De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.4:23.4 De stuitende werking van onderhandelingen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.4
23.4 De stuitende werking van onderhandelingen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371348:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft bepaald dat onderhandelingen op zichzelf de verjaring niet stuiten: ook als partijen in onderhandeling zijn, geldt dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke verklaring is vereist waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 BW). Maar: als tussen partijen in het kader van de onderhandelingen correspondentie is gevoerd, en dat zal veelal zo zijn, zal men de door de benadeelde in dat kader gedane uitingen over het algemeen kunnen kwalificeren als verklaringen in de zin van art. 3:317 BW, zodat in de meeste gevallen de regel dat de onderhandelingen op zichzelf de verjaring niet stuiten, van geen betekenis is. Toch doet de praktijkjurist er goed aan voor de zekerheid ook een stuitingsbrief te sturen die aansluit bij de tekst van art. 3:317 BW.
In het tweede deel van dit boek werd uitvoerig ingegaan op het arrest waarin de Hoge Raad bepaalt dat aan onderhandelingen op zichzelf geen stuitende werking toekomt (HR 1 februari 20021).2 Het arrest werd bekritiseerd3 en bovendien werd gesuggereerd hoe de Hoge Raad zou kunnen redeneren om voortaan aan onderhandelingen wel stuitende werking toe te kennen.4
Mocht de crediteur hebben nagelaten tijdens de onderhandelingen een nadrukkelijke stuitingsmedeling te doen, dan kan hij bepleiten dat enige andere schriftelijke mededeling in het kader van die onderhandeling moet worden opgevat als een stuitende mededeling in de zin van art. 3:317 BW.5 Twee kanttekeningen bij die suggestie. Ten eerste. Men moet er rekening mee houden dat niet voor alle feitenrechters de 'escape' uit HR 1 februari 2002 via de stuitende werking van de schriftelijke mededeling even vanzelfsprekend is. De Hoge Raad heeft aan de overweging dat onderhandelingen op zichzelf niet stuiten toegevoegd de opmerking dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn zich tijdens de onderhandelingen op verjaring te beroepen. Die frase suggereert de rechter zijn beslissing te plaatsen in de sleutel van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat is voor de eiser bepaald niet zonder risico: het passeren van een regel onder aanvoering van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is reeds in het algemeen een stap die rechters (terecht) niet snel zetten, maar is hier wel in het bijzonder lastig omdat geheel onduidelijk is welke omstandigheden het verjaringsberoep in strijd met de redelijkheid en billijkheid doen zijn (zie hierover nader de volgende paragraaf). Het is daarom van belang het processuele debat goed te sturen door expliciet de stuitende werking van enige schriftelijke mededeling in het kader van de onderhandelingen aan te voeren en te adstrueren.
Ten tweede: niettegenstaande hetgeen hiervoor werd opgemerkt, is het een noodgreep te moeten verdedigen dat een willekeurige schriftelijke mededeling in het kader van de onderhandelingen stuitende werking toekomt. Veel eenvoudiger is het een beroep te kunnen doen op een tweeregelig stuitingsbriefje dat de bewoordingen van art. 3:317 BW bevat en bovendien nog naar dat artikel verwijst. Het is dus verstandig dat briefje te sturen en het moment waarop dat moet geschieden goed te administreren.