Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.4.2:4.4.2 Seculiere staat
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.4.2
4.4.2 Seculiere staat
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455190:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dalferth 2000, p. 8.
Cliteur, NJB 2012/2531, p. 6.
Sinds in 2002 de conservatieve en islamitische AK-partij aan de macht is gekomen, staat het seculiere karakter van Turkije onder druk.
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 juni 2004, AB 2004, 338 (Leyla Sahin), m.nt. B.P. Vermeulen.
Zie: De Beer 2008; De Winter 1983; De Winter, NJB 1996, p. 1-8; Leiter 2008; Wijnberg 2010.
Broeksteeg 2014, p. 50, 51.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De stap van een rechtspositivistische benadering van de godsdienstvrijheid naar een seculier staatsmodel is groot. Degenen die streven naar een seculier staatsmodel willen niet alleen de geldigheid van het recht op seculiere wijze begrijpen maar willen voorkomen dat religie invloed uitoefent op het publieke domein. In het seculiere model is het onderscheid tussen het publieke domein en het private domein nog sterker dan in het model van liberaal gezindtepluralisme. Dit is het gevolg van een ontwikkeling die ingezet is vanaf de intrede van het wetenschapsideaal in de vroege verlichting en die ertoe geleidt heeft dat rationaliteit en redelijkheid worden vereenzelvigd met het publieke domein en religie met het private domein en daarbij geldt als irrationeel of onredelijk.1 Vanwege het vermeende irrationele of onredelijke karakter van godsdienst willen seculieren niet dat het publieke domein getekend wordt door religieuze uitingen of gedragingen. Men wil voorkomen dat religieuze ‘zelfbeschrijvingen’, zoals God, een plaats hebben binnen het publieke domein, bijvoorbeeld in het recht. Ook wil men niet dat het recht godsdiensten voortrekt of achterstelt. In dit perspectief is elke verstrengeling van godsdienst met de staat uitgesloten. Een religieuze eed, een ambtsgebed, een religieuze aanhef van een wet et cetera zijn binnen deze benadering taboe, evenals subsidiëring van openbare religieuze scholen, religieuze goede-doelen-organisaties et cetera. Overheidsinstellingen en openbare scholen moeten een neutraal karakter dragen. Dit karakter is niet te verenigen met religieuze uitingen of gedragingen. Overheidsfunctionarissen, docenten of leerlingen mogen dan bijvoorbeeld hun godsdienst niet uitdragen door het dragen van hoofddoeken, keppeltjes of kettingen met kruisjes.
De wijze waarop men binnen een seculiere staat het begrip godsdienst uitlegt kan variëren. Het kan zijn dat men een subjectivering aanvaardt, en daarmee als standpunt inneemt dat de betekenis van godsdienst afhankelijk is van de opvattingen van het subject. Het kan ook zijn dat men een meer objectief begrip van godsdienst hanteert en alleen bepaalde godsdiensten erkent die zijn gebaseerd op objectieve criteria. Wanneer een seculiere staat een subjectief begrip van godsdienst omarmt zullen ze de beperkingsclausule van de godsdienstvrijheid strikt uitleggen om zo het publieke domein te beschermen tegen godsdienstige invloeden. Indien ze een objectivering van godsdienst voorstaan, kunnen ze de uitoefening van godsdienst in de samenleving op twee manieren reguleren. Ten eerste door middel van een strikte toepassing van de beperkingsclausule van de godsdienstvrijheid, ten tweede door alleen bepaalde godsdiensten te erkennen die geen gevaar vormen voor het seculiere publieke domein. Bij de laatste manier kunnen we denken aan het pleidooi van Cliteur om alleen godsdiensten als zodanig te kwalificeren die voldoen aan bepaalde voorwaarden (bijv. dat ze niet gewelddadig zijn, geen dierenleed veroorzaken et cetera).2
Waarschijnlijk is dat het verschil tussen een staat waarin het liberaal gezindtepluralisme wordt nageleefd en een seculiere staat vooral zit in de toepassing van het beperkingsregime. Staten met een seculier staatsmodel zullen de vrijheid om een godsdienst te belijden aan een veel strenger beperkingsregime onderwerpen dan staten waarin het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme wordt gevolgd. Ze zullen veel sterker het seculiere publieke domein willen beschermen tegen godsdienstige invloeden. Concreet betekent dit dat ze bijvoorbeeld wel erkennen dat het dragen van een hoofddoek op een openbare school een religieuze uiting is, maar zullen ze deze uiting verbieden om zo het openbare (seculiere) karakter van de school te beschermen.
In de praktijk treffen we verschillende varianten van staten met een seculier perspectief op godsdienst. Gematigde voorbeelden zijn Frankrijk (laïcité) en Turkije.3 In deze landen wordt godsdienst zo veel mogelijk uit het publieke domein geweerd, maar wordt godsdienst wel als object van de vrijheid van godsdienst of andere rechten met een religieus object door de staat beschermd. De staat probeert godsdienst buiten de sfeer van de overheden en het onderwijs te houden. In deze landen heerst geen antireligieus klimaat maar wel een publiekelijk areligieus klimaat. Het EHRM hanteert in religieuze zaken vanwege de uiteenlopende geschiedenis van de lidstaten inzake de verhouding tussen kerk een staat een ‘margin of appreciation’ ten aanzien van de toepassing van de beperkingsclausule. Een gematigd seculier staatsmodel wordt op die manier niet in strijd geacht met het neutraliteitsbeginsel zoals dat wordt toegeschreven aan artikel 9 EVRM. Zo mogen scholen binnen seculiere staten een hoofddoekverbod invoeren op grond van een strikte interpretatie van neutraliteit (van de openbare orde).4 In de literatuur en de standaardarresten zijn geen aanwijzingen te vinden dat het seculiere perspectief binnen de Nederlandse rechtsorde veel invloed heeft uitgeoefend. Wel kan dit perspectief de laatste jaren rekenen op een groeiende belangstelling.5 Uit de positiefrechtelijke analyse moet blijken of het seculiere perspectief toch ook invloed heeft gehad op het juridische begrip van godsdienst.
Het atheïstische perspectief kan men zien als een geradicaliseerde versie van het seculiere perspectief en gaat uit van de opvatting dat godsdienst als zodanig geen bescherming verdient en dat godsdienst in zijn geheel geen rol mag spelen in, of zelfs moet worden uitgebannen uit, het recht en in het publieke domein. Indien men deze opvatting huldigt is men antireligieus. Men begrijpt godsdienst als iets dat de mens, gemeenschap of de staat kan schaden. De vrijheid van godsdienst en alle andere wettelijke rechten met een religieus object moeten op grond van deze opvatting worden geschrapt en religieuze uitingen en gedragingen mogen ook niet door andere rechten worden beschermd. Binnen een atheïstische staat is atheïsme de officiële staatsdoctrine die scholen en andere organisaties dienen uit te dragen. Overigens kan men het atheïstische perspectief beschouwen als een model vergelijkbaar met een theocratie. Het gaat dan echter niet om een godsdienst die van grote invloed is op het maatschappelijk leven en de wijze waarop de staat is ingericht maar om een ideologie of levensbeschouwing. Bij staten die een atheïstisch perspectief huldigen kunnen we denken aan Noord-Korea en de voormalige communistische Oostbloklanden.6