Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.1.3
14.1.3 Ratio in de Nederlandse literatuur
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300460:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voetnoot 4 van dit hoofdstuk.
Het meest ver hierin gaat Blomkwist 2012, para. 8, die aan het begrip afhankelijkheid iedere zeggingskracht ontzegt.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Pitlo 1972, p. 371.
Raaijmakers 2001, p. 695.
Wél expliciet komt dit argument aan de orde bij Swinnen 2014, p. 478.
Raaijmakers 2001, p. 707; Rongen 2012, p. 1268; Swinnen 2014, p. 481.
Zie de verwijzing bij Rongen 2012, p. 1268 naar de Parlementaire Geschiedenis ten aanzien van de kwalitatieve rechten, waar de wetgever ditzelfde argument noemt. In algemene zin stellen Verheul & Verstijlen 2016, p. 139 dat het recht inzake de verkrijging van goederen – waar afhankelijkheid een variant van is, zie Struycken 2007, p. 71 – ernaar streeft waarde te behouden en rechtsverhoudingen te vereenvoudigen.
Zie bijvoorbeeld van Velten 2018, para. 17.4.1.
Habersack 1997, p. 862; Wachter 1999, p. 184; Steven 2009, p. 416. Zie voor een Nederlandse opvatting in deze richting van Vliet 2011, p. 14. Geen van deze auteurs legt overigens het verband tussen de genoemde vereisten om als afhankelijk recht aangemerkt te worden en de automatische overgang die als gevolg van deze kwalificatie wordt toegekend (zie daarover paragraaf 7.5.4.3).
Booms 2017, p. 146.
552. Het afhankelijke karakter van afhankelijke rechten wordt in de literatuur vaak op een technische wijze besproken. Er wordt gewezen op het feit dat afhankelijke rechten niet zelfstandig kunnen bestaan, waarin alle drie de hierboven genoemde werkingen van afhankelijkheid samen worden genomen.1 Afhankelijkheid wordt dan gepresenteerd als iets vanzelfsprekends; omdat rechten niet zelfstandig kunnen bestaan, zijn ze afhankelijk.2 Dat klopt slechts voor zover het de definitie uit art. 3:7 BW betreft. Voor wat betreft art. 3:82 BW had ook voor een ander systeem kunnen worden gekozen. Zo zou het namelijk net zo goed mogelijk zijn dat rechten die niet zonder een ander recht kunnen bestaan, tenietgaan zodra het recht waar zij bij horen van vermogen verwisselt, of dat er bijkomende vereisten zijn (zoals het registreren van de gezamenlijke overgang) om ervoor te zorgen dat beide rechten in één hand blijven.3
553. Toch zijn er ook auteurs die wél redenen aanvoeren voor de regeling van afhankelijke rechten zoals die in het Nederlandse recht is opgenomen. Ik maak bij de bespreking van hun opvattingen een onderscheid tussen het automatisch mee overgaan van afhankelijke rechten (art. 3:82 BW) en de vereisten om als afhankelijk recht aangemerkt te worden (art. 3:7 BW).
554. Voor de automatische overgang van afhankelijke rechten samen met het hoofdrecht waar zij bij horen, worden hoofdzakelijk twee argumenten genoemd. Het eerste is het toegevoegde nut dat het afhankelijke recht heeft voor het hoofdrecht. Het afhankelijke recht versterkt het hoofdrecht, 4omdat het zorgt voor een “snellere, betere, of gemakkelijkere uitoefening, genot of gebruik van het hoofdrecht”.5 De (vaak impliciete) gevolgtrekking daarbij is dat het niét bij elkaar houden van hoofdrecht en afhankelijk recht dit toegevoegde nut zou vernietigen.6 Het tweede argument is dat het bij elkaar houden van hoofdrecht en afhankelijk recht het rechtsverkeer versimpelt; er zijn nu minder overdrachten nodig om hetzelfde resultaat te bewerkstelligen.7 Een combinatie van beide argumenten is nog te vinden in het feit dat de vervreemder en verkrijger van een hoofdrecht niet kunnen ‘vergeten’ om afspraken over de overgang van het afhankelijke recht te maken. Ook zonder aanvullende afspraak zorgt art. 3:82 BW ervoor dat het extra nut van het afhankelijke recht toekomt aan de verkrijger van het hoofdrecht.8
555. Over de ratio achter de vereisten die gelden voor de kwalificatie als ‘afhankelijk recht’ wordt in de Nederlandse literatuur niet zo veel geschreven. Het wordt als logisch beschouwd dat afhankelijke rechten niet kunnen ontstaan of voortbestaan als het hoofdrecht waar zij bij horen niet (meer) bestaat.9 In de buitenlandse literatuur wordt aan deze vereisten nog een extra functie toegekend: doordat het afhankelijke recht is afgestemd op het (bestaan van het) hoofdrecht, wordt de verschaffer van het afhankelijke recht beschermd.10 Vooral bij afhankelijke zekerheidsrechten is dit van belang. De verschaffer van een afhankelijk zekerheidsrecht weet namelijk dat verhaal onder het zekerheidsrecht niet verder kan reiken dan waartoe het hoofdrecht aanleiding geeft. Hij heeft het daarom zelf in de hand om uitwinning te voorkomen, door de vordering(en) waarvoor het afhankelijke zekerheidsrecht is gevestigd, te voldoen. Deze beschermende functie van de regeling die in art. 3:7 BW is neergelegd, staat in het Nederlandse recht overigens steeds meer onder druk door de mogelijkheid om afhankelijke zekerheidsrechten ook te vestigen voor (meerdere) toekomstige vorderingen (zie daarover meer uitgebreid randnummer 309).11