Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.4.2.2:5.4.2.2 Wilsgebreken
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.4.2.2
5.4.2.2 Wilsgebreken
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS501478:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie 4.5.3.1. en 4.5.3.2.
Zie 5.2.3.2.
Zie 1.3.
Zie 1.3.
Zie 2.11.
Op grond van artikel 3:49 BW kan vernietiging plaatsvinden door een buitengerechtelijke verklaring of op grond van een rechterlijke uitspraak.
Van bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW) is geen sprake aangezien bij rechtsvormwijziging niet iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt.
Zie onder 5.2.3.
In uitzonderlijke gevallen kan van dit uitgangspunt op grond van redelijkheid en billijkheid worden afgeweken aldus artikel 7:176 slot BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechtsvorm van de begiftigde op het moment van het aanvaarden van de schenking is van belang. Als op het moment van het aanvaarden van de schenking de rechtspersoon de rechtsvorm van stichting (nog) heeft, valt het bedrag onder de vermogensklem en dient, indien ten aanzien van de vermogensklem, de strikte leer wordt aangehangen1, dat bedrag besteed te worden conform het stichtingsdoel. De bestemming van die gelden is hetzelfde als wanneer geen rechts-vormwijziging zou plaatsvinden. Na rechtsvormwijziging kan geen andere bestemming aan dat stichtingsvermogen gegeven worden. Van een potentieel andere bestemming is geen sprake. De gelden zullen worden besteed overeenkomstig het oude stichtingsdoel dat de schenker voor ogen had. Wanneer de flexibele leer wordt aangehangen2, kan stichtingsvermogen uitsluitend na verkregen toestemming van de rechter een andere bestemming krijgen. Een beroep op dwaling komt dan ook niet snel aan de orde.
Indien de rechtspersoon van rechtsvorm is gewijzigd op het moment van aanvaarden van de schenking, geldt het volgende. Er zijn in elk geval twee redeneringen denkbaar. Rechtsvormwijziging heeft als gezegd3 elementen van continuïteit en discontinuïteit. De eerste redenering stelt de continuïteit van de rechtspersoon centraal terwijl in de tweede redenering discontinuïteit meer op de voorgrond staat.
De eerste redenering is als volgt. De rechtspersoon is en blijft dezelfde entiteit en dus kan de schenking aanvaard worden ook indien dat geschiedt na rechtsvorm-wijziging in een andere rechtsvorm. Het rechtspersonenrecht verhindert het aanvaarden van de schenking niet. De rechtspersoon is na rechtsvormwijziging dezelfde gebleven en is niet opgehouden te bestaan. De lijfrenteschenkingen lopen voor de resterende looptijd door ten gunste van de van rechtsvorm gewijzigde stichting op grond van de notariële akte. Deze opvatting heeft weinig oog voor het doel waarmee de schenking is verricht.
In de tweede redenering wordt rekening gehouden met de aard van de overeenkomst in het licht van de (dis)continuïteit van de rechtspersoon. De aard van de overeenkomst van schenking leidt ertoe dat meer gewicht toegekend moet worden aan de mate van discontinuïteit die het gevolg is van de aard van de rechts-vormwijziging. Een schenking wordt gedaan vanwege het doel van de rechtspersoon. Indien dat doel door rechtsvormwijziging verandert, levert dat discontinuïteit van de rechtspersoon op. Er is in dit geval geen wilsovereenstemming.4 Bij een overeenkomst van schenking, is de vorm van de rechtspersoon zo cruciaal dat de schenking niet aanvaard kan worden door een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Gezien de aard van de overeenkomst, schenking, leidt discontinuïteit in de rechtsvorm5 tot het ontbreken van wilsovereenstemming. Omdat er geen sprake is van wilsovereenstemming, komt geen overeenkomst van schenking tot stand.
Hier kan een parallel getrokken worden met de situatie die zich voordoet bij statutenwijziging en dan vooral indien het doel gewijzigd wordt. Indien de stichting van rechtsvorm wordt gewijzigd onder handhaving van het doel, zal er in beginsel voor de schenker geen reden zijn de bevoordeling niet aan de van rechtsvorm gewijzigde rechtspersoon te doen toekomen. Immers, het doel waarvoor de schenking is gegeven, wordt eveneens nageleefd door dezelfde rechtspersoon, zij het in een andere rechtsvorm.
Indien de stichting een ander doel krijgt door statutenwijziging of door rechts-vormwijziging, kan de situatie anders liggen. De bevoordeling zal dan anders besteed kunnen worden dan de schenker voor ogen had. Indien het doel een beperking van het doel ten tijde van de schenking had, zal als uitgangspunt gelden dat de schenking gehandhaafd blijft Immers, het doel maakt onderdeel uit van het oorspronkelijke doel dat schenker voor ogen had. Indien het doel verruimd wordt of het doel wijzigt in een geheel ander doel door statutenwijziging of rechtsvormwijziging, kan sprake zijn van een niet door de schenker gewenste besteding. Rechtsvormwijziging van een stichting vereist wel rechterlijke machtiging.6 Een rechter zal aandacht besteden aan het gegeven dat het doel wijzigt. In de regel zal een rechter machtiging verlenen indien statutair is vastgelegd dat eventuele voordelen voortvloeiend uit de periode voor rechts-vormwijziging van de stichting aangewend zullen worden voor het oorspronkelijke stichtingsdoel. Daar vallen dan ook toekomstige baten uit hoofde van schenkingen en andere bevoordelingen onder uit de periode voor rechtsvormwijziging van de stichting. Het doel van de stichting werkt via de vermogensklem op die manier door. In dat geval zal een schenker geen behoefte hebben de schenking aan te tasten aangezien zijn wil, te weten een bevoordeling ten gunste van de stichting met dat doel, ten uitvoer worden gelegd. Op een later moment kan eventueel een andere bestemming aan dat vermogen gegeven worden, maar pas na verkregen rechterlijke toestemming.
Een schenking kan vernietigd worden7 op grond van de algemene leerstukken over wilsgebreken; dwaling8, bedrog en misbruik van omstandigheden.9 Voor dwaling verwijs ik naar hetgeen hiervoor is opgemerkt.10 Met betrekking tot bedrog en misbruik van omstandigheden merk ik op dat sprake moet zijn van een wilsvorminggebrek. Daarvan is bij rechtsvormwijziging geen sprake aangezien de rechtsvormwijziging pas tot stand komt nadat de wil van de schenker zich door een verklaring heeft geopenbaard. Op moment van openbaring van de wil, was geen sprake van een gebrek aangezien de rechtsvormwijziging op dat moment niet beoogd dan wel voorzien was. Er is geen sprake van een onjuiste mededeling dan wel verzwijgen van een feit waarvoor een spreekplicht gold, wat voor bedrog vereist is. Voor misbruik van omstandigheden is onder meer causaal verband tussen de bijzondere omstandigheden en het aangaan van de rechtshandeling vereist. Daarvan zal bij een latere rechtsvormwijziging geen sprake zijn.
Met betrekking tot misbruik van omstandigheden11 geeft artikel 7:176 BW een aanvullende regeling voor schenking. Indien een notariële akte ontbreekt, heeft deze omkering van de bewijslast van het misbruik tot gevolg. Zonder notariële akte moet de schenker het misbruik te bewijzen terwijl bij aanwezigheid van een notariële akte de begiftigde het afwezig zijn van misbruik moet aantonen.12 De notariële akte kan ook na de totstandkoming van de schenking worden opgemaakt. Indien dat geschiedt, zal de notaris zich er van vergewissen dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Deze regeling strekt ertoe met de belangen van schenker en begiftigde rekening te houden.