Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.6.1
11.6.1 Inleiding
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300815:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie punt 2 van de preambule van Richtlijn 2003/123/EG van 22 december 2003.
Heeft de lidstaat van de moedermaatschappij een verrekeningsstelsel, dan ziet de verrekening zowel op de belasting die betrekking heeft op de winst van de dochteronderneming als van enigerlei kleindochteronderneming. Zie art. 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn.
De Moeder-dochterrichtlijn wil onder meer de dubbele belastingheffing elimineren over dividenden en uitkeringen van winst op het niveau van de moedermaatschappij.1 De richtlijn bepaalt daartoe dat de lidstaat van de moedermaatschappij zich moet onthouden van het belasten van deze inkomsten of verrekening moet toestaan van het gedeelte van de belasting van de dochtermaatschappij dat op deze inkomsten betrekking heeft.2Art. 4, lid 1, aanhef, Moeder-dochterrichtlijn luidt als volgt:
‘Wanneer een moedermaatschappij (...) op grond van de deelgerechtigdheid van de moedermaatschappij in haar dochteronderneming, uitgekeerde winst ontvangt, (...) moet (...) de lidstaat van de moedermaatschappij (...):
– ofwel zich onthouden van het belasten van deze winst;
– ofwel de winst belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij (...) toestaan van de verschuldigde belasting af te trekken het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op die winst en betaald is door de dochteronderneming en enigerlei kleindochteronderneming (...).’
Het onderwerp van paragraaf 11.6 is onder welke omstandigheden uit deze bepaling voor het land van de crediteur de verplichting voortvloeit om zich te onthouden van het belasten van de rente op een hybride lening. Wil art. 4, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn van toepassing zijn, dan moet de rente op de hybride lening zijn te beschouwen als uitgekeerde winst. Bovendien moet de crediteur een moedermaatschappij zijn in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn. Daarnaast moet de crediteur de rente genieten op grond van de deelgerechtigheid in haar dochteronderneming. Deze criteria worden hierna behandeld.