Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/2.4
2.4 Het Europese mededingingsrecht
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85929:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is een instelling van de Europese Unie. Deze wordt gevormd door twee rechtsprekende instanties, twee ‘Unierechters’, te weten die (1) in prima, het Gerecht, en (2) in hoger beroep, het Hof van Justitie. Videafdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel I van deel 6 van het VWEU.
Het begrip ‘onderneming’ wordt gebruikt ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht die uit hoofde van de eerdergenoemde artikelen kan worden bestraft; vide HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 46 (Akzo Nobel). Volgens Drijber in zijn noot, onder 3, bij HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber (Skanska Industrial Solutions) wordt met het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in feite bedoeld een ‘groep’ of een ‘concern’.
Wellicht Paul Storm gelet op P.M. Storm, ‘Prof. mr. A.F.M. Dorresteijn, ‘Substance over form’ in het ondernemingsrecht?’, RMThemis 2005/2, p. 97: ‘Allereerst vind ik de opening met een voorbeeld uit het (Europees) kartelrecht weinig terzake [sic] doend[e]. Het kartelrecht gaat inderdaad uitsluitend uit van het begrip onderneming. Het gaat daarbij geheel en al om de economische (en politieke) werkelijkheid. In Dorresteijns oratie heb ik, gelukkig, geen pleidooi gezien voor een dergelijke, door economen en politici met steeds veranderde inzichten beheerste, benadering van het ondernemingsrecht.’
In gelijke zin Olaerts 2011, op. cit., p. 10 en 12.
D.F.M.M. Zaman, ‘Het spanningsveld binnen het ondernemingsrecht: faciliteren en toch misbruik tegengaan’, WPNR 2018/7212, p. 789.
Vide HvJ EG 11 juli 2006, C-205/03 P, punt 25 (FENIN); HvJ EU 12 december 2013, C-327/12, punt 27 (SOA).
Vide HvJ EG 23 april 1991, C-41/90, punt 21 (Höfner en Elser); HvJ EG 11 juli 2006, C-205/03 P, punt 25 (FENIN); GvEA EG 27 september 2006, T-314/01, punt 78 (Avebe); HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 38 (Philip Morris); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 54 (Akzo Nobel); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 122 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/ 09 P, punt 34 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 95 (ArcelorMittal); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 37 (Arkema); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 53 (Elf); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 48 (Bolloré); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 42 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 36 (Portielje); HvJ EU 12 december 2013, C-327/12, punt 27 (SOA); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 206 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 49 (Alstom); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 198 (Lucchini); Gerecht EU 12 december 2014, T-558/08, punt 282 (Eni); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 117 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 197 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 372 (SLM); HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 33 (Total); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 47 (Akzo Nobel); HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 36 (Skanska Industrial Solutions).
GvEA EG 10 maart 1992, T-11/89, punt 311 (Shell). Herhaald in GvEA EG 12 januari 1995, T-102/ 92, punt 50 (Viho); GvEA EG 20 maart 2002, T-9/99, punt 54 (HFB); GvEA EG 11 december 2003, T-66/99, punt 122 (Minoan); GvEA EG 31 maart 2009, T-405/06, punt 87 (ArcelorMittal); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 58 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 73 (The Dow); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 84 (Parker). Vide ook GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 331(Raiffeisen Zentralbank Österreich).
Vide HvJ EG 12 juli 1984, 170/83, punt 11 (Hydrotherm); GvEA EG 12 januari 1995, T-102/92, punt 50 (Viho); GvEA EG 20 maart 2002, T-9/99, punt 66 (HFB); GvEA EG 11 december 2003, T-66/99, punt 121 (Minoan); GvEA EG 15 september 2005, T-325/01, punt 85 (DaimlerChrysler); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 55 (Akzo Nobel); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 123 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 35 (General); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 53 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 37 (Arkema); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 95 (ArcelorMittal); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 58 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 73 (The Dow); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 48 (Bolloré); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 42 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 36 (Portielje); HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 103 (Schindler); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punten 57 en 59 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 207 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 50 (Alstom); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 199 (Lucchini); HvJ EU 9 juli 2015, C-231/14 P, punt 65 (InnoLux); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 117 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 197 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 372 (SLM); HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 33 (Total); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 48 (Akzo Nobel); HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 37 (Skanska Industrial Solutions).
Vide HvJ EG 14 juli 1972, 48/69, punt 140 (ICI); GvEA EG 12 januari 1995, T-102/92, punt 50 (Viho); GvEA EG 11 december 2003, T-66/99, punt 123 en 124 (Minoan); GvEA EG 15 september 2005, T-325/01, punt 85 (DaimlerChrysler); Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 179 (Fuji); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 58 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 73 (The Dow); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 200 (Lucchini).
Vide HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 39 (Philip Morris); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 56 en 77 (Akzo Nobel); HvJ EG 24 september 2009, gevoegde zaken C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, punt 77 (Erste); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 124 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 36 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 95 (ArcelorMittal); Gerecht EU 13 juli 2011, T-39/07, punt 60 (Eni); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 53 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 37 (Arkema); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 59 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 74 (The Dow); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 37 (Portielje); HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 104 (Schindler); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 201 (Lucchini); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 117 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 197 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 372 (SLM); HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 33 (Total); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 49 (Akzo Nobel). Vide ook Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 51 (Alstom); HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 30-32 (Skanska Industrial Solutions).
Vide HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 57 (Akzo Nobel); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 125 (Alliance); Gerecht EU 13 juli 2011, T-39/07, punt 60 (Eni); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 59 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 74 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 208 (Saint-Gobain); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 50 (Akzo Nobel). Vide ook GvEA EG 17 december 1991, T-6/89, punt 236 (Enichem Anic): ‘Wanneer het bestaan van een dergelijke inbreuk is bewezen, moet worden bepaald, welke natuurlijke of rechtspersoon de onderneming exploiteerde op het ogenblik waarop de inbreuk is begaan, ten einde [sic] deze aansprakelijk te stellen.’ Vide voorts HvJ EG 16 november 2000, C-279/98 P, punt 78 (Cascades); GvEA EG 11 december 2003, T-66/99, punt 122 (Minoan).
Vide GvEA EG 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, punt 978 (Limburgse Vinyl); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 125 (Alliance).
Vide HvJ EG 16 november 2000, C-297/98 P, punt 27 (SCA); GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 324 (Raiffeisen Zentralbank Österreich); Gerecht EU 9 september 2011, T-25/06, punt 215 (Alliance); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 87 (Parker); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 62 (Alstom); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 202 (Lucchini).
Vide HvJ EG 16 november 2000, C-297/98 P, punt 25 (SCA); GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 324 (Raiffeisen Zentralbank Österreich); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 88 (Parker).
Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 85 (Parker).
Ibid.
Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 85-86 (Parker).
Kort gezegd: als de entiteit die de inbreuk heeft begaan, rechtens of economisch gezien heeft opgehouden te bestaan; vide HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 40 (Philip Morris); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 89 (Parker); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 203 (Lucchini). Vide ook Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 151 (Hit); Gerecht EU 16 juni 2011, T-194/06, punt 57-58 (SNIA).
Vide Gerecht EU 3 maart 2011, T-117/07 en T-121/07, punt 66 (Areva); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 150 (Hit).
Vide Gerecht EU 3 maart 2011, T-117/07 en T-121/07, punt 66 (Areva); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt en 151 en 154 (Hit). Vide ook Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 89 (Parker). Vide over dat criterium uitvoerig de conclusie, onder 75 et seq., van A-G Kokott bij HvJ EG 11 december 2007, C-280/06 (Philip Morris).
In de Engelse vertaling van de arresten wordt gesproken van ‘sales’.
Vide HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 41 (Philip Morris); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 89 (Parker); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 204 (Lucchini); HvJ EU 18 december 2014, C-434/13 P, punt 40 (Parker); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 150 (Hit). In iets andere bewoordingen HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk,Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 46 (Skanska Industrial Solutions).
Vide HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 42 (Philip Morris); Gerecht EU 9 september 2011, T-25/06, punt 216 (Alliance); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 90 (Parker); HvJ EU 18 december 2014, C-434/13 P, punt 40 (Parker); HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 38 (Skanska Industrial Solutions). Vide ook Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 95 (Parker): ‘Op grond van het criterium van de economische continuïteit mag de Commissie dus een sanctie opleggen aan een andere rechtspersoon dan die welke de inbreuk heeft gepleegd, niettegenstaande de juridische constructies die ertoe strekken om binnen een en dezelfde onderneming op kunstmatige wijze [curs. RPJ] te verhinderen dat sancties worden opgelegd voor inbreuken op het mededingingsrecht die zijn gepleegd door één of meer van de rechtspersonen waaruit die onderneming is samengesteld.’
HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 43-44 (Philip Morris).
Vide GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 325 (Raiffeisen Zentralbank Österreich); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 205 (Lucchini); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 151 (Hit).
Vide GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 326-328 (Raiffeisen Zentralbank Österreich). Vide ook HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, JOR 2019/151, m.nt. S.A. van Dijk, Ondernemingsrecht 2019/74, m.nt. B.J. Drijber, punt 39-40 (Skanska Industrial Solutions). Voor een ander voorbeeld zie men de laatstgenoemde uitspraak. Daarin verklaarde het Hof van Justitie voor recht dat art. 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin ‘alle aandelen in de vennootschappen die hebben deelgenomen aan een door dat artikel verboden mededingingsregeling, zijn verkregen door andere vennootschappen, die de eerstgenoemde vennootschappen hebben ontbonden en hun commerciële activiteiten hebben voortgezet, de verkrijgende vennootschappen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door die mededingingsregeling veroorzaakte schade’.
Vide GvEA EG 31 maart 2009, T-405/06, punt 108-109 (ArcelorMittal); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 206 (Lucchini); HvJ EU 18 december 2014, C-434/13 P, punt 49-53 (Parker); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punt 46-47 (Parker). Vide ook Gerecht EU 13 juli 2011, T-39/07, punt 117 (Eni); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punt 91 (Parker).
Vide GvEA EG 31 maart 2009, T-405/06, punt 110 (ArcelorMittal); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 207 (Lucchini). Vide ook Gerecht EU 3 maart 2011, T-117/07 en T-121/07, punt 67-69 (Areva); Gerecht EU 13 juli 2011, T-39/07, punt 117 (Eni); Gerecht EU 13 juli 2011, T-59/07, punt 125 (Polimeri); Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 92 (Parker); HvJ EU 18 december 2014, C-434/13 P, punt 40 (Parker); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punt 91 (Parker). Vide bovendien Gerecht EU 17 mei 2013, T-146/09, punt 96 (in punt 98 wordt daarnaar verwezen) (Parker): ‘Het begrip economische continuïteit heeft echter niet tot doel de mogelijkheid te bieden een andere onderneming voor die inbreuk aansprakelijk te stellen dan die welke de inbreuk heeft gepleegd, in voorkomend geval via de rechtspersonen waaruit zij bestaat (…), tenzij die twee ondernemingen zelf economisch en organisatorisch zijn verenigd door structurele verbanden (…) of de overdracht van de rechtspersoon die de inbreuk heeft gepleegd aan een derde een manoeuvre vormt, met andere woorden is geschied op andere voorwaarden dan de marktvoorwaarden, met het doel aan de sancties van het mededingingsrecht te ontsnappen [curs. RPJ] (…).’
Vide GvEA EG 31 maart 2009, T-405/06, punt 110 (ArcelorMittal); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 207 (Lucchini).
GvEA EG 31 maart 2009, T-405/06, punt 110 (ArcelorMittal).
Vide HvJ EG 11 december 2007, C-280/06, punt 40 (Philip Morris); Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 203 (Lucchini).
Vide HvJ EG 14 juli 1972, 48/69, punt 132 (ICI); GvEA EG 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, punt 960 (Limburgse Vinyl); HvJ EG 16 november 2000, C-286/ 98 P, punt 26 (Stora); HvJ EG 24 september 2009, gevoegde zaken C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, punt 80 (Erste); Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 180 (Fuji); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 79 (EI du Pont); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 38 (Bolloré). Vide ook HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 100 (ArcelorMittal): ‘[D]at (…) de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen noch het persoonlijke karakter van de sancties eraan in de weg staat dat de Commissie aan een moedermaatschappij een geldboete oplegt voor een inbreuk die is gepleegd door een 100%-dochteronderneming van die moedermaatschappij.’
Daaruit volgt dat het (niet zelfstandig kunnen bepalen van het) marktgedrag van de dochtermaatschappij niet de enige factor kan zijn op grond waarvan haar moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld; dit is een van de aanwijzingen voor het bestaan van een economische eenheid. Vide HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 73 (Akzo Nobel). Vide ook de conclusie, onder 87, van A-G Kokott bij dit arrest.
Vide HvJ EG 14 juli 1972, 48/69, punt 133-135 (ICI); HvJ EG 25 oktober 1983, 107/82, punt 49 (AEG); GvEA EG 1 april 1993, T-65/89, punt 149 (BPB); GvEA EG 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, punt 960 (Limburgse Vinyl); HvJ EG 16 november 2000, C-286/98 P, punt 26 (Stora); GvEA EG 27 september 2006, T-314/01, punt 135 (Avebe); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 58 (Akzo Nobel); HvJ EG 24 september 2009, gevoegde zaken C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, punt 80 (Erste); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 37 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 96 (ArcelorMittal); Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 180 (Fuji); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 54 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 38 (Arkema); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 38 en 40-41 (Bolloré); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 43 (Alliance); HvJ EU 8 mei 2013, C-508/11 P, punt 46 (Eni); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 38 (Portielje); HvJ EU 18 juli 2013, C-499/11 P, punt 48 (The Dow); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 41 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 52 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 209 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 52-53 (Alstom); Gerecht EU 12 december 2014, T-558/08, punt 283 (Eni); HvJ EU 24 juni 2015, gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P, punt 75 (Del Monte); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 118-119 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en 414/10, punt 198-199 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punt 373 (SLM); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 93-94 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 27 (AlzChem); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punt 45 (Toshiba); HvJ EU 26 januari 2017, C-625/13 P, punt 146 (Villeroy & Boch); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 51-53 (Akzo Nobel). Vide ook HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 34-35 (Total).
De Commissie is niet gehouden met voorrang na te gaan of aan de voorwaarden waaronder de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie zijdens de dochtermaatschappij kan worden toegerekend, is voldaan en, zo ja, het boetebesluit vervolgens te richten aan de moedermaatschappij; vide HvJ EG 24 september 2009, gevoegde zaken C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, punten 82 en 85 (Erste); HvJ EU 18 juli 2013, C-499/11 P, punt 49 (The Dow). Vide ook Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 212 (Lucchini).
De Commissie mag haar boetebeschikking zowel aan de moedermaatschappij als aan haar dochtermaatschappij richten, met dien verstande dat zij aantoont dat (i) zij beide één onderneming vormen en (ii) deze onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen; vide Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 67 (Alstom). Vide ook GvEA EG 14 december 2006, gevoegde zaken T-259/02 tot en met T-264/02 en T-271/02, punt 331 (Raiffeisen Zentralbank Österreich); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punten 49-50 en 52 (Bolloré). Vide tevens GvEA EG 1 april 1993, T-65/89, punt 154 (BPB). Overigens noem ik GvEA EG 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, punt 989 (Limburgse Vinyl), Gerecht EU 27 september 2012, T-343/06, punt 52 (Shell), Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 131 (Hit) en Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punten 214 en 246 (Socitrel), waaruit volgt dat zelfs in de situatie waarin het concern bestaat uit een tal van werkmaatschappijen, de moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld voor een door een van haar dochtermaatschappijen gepleegde inbreuk.
Vide HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 110 (Schindler); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 219 (Saint-Gobain).
Vide HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 59 (Akzo Nobel); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 38 (General); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 55 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 39 (Arkema); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 44 (Alliance); HvJ EU 8 mei 2013, C-508/11 P, punt 46 (Eni); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 39 (Portielje); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 42 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 53 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 209 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 53 (Alstom); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 119 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punt 199 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punten 374 en 387 (SLM); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 94 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 27 (AlzChem). Vide ook HvJ EG 6 maart 1974, gevoegde zaken 6 en 7/73, punt 41 (Commercial Solvents); GvEA EG 20 maart 2002, T-9/99, punt 66 (HFB); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punten 61 en 77 (Akzo Nobel); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punten 40 en 89 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 98 (ArcelorMittal); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 41 (Arkema); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 57 (Elf); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 47 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 41 (Portielje); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 213 (Saint-Gobain); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punten 141 en 143-144 (Parker). Daaraan doet niet af als de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij ten tijde van de vaststelling van de beschikking tot de oplegging van een geldboete niet langer een economische eenheid vormden, nu het erom gaat of er van zulk een eenheid sprake was ten tijde van de inbreuk; vide Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 63 (Alstom).
Vide HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 59 (Akzo Nobel); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punten 38 en 85 (General); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 55 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 39 (Arkema); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 106 (The Dow); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 76 (EI du Pont); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 44 (Alliance); HvJ EU 8 mei 2013, C-508/11 P, punt 46 (Eni); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 39 (Portielje); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 42 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 53 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 209 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punten 53 en 67 (Alstom); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 119 en 147 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punt 199 (Socitrel); Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punt 374 (SLM); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punten 94 en 105 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 27 (AlzChem); HvJ EU 26 januari 2017, C-625/13 P, punt 148 (Villeroy & Boch). Vide ook Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 127 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 102 (General); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 210 en 240 (Saint-Gobain). Vide daarnaast Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 37 (Bolloré): ‘[K]an evenmin worden betwist dat de toerekening aan de moederonderneming van de door haar dochteronderneming gemaakte inbreuk op grond dat deze ondernemingen één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie vormen en de moederonderneming dus net als haar dochter kan worden geacht aan de inbreuk te hebben deelgenomen [curs. RPJ] (…).’ Op dat spoor zit ook Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 136 (Toshiba); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punt 56 (Akzo Nobel).
Vide HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 42-45 (Portielje).
Vide HvJ EG 14 juli 1972, 48/69, punt 125-142 (ICI). Vide ook J. Faull en A. Nikpay, The EU Law of Competition, Oxford: Oxford University Press 2014, p. 197, die – onder verwijzing naar, inter alia, het evengenoemde arrest – opmerkten ‘that parent companies, including those based outside the EU [curs. RPJ], can be held liable under Article 101 [VWEU, toev. RPJ] for the behaviour of their subsidiaries operating within the EU, since the undertaking as a whole is active there [curs. RPJ]’. Vide voorts A. Jones en B. Sufrin, EU Competition Law. Text, Cases, and Materials, Oxford: Oxford University Press 2014, p. 142: ‘[T]he single economic entity doctrine avoids the need for the extraterritorial application of EU competition law. The doctrine enables the competition rules to be applied to companies outside the jurisdiction without recourse to the more controversial “implementation” or “effects” doctrines.’
Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punt 387 (SLM).
Ibid., punt 388.
Vide GvEA EG 20 april 1999, gevoegde zaken T-305/94, T-306/94, T-307/94, T-313/94, T-314/94, T-315/94, T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, punt 984 (Limburgse Vinyl); HvJ EG 16 november 2000, C-286/98 P, punt 28 (Stora); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punten 61 en 62 (Akzo Nobel); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 130-131 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punt 40 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punt 98-99 (ArcelorMittal); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 57 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 41 (Arkema); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 62 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 77 (The Dow); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 47 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 41 (Portielje); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 212-213, 222-223, 239 en 241-242 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punt 55 (Alstom); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 122-123, 127 en 144 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punt 376 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punten 202-203, 210, 213, 228 en 248 (Socitrel); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 121 (Toshiba). Vide mede Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 101 (Toshiba), waarin werd gesproken van het ‘commerciële gedrag’. Vide ook de conclusie, onder 107-109, van A-G Kokott bij HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P (Schindler). Vide voorts Faull en Nikpay, l.s.c.: ‘Put differently, a subsidiary cannot be said to be acting independently where the parent company actually exercises decisive influence over its commercial policy [curs. RPJ].’
Vide HvJ EG 25 oktober 1983, 107/82, punt 50 (AEG); GvEA EG 27 september 2006, T-314/01, punt 136 (Avebe); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punten 128 en 165 (Alliance); Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 181 (Fuji); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 44 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 55 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punt 311 (Saint-Gobain); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 95 (Toshiba); HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 35 (Total). Vide ook HvJ EG 14 juli 1972, 48/69, punt 137 (ICI). Vide voor kritiek op de eis van het door de moedermaatschappij daadwerkelijk uitoefenen van beslissende invloed op haar dochtermaatschappij Wils, op. cit., p. 175-176 en 184. Op p. 175 merkte hij – naar mijn mening: terecht – het volgende op: ‘Indeed, if the parent company has the possibility to exercise decisive influence over the strategic commercial behaviour of the subsidiary, the subsidiary cannot have real freedom to determine its course of action on the market. Even if the parent company happened not to actually exercise its influence, the subsidiary’s apparent freedom would only exist by the parent company’s grace, which could change at any time. It would thus not be real freedom.’
Vide HvJ EU 24 juni 2015, gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P, punt 78 (Del Monte); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 99 (Toshiba); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punt 48 (Toshiba). Vide voor de situatie waarin twee moedermaatschappijen elk een 50%-aandeel in een (inbreukmakende) joint venture hebben, HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 47 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 58 (The Dow); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punt 48 (Toshiba).
Vide Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 130 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punt 244 (Socitrel).
Vide Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 182 (Fuji); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 96 (Toshiba). In de Nederlandse versie wordt gesproken van ‘maatschappelijk kapitaal’, terwijl in de Engelse versie wordt gesproken van ‘share capital’. Laatstgenoemd lijkt mij in deze context de juiste term. Vandaar dat ik spreek van ‘aandelenkapitaal’.
Ibid, punt 183 respectievelijk punt 97. In deze uitspraken liep die zin nog door met, ik citeer de laatstgenoemde uitspraak, ‘en die, indien zij volgens de methode van de reeks overeenstemmende juridische of economische aanwijzingen worden onderzocht, het bewijs leveren van het feit dat beslissende invloed wordt uitgeoefend op het marktgedrag van de dochteronderneming’, maar dat zinsdeel is hier niet van belang.
Vide Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 184 (Fuji); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 100 (Toshiba).
Bij het schrijven van deze volzin heb ik ook met een schuin oog gekeken naar de Engelse versie (de procestaal was Engels; vide * onderaan het arrest) van dit arrest. Zo kan namelijk betwijfeld worden of het vertalen van ‘authority as agents’ in ‘bestuursbevoegdheid’, zoals gebeurd is in de Nederlandse versie, wel juridisch zuiver is. Daarom heb ik de Engelse versie geciteerd.
Vide Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, punt 184 (Fuji); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 100 (Toshiba). Vide ook Gerecht EU 9 december 2014, T-91/10, punt 224 (Lucchini), waarin werd overwogen dat uit de rechtspraak blijkt dat – om de economische eenheid van vennootschappen aan te tonen – het innemen van sleutelposities in de beheersorganen (in de Engelse versie: ‘management bodies’) van verschillende vennootschappen een element is waarmee rekening moet worden gehouden. Vide voorts Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 213 (vide ook punt 228) (Socitrel), waarin is overwogen dat de vertegenwoordiging van de moedermaatschappij in de bestuursorganen (in de Engelse versie wederom: ‘management bodies’) van haar dochtermaatschappij relevant bewijs vormt dat eerstgenoemde beslissende invloed op het commerciële beleid van laatstgenoemde uitoefent. Dat, naar nationaal recht, de bestuurders van de moedermaatschappij haar niet vertegenwoordig(d)en als (toen) zij in het bestuur van haar dochtermaatschappij zetel(d)en, is niet ter zake dienend, waartoe redengevend is dat een vennootschap zich niet op een nationale regeling kan beroepen om aan de toepassing van de Unierechtsregels te ontsnappen, nu de in het Unierecht gehanteerde rechtsbegrippen in beginsel in de gehele Unie eenvormig moeten worden uitgelegd en toegepast; vide Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 243 (Socitrel). Vide mede HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 68 (Portielje), waarin werd overwogen dat een economische eenheid ook kan ontstaan door het bestaan van een ‘personele vervlechting’ tussen de juridische entiteiten die zulk een eenheid vormen.
Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 100 (Toshiba).
Ibid.
De Commissie behoeft zich niet uitsluitend op dat (bewijs)vermoeden te baseren; niets belet haar immers om door middel van (een combinatie van) andere bewijselementen en dat vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochtermaatschappij uitoefent. Vide HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 49 (Alliance).
Vide ook HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punten 57-58 en 60-61(Akzo Nobel). In een situatie waarin (a) de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ‘uitsluitend’ is afgeleid van die van haar dochtermaatschappij en (b) het aan de moedermaatschappij verweten gedrag niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element, kan de aansprakelijkheid van die moedermaatschappij niet verder gaan dan die van haar dochtermaatschappij; vide HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 38 (Total).
Dat het moeilijk is om in het kader van de weerlegging van het hier bedoelde vermoeden het noodzakelijke tegenbewijs te leveren, impliceert volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie op zich niet dat het evenbedoelde vermoeden de facto onweerlegbaar (probatio diabolica) is, met name niet wanneer de entiteiten waartegen het werkt, zelf het beste in staat zijn om dat bewijs in hun eigen activiteitensfeer te zoeken; vide HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 44 (AlzChem).
HvJ EU 8 mei 2013, C-508/11 P, punt 68 (Eni).
Vide HvJ EG 16 november 2000, C-286/98 P, punt 29 (Stora); GvEA EG 27 september 2006, T-314/01, punt 136 (Avebe); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 60-61 (Akzo Nobel); Gerecht EU 27 oktober 2010, T-24/05, punt 129-132 (Alliance); HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09 P, punten 39-40 en 84-90 (General); HvJ EU 29 maart 2011, gevoegde zaken C-201/09 P en C-216/09 P, punten 97-98 en 100 (ArcelorMittal); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 56-57 (Elf); HvJ EU 29 september 2011, C-520/09 P, punt 40-41 (Arkema); Gerecht EU 27 juni 2012, T-372/10, punt 44 (Bolloré); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 46-47 (Alliance); HvJ EU 8 mei 2013, C-508/11 P, punten 47-48, 63 en 67 (Eni); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punt 40-41 (Portielje); HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 108-109 (Schindler); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 45 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 56 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 211-213, 216 en 221 (Saint-Gobain); Gerecht EU 27 november 2014, T-517/09, punten 54-58 en 102 (Alstom); Gerecht EU 12 december 2014, T-558/08, punten 284 en 290 (Eni); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 120, 122-123 en 138 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10 en T-419/10, punten 375-376, 382, 384, 386 en 390 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, T-413/10 en T-414/10, punten 201-203 en 237 (Socitrel); HvJ EU 17 september 2015, C-597/13 P, punt 36 (Total); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 28-31 (AlzChem); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punt 54 (Parker); HvJ EU 26 januari 2017, C-625/13 P, punt 147-148 (Villeroy & Boch); HvJ EU 27 april 2017, C-516/15 P, punten 54-55 (Akzo Nobel).
Het Gerecht moet zijn beoordeling baseren op feiten die zich ‘tijdens de inbreukperiode’ hebben voorgedaan, onverminderd de mogelijkheid om rekening te houden met gegevens aangaande ‘een eerdere periode, voor zover het kan aantonen dat deze gegevens relevant zijn voor de inbreukperiode en het de conclusies die uit de beoordeling van deze oudere gegevens voortvloeien niet automatisch toepast op de inbreukperiode’; vide HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 34 (AlzChem).
Vide GvEA EG 12 december 2007, T-112/05, punt 65 (Akzo Nobel); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 74 (Akzo Nobel), mede onder verwijzing naar punt 64 van de voornoemde uitspraak; HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punt 58 (Elf); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 45 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punten 60 en 66 (Portielje); Gerecht EU 13 juli 2011, T-138/07, punt 86 (Schindler); HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 112 (Schindler); HvJ EU 26 september 2013, C-172/12 P, punt 43 (EI du Pont); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 54 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 214, 218 en 221 (Saint-Gobain); GvEA 12 december 2014, T-558/08, punt 285 (Eni); HvJ EU 24 juni 2015, gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P, punten 76 en 87 (Del Monte); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 126 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 381 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 209 en 238 (Socitrel); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 32-33 (AlzChem); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punt 54 (Parker); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punten 46 en 66 (Toshiba); HvJ EU 26 januari 2017, C-625/13 P, punt 148 (Villeroy & Boch). Vide ook HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 39 (AlzChem), alwaar het Hof van Justitie oordeelde dat de Unierechter bij zijn onderzoek of het vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed is weerlegd, ‘alle overlegde bewijzen’ in aanmerking moet nemen. In de Unierechtspraak worden veelal louter de economische, organisatorische en juridische banden genoemd. Maar vide bijvoorbeeld HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 58 (Akzo Nobel), waarin werd gesproken van ‘inzonderheid gelet op’ die banden, hetgeen ruimte laat voor het rekening houden met andere factoren.
Vide HvJ EU 24 juni 2015, gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P, punt 77 (Del Monte); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punt 47 (Toshiba).
Vide bijvoorbeeld GvEA EG 12 december 2007, T-112/05, punten 62, 64, 67 en 80 (Akzo Nobel); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punt 102-103 (Alliance); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 212, 213, 222-223, 239, 241-242, 310-311 en 450 (Saint-Gobain); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 122-123, 127 en 144 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 202-203, 210, 213, 228 en 248 (Socitrel); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 121 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 36 (AlzChem).
Vide voetnoot 230 infra.
Vide bijvoorbeeld GvEA EG 12 december 2007, T-112/05, punten 58, 62 en 67 (Akzo Nobel); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 60-61 (Akzo Nobel); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punten 54, 57-58 (Elf); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punten 43, 45-47 en 102-103 (Alliance); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punten 38 en 40-41 (Portielje); HvJ EU 26 september 2013, C-179/12 P, punt 68-69 (The Dow); Gerecht EU 27 maart 2014, gevoegde zaken T-56/09 en T-73/09, punten 213, 221-222, 237, 239, 241-243, 309-310 (Saint-Gobain); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 122 en 126-127 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 376 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 202, 209-210 en 248 (Socitrel); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punten 96-97, 100-101, 117 en 120 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punten 27, 29, 33 en 36 (AlzChem).
Vide voetnoot 196 supra.
Vide daaromtrent HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 66-70 (Akzo Nobel).
Vide Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 127 en 144 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 210 en 248 (Socitrel). Vide tevens Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 121 (Toshiba). Vide ook GvEA EG 12 december 2007, T-112/05, punt 63-65 (Akzo Nobel); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 67-69 (Akzo Nobel); conclusie, onder 86 en 89, van A-G Kokott bij het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie inzake Akzo Nobel; Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 62 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 77 (The Dow). In HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11 P, punt 112 (Schindler) overwoog het Hof van Justitie dat, om uit te maken of een dochtermaatschappij zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren aangaande de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze en haar moedermaatschappij en dat het commerciële beleid ‘dus’ slechts een van de betrokken factoren is en deze behoeft bovendien niet ‘restrictief’ te worden uitgelegd. Deze Unierechter hanteert hiermee een andere benaderingswijze dan ik, aangezien hij, in het kader van de beantwoording van vraag of een dochtermaatschappij autonoom haar marktgedrag bepaalt, het commerciële beleid slechts als een ‘factor’ naast die ter zake van de vorenbedoelde banden ziet terwijl ik dat beleid juist níét als zodanig zie. Mijns inziens ziet het commerciële beleid echter op, of, zuiverder uitgedrukt, vertaalt zich in, (het) gedrag van een vennootschap op een bepaalde markt. Het gaat in de door mij voorgestane benadering, zo begrijp ik de Unierechtspraak ook, dan ook om de beantwoording van de vraag of een dochtermaatschappij haar commerciële beleid – en daarmee haar marktgedrag – autonoom bepaalt, bij de beantwoording waarvan de factoren zoals die ter zake van de eerdergenoemde banden in aanmerking moeten worden genomen. Wat betreft het niet restrictief uitleggen van het begrip ‘commerciële beleid’, houdt dat kennelijk verband met de discussie naar aanleiding van de Akzo Nobel-zaak (vide het hierboven aangehaalde), te weten of er bij de beoordeling van de voormelde vraag alleen rekening moet worden gehouden met factoren betreffende het prijsbeleid, de brutomarges, de marketing, etc., of dat er ook rekening moet worden gehouden met die ter zake van de hier bedoelde banden. In die zaak is door het Hof van Justitie uitgemaakt dat dat laatste het geval is. Ik lees daarin evenwel niet een keuze voor een ruime of beperkte opvatting aangaande het begrip commerciële beleid. Het gaat om de beoordeling van het commerciële beleid sensu stricto, namelijk het marktgedrag. Dat bij de beoordeling daarvan al dan niet een waaijer aan factoren in aanmerking moet worden genomen, brengt daarin geen verandering, nu de vraag naar de draagwijdte van het begrip ‘commercieel beleid’ onderscheiden moet worden van de vraag naar de reikwijdte van de factoren die bij de beoordeling daarvan in aanmerking moeten worden genomen. Eerst komt de eerstbedoelde vraag aan de orde, waarop het antwoord luidt dat die beperkt is, namelijk louter marktgedrag, en vervolgens de laatstbedoelde, waarop het antwoord luidt dat die ruim is, namelijk mede factoren aangaande de bovenbedoelde banden.
Vide bijvoorbeeld GvEA EG 12 december 2007, T-112/05, punten 58 en 67 (Akzo Nobel); HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punten 58, 61 en 72-74 (Akzo Nobel); HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11 P, punten 38 en 42 (Portielje); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punten 93, 95-97, 100, 117 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 33 (AlzChem); Gerecht EU 14 juli 2016, T-146/09 RENV, punten 51 en 53-54 (Parker); HvJ EU 18 januari 2017, C-623/15 P, punten 45-46, 49-51 en 66 (Toshiba). Vide ook de conclusie, onder 86 et seq., van A-G Kokott bij HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P (Akzo Nobel).
HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punt 73 (Akzo Nobel).
Vide voetnoot 231 supra.
Vide Gerecht EU 16 juni 2011, T-197/06, punt 105 (FMC); Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 127 en 144 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 210 en 248 (Socitrel).
Als door de moedermaatschappij aan haar dochtermaatschappij instructies worden gegeven, dan is het niet nodig dat laatstgenoemde álle instructies van eerstgenoemde opvolgt om het bestaan van een beslissende invloed aan te tonen, zolang het maar niet de regel is dat zij níét worden opgevolgd; vide HvJ EU 24 juni 2015, gevoegde zaken C-293/13 P en C-294/13 P, punt 96 (Del Monte); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 41 (AlzChem). Vide ook Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punt 129 (Hit) en Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 212 (Socitrel), waarin het Gerecht overwoog dat het feit dat uit geen enkel dossierstuk blijkt dat de moedermaatschappij enige instructie, of aanbeveling, aan haar dochtermaatschappij heeft gegeven, niet kan bewijzen dat die niet heeft bestaan.
Vide Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 62 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 77 (The Dow); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 121 (Toshiba).
Ibid.
Ibid.
Vide bijvoorbeeld HvJ EG 10 september 2009, C-97/08 P, punten 58, 60, 61, 63 en 72-74 (Akzo Nobel); HvJ EU 29 september 2011, C-521/09 P, punten 54, 56-58 en 60 (Elf); Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 62 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 77 (The Dow); HvJ EU 19 juli 2012, gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P, punten 43 en 45-46 (Alliance); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punten 95-97 en 100 (Toshiba); HvJ EU 16 juni 2016, C-155/14 P, punt 29 (AlzChem).
Vide Gerecht EU 2 februari 2012, T-76/08, punt 62 (EI du Pont); Gerecht EU 2 februari 2012, T-77/08, punt 77 (The Dow); Gerecht EU 9 september 2015, T-104/13, punt 121 (Toshiba).
Gerecht EU 15 juli 2015, T-436/10, punten 125 en 140 (Hit); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 395-396 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punten 208 en 240 (Socitrel).
Vide Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-389/10 en T-419/10, punt 410-411 (SLM); Gerecht EU 15 juli 2015, zaken T-413/10 en T-414/10, punt 252 (Socitrel).
In deze paragraaf zal, aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie1, worden onderzocht door welke lens er in het kader van art. 101 en 102 VWEU (voorheen: art. 81 respectievelijk 82 EG), alwaar wij het begrip ‘onderneming’2 tegenkomen, wordt gekeken naar het concern, en wel (mede) in de situatie waarin een op het Europese mededingingsrecht inbreukplegende dochtermaatschappij (statutair) in een lidstaat is gevestigd en haar moedermaatschappij (statutair) in een andere (lid)staat is gevestigd. Hieruit zou mogelijkerwijs inspiratie kunnen worden geput voor deel III van dit onderzoek over het ius constituendum.
Ongetwijfeld zal hiertegen door vennootschapsjuristen worden geobjecteerd.3 Men zal mij erop wijzen dat in het mededingingsrecht de bescherming van het publieke belang centraal staat,4 terwijl het ondernemingsrecht bescherming voor en binnen ondernemingen biedt.5 In het enquêterecht gaat het, behoudens art. 2:345, tweede lid, eerste volzin, BW, waarin staat dat de advocaat-generaal bij het ressortsparket om redenen van ‘openbaar belang’ een enquêteverzoek kan doen, om private partijen met dienovereenkomstige belangen. Ik vermag evenwel niet inzien waarom het soort lens waardoor naar een concern wordt gekeken af zou (moeten) hangen van het soort belang dat binnen een regeling of rechtsgebied centraal staat. Men sluit dan in het ene geval de ogen voor de economische realiteit en in het andere geval niet? Door het sluiten van de ogen verdwijnt die realiteit echter niet; zij blijft bestaan. Mijns inziens moet, ongeacht het centraal staande belang, het recht zoveel mogelijk aansluiten bij de economische realiteit; het recht is er namelijk niet voor zichzelf.
Welnu, luidens art. 101, eerste lid, VWEU zijn, voor zover hier van belang, alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, onverenigbaar met de interne markt en verboden. Krachtens art. 102 VWEU is het door een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op (een wezenlijk deel van) de interne markt onverenigbaar met de interne markt en verboden, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.
Het begrip ‘onderneming’6 omvat elke entiteit die, ongeacht de rechtsvorm daarvan en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, een ‘economische activiteit’, houdende het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt,7 uitoefent8 en onder dat begrip moet, in deze context, worden verstaan een ‘economische eenheid’, bestaande in een ‘unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, welke op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en kan bijdragen tot het begaan van een in die bepaling bedoelde inbreuk’,9 ook al wordt die eenheid, juridisch gezien, gevormd door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen.10
Het is, voor de toepassing van de mededingingsregels, niet beslissend dat twee vennootschappen formeel los van elkaar staan omdat zij beide rechtspersoonlijkheid bezitten, maar wel of hun marktgedrag dat van een eenheid is, reden waarom het – mede gelet op het bepaalde in art. 105, eerste lid, VWEU: voor de (Europese) Commissie – noodzakelijk kan zijn te onderzoeken of twee vennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid samen één onderneming of economische eenheid met een en hetzelfde marktgedrag vormen. 11
Indien laatstgenoemde de mededingingsregels van de Unie overtreedt, dient zij overeenkomstig het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen.12 De inbreuk op deze regels dient evenwel op ondubbelzinnige wijze te worden tóégerekend aan een rechtspersoon waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd,13 hetgeen kennelijk hiermee verband houdt dat een onderneming (economische eenheid) als zodanig niet beschikt over rechtspersoonlijkheid en bijgevolg geen zelfstandig draagster van rechten en plichten is (geen rechtssubject). Een en ander impliceert dat voor de toepassing en de tenuitvoerlegging van de (boete)beschikkingen van de Commissie er voor de door haar te verrichten handeling steeds een adressaat met rechtspersoonlijkheid moet worden gezocht.14
De (rechts)persoon die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gemaakt, is, in beginsel, voor de inbreuk aansprakelijk, ook al wordt die onderneming – op het tijdstip waarop de (boete)beschikking wordt gegeven, waarin de inbreuk wordt vastgesteld – onder de verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd.15 Zolang eerstgenoemde bestaat, volgt de aansprakelijkheid, voor het onrechtmatige (lees: inbreukmakende) gedrag van de onderneming, hem, zelfs indien de materiële en menselijke factoren met behulp waarvan die inbreuk is gepleegd, na de inbreukperiode aan derden zijn overgedragen.16
Een strafbaar feit kan op grond van het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid slechts worden toegerekend aan degene die deze heeft gepleegd.17 Voorts kan op grond van het beginsel van het persoonlijk karakter van straffen een straf aan niemand anders dan de schuldige worden opgelegd.18 Deze uit het strafrecht afkomstige fundamentele waarborgen vormende – en, volgens vaste rechtspraak, op het mededingingsrecht van de Unie van toepassing zijnde, nu de aansprakelijkheid voor het plegen van een inbreuk op de mededingingsregels in het licht van de aard van de betrokken inbreuk en van de aard en ernst van de daaraan verbonden sancties van persoonlijke aard is – beginselen verzetten zich er bijgevolg tegen dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die zelf geen feit als evengenoemd heeft gepleegd, aansprakelijk wordt gesteld.19
Niettemin kan, onder bijzondere omstandigheden,20 bij wijze van uitzondering, de aansprakelijkheid worden gelegd bij de nieuwe exploitant van de onderneming die de inbreuk heeft begaan, met dien verstande dat deze daadwerkelijk als (economische) opvolger van de oorspronkelijke exploitant kan worden beschouwd, in de zin dat hij die onderneming voortzet, zelfs indien laatstgenoemde op de datum der vaststelling van de beschikking waarbij die inbreuk wordt vastgesteld, nog steeds bestaat.21 Het aldus en uit dien hoofde verleggen van aansprakelijkheid (lees: afwijken van het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid) wordt in de jurisprudentie het criterium van de ‘economische continuïteit’ genoemd.22
Als er geen andere mogelijkheid zou bestaan een sanctie aan een andere entiteit dan die de inbreuk heeft begaan, op te leggen, dan zouden ondernemingen namelijk aan sancties kunnen ontsnappen door eenvoudigweg hun identiteit te veranderen door middel van herstructureringen, overdrachten23 of andere juridische of organisatorische wijzigingen, hetgeen zou indruisen tegen de doelstelling om met de mededingingsregels strijdige gedragingen te bestraffen en herhaling daarvan te voorkomen door middel van afschrikkende sancties.24 Daarom heeft een juridische of organisatorische wijziging, zoals het wijzigen van rechtsvorm en/of naam, van een entiteit die een inbreuk als hier bedoeld heeft begaan, niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat een nieuwe onderneming wordt gecreëerd die bevrijd is van de aansprakelijkheid voor de met het mededingingsrecht strijdige gedragingen van de voorafgaande entiteit als beide entiteiten, in economisch opzicht, ‘identiek’ zijn in de zin dat, uit economisch oogpunt, hun beider ondernemingen als ‘een en dezelfde onderneming’ zijn te beschouwen.25 De respectieve rechtsvormen van de entiteit die de inbreuk heeft begaan, en haar opvolger zijn dan ook niet ter zake dienend, ten gevolge waarvan de oplegging van de sanctie voor de overtreding aan die opvolger niet kan worden uitgesloten uit hoofde van het enkele feit dat deze laatste een andere rechtsvorm heeft en anders opereert dan de entiteit die hij opvolgt, noch is ter zake dienend dat tot de overdracht van activiteiten niet is besloten door particulieren, maar door de wetgever in het kader van een privatisering.26
Het vorenbedoelde criterium, uit hoofde waarvan een entiteit die niet zelf een inbreuk heeft begaan maar daar desondanks voor kan worden bestraft, vindt toepassing in bijzondere omstandigheden, zoals het geval waarin de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van de onderneming, na de inbreuk in juridische zin, door, bijvoorbeeld, een juridische fusie, heeft opgehouden te bestaan, in welke situatie eerst – kennelijk: door de Commissie – dient te worden uitgemaakt met behulp van welk samenstel van ‘materiële en menselijke factoren’ de inbreuk is begaan, om vervolgens te bepalen wie de exploitatie van dit samenstel van factoren heeft overgenomen.27 Wanneer, om bij dat voorbeeld te blijven, door, zo moet ’s hofs rechtspraak kennelijk worden verstaan, een juridische fusie een of meer rechtspersonen verdwijnen omdat zij door een andere reeds bestaande rechtspersoon of een nieuwe rechtspersoon worden opgeslokt, neemt de verkrijgende rechtspersoon immers hun activa en passiva – inclusief hun aansprakelijkheid voor inbreuken op de mededingingsregels – over, in welk geval de aansprakelijkheid voor de door de onderneming van de verdwijnende rechtsperso(o)n(en) gepleegde inbreuk aan de verkrijgende rechtspersoon kan worden toegerekend.28
Een andere situatie betreft die waarin de ene juridische entiteit, de oorspronkelijke exploitant, (een deel van) haar inbreukmakende economische activiteiten, haar inbreukmakende activa, aan een andere juridische entiteit, de nieuwe/verkrijgende exploitant, overdraagt in welk geval de nieuwe exploitant voor de inbreuk die de oorspronkelijke exploitant in het kader van de betrokken activiteiten heeft begaan, aansprakelijk kan worden gesteld, die inbreuk wordt dan aan de nieuwe exploitant toegerekend, indien er – op de datum waarop de eigenlijke (activiteiten)overdracht, waarvan de doelstelling, overigens, niet ter zake doet, heeft plaatsgevonden – tussen die entiteiten ‘structurele banden’ hebben bestaan – welke niet noodzakelijkerwijs moeten zijn blijven bestaan tijdens de gehele inbreukperiode of tot op het tijdstip waarop de inbreukbeschikking is vastgesteld, noch behoeven zij niet blijven te bestaan gedurende een zekere minimumperiode – op basis waarvan kan worden aangenomen dat zij één onderneming, één economische eenheid, vormden.29 Zulk een sanctietoepassing is in het bijzonder toelaatbaar wanneer die entiteiten ‘onder de controle van dezelfde persoon hebben gestaan en, gelet op de nauwe economische en organisatorische banden die hen verenigen, in wezen dezelfde commerciële beleidsrichtlijnen hebben toegepast’, hetwelk in het bijzonder geldt voor herstructureringen binnen een groep ondernemingen waarbij de oorspronkelijke exploitant niet noodzakelijkerwijs ophoudt juridisch te bestaan, maar zij zelf geen noemenswaardige activiteit meer uitoefent op de betrokken markt.30
Wanneer tussen de oorspronkelijke exploitant en de nieuwe exploitant van de aan de mededingingsregeling deelnemende onderneming een structurele band bestaat, kunnen zij zich immers, al dan niet opzettelijk, met behulp van de tot hun ter beschikking staande juridische herstructureringsmogelijkheden aan hun mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid onttrekken.31 Zo zou eerstgenoemde e.g. als gevolg van een interne herstructurering een lege huls kunnen worden,32 in welk geval het aan hem opleggen van een sanctie allicht geen afschrikkend effect heeft.33
Tot zover enkele preluderende opmerkingen. Thans ga ik nader in op het Europese mededingingsrecht in concernverhoudingen.
Dat een dochtermaatschappij rechtspersoonlijkheid bezit, is niet voldoende om de mogelijkheid uit te sluiten dat haar mededingingsverstorend gedrag aan de moedermaatschappij mag worden toegerekend.34 Het is namelijk vaste rechtspraak dat – de eigen rechtspersoonlijkheid van eerstgenoemde ten spijt – dit gedrag aan laatstgenoemde kan worden toegerekend, met name (!) wanneer de dochtermaatschappij ‘niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt’ maar in hoofdzaak de door haar moedermaatschappij verstrekte instructies volgt,35 een en ander in het bijzonder gezien de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten doen verenigen, omdat in zulk een situatie de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij deel uitmaken van één economische eenheid en zij dus één enkele ‘onderneming’ in hogerbedoelde zin vormen.36 Alsdan kán37 de Commissie haar boetebeschikking dus (mede)38, na de betrokkene te hebben gehoord en die beschikking te hebben vastgesteld,39 richten aan de moedermaatschappij,40 waarbij (i) zij niet behoeft aan te tonen41 dat deze (a) zelf bij de inbreuk betrokken was, (b) haar dochtermaatschappij tot het plegen van de inbreuk aanzette of (c) van de door haar dochtermaatschappij gepleegde inbreuk op de hoogte was en (ii) het van geen belang is (a) of deze zelf aan het begrip ‘onderneming’ in de hier bedoelde zin beantwoordt42 en (b) waar zij haar statutaire zetel (binnen of buiten de EU; vide ter illustratie het figuur in fine) heeft.43
De Commissie handelt daarmee niet in strijd met het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen (vide supra) – volgens welk beginsel, dat geldt in elke administratieve procedure die tot sancties uit hoofde van de mededingingsregels van de Unie kan leiden, een onderneming slechts een sanctie mag worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd – nu dat beginsel in overeenstemming moet worden gebracht met het begrip ‘onderneming’ als bedoeld in art. 101 VWEU: dé reden waarom de Commissie bevoegd is om het besluit waarbij geldboeten worden opgelegd, aan de moedermaatschappij te richten, is het feit dat zij en haar dochtermaatschappij samen één enkele onderneming in evenbedoelde zin vormen.44
Evenmin handelt zij, door van hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uit te gaan, in strijd met het uit het vennootschapsrecht binnen de Unie voortvloeiende beginsel van beperkte aansprakelijkheid van vennootschappen, nu deze aansprakelijkheid bedoeld is om een plafond voor hun financiële aansprakelijkheid in te voeren, ‘en niet om te voorkomen dat aan een onderneming die inbreuk op het mededingingsrecht heeft gemaakt, een sanctie wordt opgelegd via de juridische entiteiten waaruit zij bestaat en meer in het bijzonder de vennootschap die de inbreuk heeft gepleegd en haar moedermaatschappij’.45
Om het mededingingsverstorende/inbreukmakende gedrag van een dochtermaatschappij, de inbreukmaker, aan haar moedermaatschappij, de overkoepelende entiteit van een groep van ondernemingen/vennootschappen, te kunnen toerekenen dient – in beginsel: de Commissie – niet alleen vast te stellen dat laatstgenoemde beslissende invloed op het ‘marktgedrag’, waarmee kennelijk wordt bedoeld het commerciële beleid (vide infra),46 van eerstgenoemde kán uitoefenen, maar zal zij tevens – wil er sprake zijn van het niet zelfstandig kunnen bepalen van het marktgedrag zijdens de dochtermaatschappij en bijgevolg van één onderneming als gevormd door deze en haar moedermaatschappij uit hoofde waarvan het inbreukmakende gedrag van eerstgenoemde aan laatstgenoemde kan worden toegerekend – dienen aan te tonen, op grond van een geheel van feiten, dat de moedermaatschappij die invloed daadwerkelijk hééft uitgeoefend.47 Hierbij verdient opmerking dat (i) de omstandigheid dat twee onderling onafhankelijke moedermaatschappijen gezamenlijk zeggenschap over hun dochtermaatschappij uitoefenen, haar in beginsel niet belet om vast te stellen dat een van de eerstgenoemden samen met de laatstgenoemde een economische eenheid vormen, zelfs niet wanneer die moedermaatschappij ten opzichte van die andere moedermaatschappij een kleiner aandeel in het kapitaal van die dochtermaatschappij heeft,48 en (ii) zij niet behoeft te bewijzen dat de moedermaatschappij op het specifieke terrein waarop de inbreuk is gepleegd, op het beleid van haar dochtermaatschappij invloed uitoefent.49
In het algemeen kan een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochtermaatschappij, en in het bijzonder op haar marktgedrag, uitoefenen wanneer zij een meerderheidsparticipatie in het aandelenkapitaal van deze bezit.50Zij kan zulks ook doen met een minderheidsparticipatie, maar dan dient de moedermaatschappij over rechten te beschikken die verder gaan dan die normaal gesproken aan minderheidsaandeelhouders worden verleend met het oog op de bescherming van hun financiële belangen.51
Dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende zeggenschap over haar dochtermaatschappij heeft uitgeoefend, kan rechtstreeks blijken uit de implementatie van de toepasselijke wettelijke bepalingen of uit, in geval van een concern met een duale structuur, een overeenkomstig die bepalingen gesloten overeenkomst tussen de moedermaatschappijen aangaande het bestuur van hun gezamenlijke dochtermaatschappij.52 Bovendien vormt het feit dat op leidende posities van deze laatste veel personen aanwezig zijn die bestuursposten binnen de moedermaatschappij bekleden, een bewijs van de mate waarin deze bij het bestuur van haar dochtermaatschappij betrokken is, nu deze accumulatie van betrekkingen de moedermaatschappij – omdat haar bestuursleden er, in het kader van de uitoefening van hun leidinggevende functies binnen de dochtermaatschappij, op kunnen toezien dat de gedragslijn van deze op de markt strookt met het op het bestuursniveau van de moedermaatschappij uitgezette beleid, welk doel kan worden bereikt ook al hebben een of meer (personeels)leden van de moedermaatschappij die leidinggevende functies binnen haar dochtermaatschappij vervullen, geen ‘authority as agents’53 van de moedermaatschappij – noodzakelijkerwijs in een positie brengt waarin zij beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochtermaatschappij kan uitoefenen.54 Voorts kan de betrokkenheid van de moedermaatschappij bij het bestuur van haar dochtermaatschappij blijken uit de zakelijke betrekkingen tussen hen beide.55 Zo heeft een moedermaatschappij die tevens leverancier of klant is van haar dochtermaatschappij, er – teneinde ten volle te kunnen profiteren van de toegevoegde waarde van deze verticale integratie – bij uitstek belang bij de productie- of distributieactiviteiten van die laatste te sturen.56
Echter, indien de moedermaatschappij (in)direct het (nagenoeg) gehele kapitaal van haar dochtermaatschappij die een inbreuk op de mededingingsregels der (Europese) Unie heeft gemaakt, in handen heeft, kan eerstgenoemde beslissende invloed op het (markt)gedrag van laatstgenoemde uitoefenen en bestaat er een – weerlegbaar – vermoeden dat zij daarop ook daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent, welk vermoeden reeds in werking treedt als de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij op eerderbedoelde wijze het vorenbedoelde kapitaal bezit,57 in welk geval die beslissende invloed vaststaat en zij die moedermaatschappij dan – zonder dat zij nog aanvullend bewijs behoeft aan te dragen – aansprakelijk mag stellen voor het (inbreukmakende) gedrag van die dochtermaatschappij en haar samen met die laatste hoofdelijk mag veroordelen tot betaling van de aan laatstgenoemde opgelegde geldboete,58 tenzij de moedermaatschappij – en zij alleen – dat vermoeden weet te ontzenuwen door het overleggen van afdoende bewijzen die aantonen dat haar dochtermaatschappij haar marktgedrag (lees: commerciële beleid) zelfstandig bepaalt,59 dat zij ‘op bedrijfsvlak, maar ook op financieel vlak volledig zelfstandig kon handelen’,60 en zij dus samen geen economische eenheid – en bijgevolg geen onderneming in de zin van art. 101 of 102 VWEU – vormen.61
Om – in het kader van een eventueel, door de moedermaatschappij ingesteld, beroep tegen het boetebesluit van de Commissie – uit te maken of een dochtermaatschappij autonoom haar marktgedrag bepaalt, dient de Unierechter bij zijn beoordeling62 daarvan niet alleen rekening te houden met de door partijen aangedragen factoren/(bewijs)elementen ten bewijze van de, al dan niet beslissende, invloed die de moedermaatschappij heeft uitgeoefend op (i) het prijsbeleid, (ii) de productie- en distributieactiviteiten, (iii) de verkoopdoelstellingen, (iv) de brutomarges, (v) de verkoopkosten, (vi) de cashflow, (vii) de voorraden en/of (viii) de marketing, welke alle aspecten van het commerciële beleid zijn, van haar dochtermaatschappij, maar ook met alle door hen aangedragen relevante factoren/(bewijs)elementen ter zake van de (verenigende) economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten, en dus met de economische realiteit, welke factoren naar hun aard en belang kunnen variëren naargelang de kenmerken van elke zaak en waarvan bijgevolg geen uitputtende lijst kan worden opgesteld.63 Hierbij voegt zich dat de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed kan worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende (bewijs)elementen, ook al volstaat geen van deze op zich om daarvan te kunnen spreken.64
Hieromtrent zij, duidelijkheidshalve, nog het volgende opgemerkt. Bij het kunnen toerekenen van het inbreukmakende gedrag van de dochtermaatschappij aan haar moedermaatschappij speelt blijkens de Unierechtspraak het begrip ‘commercieel beleid’ een (hele) belangrijke rol.65 De moedermaatschappij moet, vanuit het perspectief van de Commissie, op dat beleid van haar dochtermaatschappij beslissende invloed uitoefenen dan wel, vanuit het perspectief van de moedermaatschappij, de dochtermaatschappij moet autonoom zijn in de bepaling daarvan. De vraag die in dit verband gesteld kan worden, is of bij de beoordeling daarvan moet worden uitgegaan van (1) het commerciële beleid in beperkte zin (dat beleid betreft louter het marktgedrag) of (2) het commerciële beleid in ruime zin (dat beleid is niet beperkt tot het marktgedrag).66 Bestudering van uitspraken van de Unierechters, in onderling verband en samenhang, doet bij mij de indruk wekken dat met ‘commercieel beleid’ het ‘marktgedrag’ wordt bedoeld;67 dat eerste vertaalt zich in dat laatste. Mij zijn geen uitspraken bekend die voeding geven aan de gedachte dat het begrip commercieel beleid ruimer is dan dat. Wat anders is, dat voor het kunnen toerekenen van het inbreukmakende gedrag van een dochtermaatschappij aan haar moedermaatschappij – waarvoor, het zij herhaald, sprake dient te zijn van één economische eenheid, van één onderneming – het niet zelfstandig kunnen bepalen van het commerciële beleid – en daarmee dus: van het marktgedrag – zijdens eerstgenoemde slechts een, maar wel een (hele) belangrijke (!), aanwijzing is;68 er kunnen ook meer of andere zijn. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de moeder- en haar dochtermaatschappij samen één onderneming in de zin van art. 101/102 VWEU vormen.
Vervolgens dient zich aan of bij de beantwoording van de vraag, de toetsing, of de dochtermaatschappij haar marktgedrag autonoom bepaalt, uitsluitend de – in de macht of invloedssfeer van haar moedermaatschappij gelegen – factoren aangaande het hierboven onder (i)-(viii) genoemde, de factoren die op directe wijze inwerken op (bepaalde aspecten van) het commerciële beleid en daarmee op het marktgedrag, in aanmerking moeten worden genomen (enge opvatting) of mede rekening moet worden gehouden met de – wederom: in de macht of invloedssfeer van haar moedermaatschappij gelegen – factoren betreffende de hogerbedoelde banden tussen hen beide, de factoren die op indirecte wijze inwerken op (bepaalde aspecten van) het commerciële beleid en daarmee op het marktgedrag (ruime opvatting).69 Zoals reeds eerder is gezegd, is dat laatste, zo volgt uit de Unierechtspraak, het geval. Men houde hierbij evenwel voor ogen dat, anders dan sommige uitspraken van het Gerecht lijken te suggereren,70 de ruime opvatting op dát punt níét erop wijst dat de Unierechter het commerciële beleid in ruime zin beoordeelt; het gaat immers in het kader van het toerekeningsvraagstuk – nog steeds – om de mate van invloed op (uiteindelijk) het marktgedrag van de inbreukmaker, en dus om het commerciële beleid in beperkte zin,71 zij het dat, zo breng ik in herinnering, ‘het marktgedrag van de dochteronderneming niet de enige factor kan zijn op grond waarvan de moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld, maar is het slechts een van de aanwijzingen voor het bestaan van een economische eenheid’.72
Tot – zo moet kennelijk ’s Gerechts uitspraken worden verstaan –73 met name de factoren aangaande het onder (i)-(viii) genoemde mag de bovenbedoelde toetsing van de Unierechter dan ook niet beperkt blijven, zodat het vermoeden van de uitoefening van beslissende zeggenschap inzonderheid niet door de moedermaatschappij kan worden weerlegd door enkel aan te tonen dat haar dochtermaatschappij die specifieke aspecten van haar commerciële beleid beheert zonder te dier zake instructies te ontvangen.74 De door de moedermaatschappij uitgeoefende beslissende invloed op het commerciële beleid van haar dochtermaatschappij behoeft immers niet noodzakelijkerwijs te blijken uit concrete instructies,75 richtlijnen of inspraakbevoegdheden ter zake van, kennelijk, het hiervoor onder (i)-(viii) genoemde, en bijgevolg kan de autonomie van de dochtermaatschappij niet noodzakelijkerwijs worden opgemaakt uit de afwezigheid van die instructies, nu zij ook daarzonder beslissende invloed daarop kan uitoefenen; dergelijke instructies zijn enkel een bijzonder duidelijke aanwijzing voor het bestaan van die invloed.76 Dat binnen een groep een uniform commercieel beleid wordt gevoerd, kan mede, op indirecte wijze, worden afgeleid uit het geheel van economische, (organisatorische?) en juridische banden die de moedermaatschappij en haar dochtermaatschappij doen verenigen.77 Zo kan de invloed van de voorlaatstbedoelde op de laatstbedoelde ten aanzien van (a) de strategie van de onderneming, (b) het ondernemingsbeleid, (c) de ondernemingsplannen, (d) de investeringen, (e) de capaciteiten, (f) de financiële middelen, (g) het personeel en (h) de juridische aangelegenheden indirect effecten hebben op het marktgedrag van deze en van de gehele groep.78
Kortom, de moedermaatschappij kan op diverse wijzen, direct of indirect, op een tal van terreinen, zowel die onder het commerciële beleid vallen (zie het genoemde onder (i)-(viii)) als die daarbuiten vallen (vide het genoemde onder (a)-(h)), en met behulp van verschillende middelen, waaronder inzonderheid instructies, invloed uitoefenen op het commerciële beleid – en daarmee het marktgedrag – van haar dochtermaatschappij. Waar het uiteindelijk om draait, is of de moedermaatschappij op grond van de mate van invloed het ‘gedrag’ – naar, gezien de context, kennelijk wordt bedoeld, althans mede onder wordt verstaan: het ‘marktgedrag’ (die woorden worden door de Unierechter(s) dikwijls door elkaar heen gebruikt) –79van haar dochtermaatschappij dusdanig kan sturen – en kennelijk: stuurt – dat zij beide als één economische eenheid, en bijgevolg, zo voeg ik toe, één onderneming in de zin van art. 101 of 102 VWEU, moeten worden beschouwd.80
Overigens breng ik nog onder de aandacht dat (i) de enkele omstandigheid dat de moedermaatschappij een (niet-operationele) holding(company) is, niet volstaat om uit te sluiten (om het vermoeden te weerleggen) dat zij beslissende invloed op haar dochtermaatschappij heeft uitgeoefend, nu, in de context van een groep van ondernemingen, een holding een onderneming is die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en tot taak heeft ervoor te zorgen dat zij, met name door de zeggenschap over de (financiële?) middelen, onder één bestuur staan,81 en (ii) voor de toerekening van een inbreuk op art. 101 VWEU aan een onderneming (lees: dochter- of moedermaatschappij) geen handelen of zelfs kennis van de ‘vennoten’ of de voornaamste ‘beheerders’ (‘managers’) van de bij de inbreuk betrokken onderneming vereist, maar volstaat het handelen van iemand die ‘gerechtigd is om voor rekening van de onderneming te handelen’.82