoofdstuk 7 nader wordt onderzocht:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat overheersende zeggenschap en een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam. Niet alleen een aandelenbelang vormt een ‘belang’, maar ook andere rechten, zoals zeggenschapsrechten en schuldeisersbelangen, en deelname aan de leiding.
Ten aanzien van een aandelenvennootschap wordt een ‘belang’ aanwezig geacht bij het bezit van 33'/3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal en de daaraan verbonden stemrechten.
De belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden.
Bovengenoemde veronderstelling van de aanwezigheid van een ‘belang’ op basis van een aandelenbezit dient om duidelijkheid te bieden in ‘standaardsituaties’ ten aanzien van aandelenvennootschappen, waarin bijvoorbeeld geen sprake is van zeggenschap op basis van overeenkomsten en alleen een aandelenband bestaat. In verband met de antiontgaansfunctie staat de feitelijke, materieel-economische benadering echter voorop. In gevallen die afwijken van de standaardsituaties, bijvoorbeeld omdat sprake is van een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal of omdat er krachtens een managementovereenkomst feitelijke zeggenschap en beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend zonder dat er een aandelenband is, kan ook een ‘belang’ bestaan.
Belastingplichtigen krijgen de mogelijkheid om de fiscus vooraf zekerheid te vragen over de aanwezigheid van een ‘belang’ en verbondenheid.
Ook door de commissie ‘Terbeschikkingstellingsregeling’ van de Vereniging van Belastingwetenschap (2005) is opgemerkt dat de aanmerkelijkbelanggrens niet geschikt is voor de terbeschikkingstellingsregeling. Zij zou ook willen aansluiten bij een criterium van ‘doorslaggevende zeggenschap’ van 33'/3%. De wetgever heeft dit afgewezen, omdat een kwantitatief criterium lastig te hanteren zou zijn.1 Ik ben het eens met de commissie dat dit argument geen hout snijdt, omdat voor het 5%-criterium van de aanmerkelijkbelangregeling hetzelfde zou kunnen worden gezegd.
In het rapport ‘Breder, lager, eenvoudiger? Een evaluatie van de belastingherziening 2001’ is de grens van 33'/3% opnieuw afgewezen, nu met als reden dat anders een optioneel stelsel zou ontstaan.2 Een belastingplichtige met een belang van 20%, die onder de regeling wil vallen, zou er dan voor kunnen kiezen om zijn belang onder te brengen in een ‘personal holding’, zodat hij een 100%-belang zou hebben. Ik vind dit voorbeeld niet erg overtuigend. In de situatie van het voorbeeld zou de holding middellijk nog steeds slechts een 20%-belang houden in de partij waaraan het vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld. Indien de holdingstructuur als een ongewenste vorm van ‘verbondenheidsarbitrage’ zou moeten worden beschouwd, kan dit eenvoudig worden tegengegaan door in de wettekst uit te gaan van het ‘uiteindelijke belang’ in de vennootschap waarin het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel per saldo wordt gebruikt. Een dergelijke doorkijkbenadering geldt ook voor de in hoofdstuk 7 beschreven regeling van art. 20a lid 1 Wet VPB 1969.