Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB 1992 L 302, blz. 1.
HR, 19-04-2019, nr. 17/01695
ECLI:NL:HR:2019:631
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-04-2019
- Zaaknummer
17/01695
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:631, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑04‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2017:577
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2020:809
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:828
ECLI:NL:PHR:2018:828, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑06‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:631
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑05‑2017
- Vindplaatsen
NLF 2019/1074 met annotatie van Gooike van Slooten
FED 2019/96 met annotatie van I. van den Eijnde
BNB 2019/128 met annotatie van M.J.W. van Casteren
Douanerechtspraak 2019/62
NTFR 2019/1136 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2019-0163
DouaneUpdate 2019-0191
FutD 2019-1095
Viditax (FutD) 2019041919
NLF 2018/2087 met annotatie van Eline Polak
NTFR 2018/2061 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2018-0289
FutD 2018-2215
Viditax (FutD) 2018081728
Uitspraak 19‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Douanerechten; art. 20, art. 214 en 121, lid 1, en art. 201, CDW; Vo. 978/2012 en Vo. 1213/2012; actieve veredeling met schorsingssysteem; berekening douaneschuld bij in het vrije verkeer brengen van veredelde invoergoederen; toepassing heffingsgrondslagen van invoergoederen; begrip ‘heffingsgrondslag’; kan art. 121, lid 1, CDW meebrengen dat een inmiddels geschorst algemeen preferentieel tarief voor ontwikkelingslanden nog bij de berekening van de douaneschuld in aanmerking wordt genomen? Prejudiciële vraag.
Partij(en)
19 april 2019
Nr. 17/01695
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017, nrs. 16/00167 tot en met 16/00174, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 15/1206 tot en met HAA 15/1213) betreffende aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 29 juni 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:828). De conclusie is aan dit arrest gehecht.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.1. Belanghebbende beschikte van 23 mei 2012 tot en met 23 mei 2015 over een vergunning om voor hydrolisanten van proteïne gebruik te maken van de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het systeem van schorsing. Belanghebbende verwerkt deze hydrolisanten tot een grondstof voor de voedselindustrie (bouillon base).
2.1.2. In de periode 12 november 2012 tot en met 17 juni 2013 heeft belanghebbende acht maal een zending hydrolisanten van proteïne (hierna: de hydrolisanten) onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatst. De hydrolisanten zijn ingedeeld in postonderverdeling 2106 90 92 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Ten tijde van aanvaarding van deze douaneaangiften bedroeg het bij die postonderverdeling behorende tarief van douanerechten 12,8 procent (zie voor het jaar 2012: Verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie van 27 september 2011 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb 2011, L282; voor het jaar 2013: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 927/2012 van de Commissie van 9 oktober 2012 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb 2012, L 304).
Tot en met 31 december 2013 gold voor hydrolisanten van proteïne een preferentiële tariefmaatregel (zie artikel 6, lid 3, en artikel 7, van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties vanaf 1 januari 2009, Pb 2008, L211 (hierna: Vo. 732/2008), in samenhang gelezen met Bijlage I en Bijlage II van deze verordening). Deze tariefmaatregel houdt een verlaging in van het normale tarief van douanerechten voor goederen van postonderverdeling 2106 90 92 van de GN van 12,8 procent naar 8,9 procent indien deze producten van oorsprong zijn uit een begunstigd land, zoals Thailand.
2.1.3. In de aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling actieve verdeling heeft belanghebbende opgegeven dat de hydrolisanten van oorsprong uit Thailand zijn. Ook heeft belanghebbende in die aangiften vermeld dat zij beschikt over de voor toepassing van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde tariefpreferentie vereiste certificaten van oorsprong Form A.
2.1.4. Na veredeling heeft belanghebbende besloten een deel van de veredelde hydrolisanten (hierna: de producten) niet weder uit te voeren maar de douaneregeling actieve veredeling daarvoor te beëindigen. In de periode 4 februari 2014 tot en met 26 augustus 2014 heeft zij dat deel in deelpartijen aangegeven voor het vrije verkeer. In de desbetreffende aangiften heeft belanghebbende vermeld dat de producten zich bevinden onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem. Zij heeft in die aangiften de producten omschreven als “hydrolisanten van proteïne” en postonderverdeling 2106 90 92 van de GN vermeld. Verder heeft zij de Inspecteur verzocht bij de berekening van de douaneschuld het in Vo. 732/2008 neergelegde preferentiële tarief van 8,9 procent in aanmerking te nemen.
2.1.5. Ook in het jaar 2014 bedroeg het bij postonderverdeling 2106 90 92 van de GN behorende tarief van douanerechten 12,8 procent (zie Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1001/2013 van de Commissie van 4 oktober 2013 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb 2013, L290).
De hiervoor in 2.1.2 vermelde preferentiële tariefmaatregel voor onder meer hydrolisanten is geschorst gedurende de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016. Daardoor was in die periode het normale tarief van 12,8 procent van toepassing. (Zie Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad, Pb 2012, L303 (hierna: Vo. 978/2012), en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1213/2012 van de Commissie van 17 december 2012 tot schorsing van de tariefpreferenties voor bepaalde SAP-begunstigde landen, Pb 2012 L348; hierna: Vo. 1213/2012.)
2.1.6. De hiervoor in 2.1.5 bedoelde schorsing van de preferentiële tariefmaatregel was dus van kracht toen belanghebbende voor de producten de aangiften voor het vrije verkeer deed. Vanwege deze schorsing heeft de Inspecteur het preferentiële tarief van 8,9 procent niet toegepast, maar de verschuldigde douanerechten met inachtneming van een tariefpercentage van 12,8 vastgesteld.
2.2.1. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de in 2012 en 2013 geldende preferentiële tariefmaatregel in aanmerking had moeten nemen bij de berekening van het bedrag van de douaneschuld ter zake van het in 2014 in het vrije verkeer brengen van de producten.
2.2.2. Het Hof heeft vooropgesteld dat in een geval als dit het bedrag van de douaneschuld overeenkomstig artikel 121, lid 1, van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) moet worden vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die voor de invoergoederen golden op het tijdstip waarop de aangiften tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling werden aanvaard. Het Hof heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de hydrolisanten onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om – zo zij die goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om toepassing van de desbetreffende tariefpreferentie zou hebben verzocht – in aanmerking te komen voor toepassing van het preferentiële tarief van 8,9 procent. In dat geval is de Inspecteur naar het oordeel van het Hof op grond van artikel 121, lid 1, van het CDW gehouden het preferentiële tarief van 8,9 procent toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften voor het vrije verkeer, ook al was die tariefpreferentie inmiddels (in 2014) geschorst.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat artikel 121, lid 1, van het CDW meebrengt dat voor het berekenen van de douaneschuld het inmiddels geschorste preferentiële tarief van 8,9 procent in aanmerking moet worden genomen. Het middel betoogt in de eerste plaats dat onder het begrip heffingsgrondslag in artikel 121, lid 1, van het CDW niet is begrepen het toepasselijke tarief van rechten bij invoer zoals dat uit artikel 20 van het CDW voortvloeit. Indien het tarief of een preferentiële tariefmaatregel wel als een van de in artikel 121, lid 1, van het CDW bedoelde heffingsgrondslagen moet worden aangemerkt, betoogt het middel dat het Hof de specifieke voorwaarden heeft miskend die op grond van artikel 20, lid 4, van het CDW gelden voor toepassing van een preferentiële maatregel.
3.2.
Met betrekking tot het middel overweegt de Hoge Raad het volgende.
3.2.1.
De douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem maakt het mogelijk dat niet-communautaire goederen die zijn bestemd om in de vorm van veredelingsproducten te worden wederuitgevoerd, een of meer veredelingshandelingen ondergaan in het douanegebied van de Unie zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen zijn onderworpen (artikel 114 van het CDW). Ondernemingen in de Unie die goederen uit derde landen gebruiken voor het vervaardigen van voor uitvoer bestemde producten, worden op deze wijze in internationaal verband niet benadeeld ten opzichte van ondernemingen buiten de Unie. Hierbij is van belang dat op grond van artikel 117, aanhef en letter c, van het CDW een vergunning slechts wordt verleend in de gevallen waarin de regeling actieve veredeling kan bijdragen tot het scheppen van de gunstigste voorwaarden voor de uitvoer of de wederuitvoer van de veredelingsproducten, mits de wezenlijke belangen van de communautaire producenten niet worden geschaad (economische voorwaarden).
3.2.2.
Belanghebbende heeft de douaneregeling actieve veredeling voor de producten beëindigd, niet door de producten weder uit te voeren maar door deze te plaatsen onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer.
3.2.3.
De douaneregeling brengen in het vrije verkeer omvat volgens artikel 79, tweede alinea, van het CDW de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen, alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten. Volgens artikel 67 van het CDW geldt behoudens andersluidende specifieke bepalingen de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.
Artikel 201, lid 1, letter a, van het CDW bepaalt dat wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, een douaneschuld bij invoer ontstaat, dat wil zeggen dat een verplichting ontstaat tot betaling van de rechten bij invoer die op de goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen (zie artikel 4, onder 9, van het CDW). Op grond van artikel 201, lid 2, van het CDW ontstaat de douaneschuld op de datum waarop de douaneaangifte door de douaneautoriteiten wordt aanvaard.
Op grond van artikel 214, lid 1, van het CDW wordt het bedrag van de rechten bij invoer waaraan goederen zijn onderworpen, vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat.
3.2.4.
Het hiervoor in 3.2.3 overwogene betekent dat - behoudens andersluidende specifieke bepalingen - bij het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten, rechten bij invoer als bedoeld in artikel 4, onder 10, van het CDW zijn verschuldigd volgens de communautaire bepalingen die gelden op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte. Onder die communautaire bepalingen is begrepen artikel 20, lid 3, letter c, van het CDW, waaruit het toepasselijke tarief volgt. Het betekent ook dat - behoudens andersluidende specifieke bepalingen - bij het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten, op verzoek van de aangever preferentiële tariefmaatregelen die op dat tijdstip gelden voor de toegang tot de markt van de Unie (artikel 20, lid 3, letters d, e en f, van het CDW) op de voet van artikel 20, lid 4, van het CDW in de plaats kunnen treden van de hiervoor in artikel 20, lid 3, van het CDW bedoelde rechten bij invoer.
3.2.5.
In de artikelen 121 en 122 van het CDW is voorzien in twee verschillende berekeningsgrondslagen voor de situaties waarin een douaneschuld ontstaat voor goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst.
Volgens artikel 121, lid 1, van het CDW wordt, onder voorbehoud van artikel 122 van het CDW, bij het ontstaan van een douaneschuld als regel het bedrag van die schuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling is aanvaard. Deze regeling geldt voor alle goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, ongeacht of de invoergoederen inmiddels zijn bewerkt of verwerkt.
In afwijking van artikel 121 van het CDW worden volgens artikel 122 van het CDW op verzoek van de aangever de veredelingsproducten onderworpen aan de voor dergelijke producten geldende rechten bij invoer, waarbij het bedrag van de douaneschuld kan worden bepaald aan de hand van andere criteria.
3.2.6.
In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat artikel 121, lid 1, van het CDW erin voorziet dat wordt afgeweken van de hiervoor in 3.2.3 weergegeven bepalingen, in die zin dat indien een douaneschuld ontstaat wegens het brengen in het vrije verkeer, de onder de regeling actieve veredeling geplaatste producten moeten worden belast naar het tarief van douanerechten dat voor de invoergoederen gold ten tijde van plaatsing onder die regeling. Ook ligt daarin besloten het oordeel dat bij het brengen in het vrije verkeer op verzoek van de aangever de preferentiële tariefmaatregel in aanmerking moet worden genomen die voor de invoergoederen gold ten tijde van plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling.
3.2.7.
Het middel doet de vraag rijzen of artikel 121, lid 1, van het CDW bewerkstelligt dat een inmiddels geschorste preferentiële tariefmaatregel wordt toegepast bij het in vrije verkeer brengen van onder de regeling actieve veredeling met gebruikmaking van het schorsingssysteem geplaatste goederen.
3.3.1.
Enerzijds kan worden verdedigd dat artikel 121, lid 1, van het CDW zo moet worden uitgelegd dat het begrip heffingsgrondslag in de zin van het CDW ook de in artikel 20, lid 3, van het CDW bedoelde rechten bij invoer en preferentiële tariefmaatregelen omvat. Zoals de Advocaat-Generaal in de onderdelen 8.3 tot en met 8.5 van de conclusie heeft uiteengezet, zou dat uit de bewoordingen van artikel 20, lid 3, letter c, van het CDW kunnen worden afgeleid. In de Nederlandse taalversie van die bepaling wordt namelijk gesproken over ‘percentages en andere heffingsgrondslagen’, hetgeen taalkundig impliceert dat percentages – waarmee kennelijk wordt verwezen naar tariefpercentages – worden gerekend tot de heffingsgrondslagen.
Deze uitleg bewerkstelligt dat zowel voor de invoergoederen in ongewijzigde staat als voor de veredelingsproducten het bedrag wordt geheven dat wettelijk zou zijn verschuldigd indien de invoergoederen niet waren geplaatst onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem, maar direct in het vrije verkeer waren gebracht, dat wil zeggen op het tijdstip waarop zij onder de regeling actieve veredeling werden geplaatst. Bij deze uitleg leidt artikel 121, lid 1, van het CDW in wezen tot een heffing naar het bedrag waarvoor op het tijdstip van plaatsing onder de regeling actieve veredeling voor de invoergoederen ‘vrijstelling van rechten bij invoer’ is verleend. In een dergelijke vrijstelling was voorzien in de artikelen 3 en 16 van Richtlijn 69/73/EEG van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen met betrekking tot de regeling “actieve veredeling” (hierna: Richtlijn 69/73/EEG), Pb 1969, L58.
3.3.2.
Deze opvatting betekent dat het niet van belang is of de preferentiële tariefmaatregel inmiddels is geschorst of beëindigd en dat het normale tarief weer gold op het tijdstip waarnaar de douaneschuld moet worden berekend (de aanvaardingsdatum van de aangifte voor het vrije verkeer).
3.3.3.
Voor dit geval zou dat betekenen dat de producten op grond van artikel l21, lid 1, van het CDW worden onderworpen aan rechten bij invoer volgens de in artikel 20, lid 3, letter c, van het CDW bedoelde percentages die normaal van toepassing waren voor de hydrolisanten op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het plaatsen van die goederen onder de regeling actieve veredeling. Voorts brengt dat mee dat - op verzoek van belanghebbende – de hiervoor in 2.1.2 bedoelde preferentiële tariefmaatregel die op dat moment (in 2012 en 2013) gold, ook in aanmerking moet worden genomen bij het berekenen van de douaneschuld.
3.4.1.
Anderzijds kan worden betoogd dat het begrip heffingsgrondslag in de zin van het CDW, en dus ook in de zin van artikel 121, lid 1, van het CDW, niet ziet op normale of preferentiële tarieven. In het algemeen wordt – althans in Nederland - bij de vaststelling van een bedrag aan wettelijk verschuldigde rechten, heffingen of andere belastingen een terminologisch onderscheid gemaakt tussen enerzijds de toepasselijke tarieven in de vorm van tariefpercentages of specifieke rechten en eventuele (preferentiële) tariefmaatregelen, en anderzijds de heffingsgrondslagen waarop die tarieven en tariefmaatregelen moeten worden toegepast (zoals de waarde, het gewicht of de hoeveelheid van goederen).
Verdedigd kan worden dat uit de artikelen 121 en 122 van het CDW, in onderlinge samenhang bezien, niet blijkt dat met artikel 121, lid 1, van het CDW is beoogd dat onderscheid los te laten. Dan blijft dus gelden de hiervoor in 3.2.3 weergegeven regel dat goederen (invoergoederen in ongewijzigde staat of veredelingsproducten) moeten worden onderworpen aan de rechten bij invoer zoals die gelden op de datum van aanvaarding van de aangiften voor het brengen in het vrije verkeer voor identieke goederen aan de onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatste invoergoederen. Bij deze uitleg wordt het bedrag aan verschuldigde rechten bij invoer (de douaneschuld) – in afwijking van artikel 214 van het CDW – vastgesteld op basis van de grondslagen (zoals waarde, gewicht of hoeveelheid) die horen bij de invoergoederen in ongewijzigde staat, dat wil zeggen in de staat waarin de invoergoederen verkeerden op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het plaatsen onder de regeling actieve veredeling.
Deze uitleg beperkt de inbreuk op het uitgangspunt dat douanerechten worden berekend naar de juridische en feitelijke toestand op het moment van het ontstaan van de douaneschuld. Deze beperking houdt in dat geldende rechten bij invoer niet worden geheven ter zake van communautaire goederen die binnen de Unie in de veredelingsproducten zijn verwerkt dan wel ter zake van de toegevoegde waarde die als gevolg van de veredelingshandelingen binnen de Unie in de veredelingsproducten is begrepen.
3.4.2.
Voor dit geval zou dit betekenen dat belanghebbende in 2014 geen aanspraak kan maken op toepassing van de preferentiële tariefmaatregel. Immers, op het tijdstip waarnaar de douaneschuld moest worden berekend (de aanvaardingsdatum van de aangifte voor het vrije verkeer), was de preferentiële tariefmaatregel geschorst en gold dus weer het normale tarief.
3.4.3.
De voorkeur van de Hoge Raad gaat uit naar de hiervoor in 3.4.1 weergegeven uitleg. Na de harmonisatie van de wettelijke bepalingen met betrekking tot goederen die het douanegebied binnenkomen en een douanebestemming moeten krijgen, past die uitleg beter bij het doel en de strekking van de douaneregeling actieve veredeling met gebruikmaking van het schorsingssysteem. Het uitgangspunt van een ‘vrijstelling’ en ‘het opschorten van de heffing van rechten bij invoer’ zoals in Richtlijn 69/73/EEG (zie hiervoor in 3.3.1) is verlaten bij Verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling (hierna: Vo. 1999/85) die in werking is getreden op 1 januari 1987. In artikel 20, lid 1 van Vo. 1999/85 is een regeling neergelegd die nagenoeg gelijkluidend is aan die van artikel 121, lid 1, van het CDW. Aan het verlaten van het hiervoor bedoelde uitgangspunt lijkt ten grondslag te liggen de overgang naar een geharmoniseerd stelsel van douanebestemmingen en douaneregelingen waaronder schorsingsregelingen. Volgens dat nieuwe stelsel is bij het plaatsen onder de regeling actieve veredeling niet meer het uitgangspunt dat goederen (voorwaardelijk) zijn vrijgesteld van de dan geldende rechten bij invoer, maar dat heffing (alsnog) plaats vindt op het tijdstip dat de goederen op (on)regelmatige wijze in het vrije verkeer worden gebracht.
Daarnaast lijkt ook aan artikel 121, lid 2, van het CDW het uitgangspunt ten grondslag te liggen dat er een geldende preferentiële tariefmaatregel moet zijn op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld op grond van artikel 201 van het CDW. Preferentiële tariefmaatregelen in de vorm van tariefcontingenten en tariefplafonds kunnen op grond van artikel 20, lid 5, van het CDW geen toepassing meer vinden wanneer het bij tariefcontingenten vastgestelde invoervolume is bereikt respectievelijk bij tariefplafonds de Commissie de maatregel bij verordening beëindigt vanwege het bereiken van een bepaald invoervolume. Artikel 121, lid 2, van het CDW maakt het mogelijk dat indien invoergoederen ten tijde van de plaatsing onder de regeling actieve veredeling voldeden aan de voorwaarden om in het kader van tariefcontingenten of tariefplafonds in aanmerking te komen voor een preferentiële behandeling, deze goederen in aanmerking komen voor een preferentiële tariefbehandeling die voor identieke goederen geldt op het tijdstip waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen is aanvaard.
Deze uitleg strookt voorts met het doel en de strekking van preferentiële tariefmaatregelen in het algemeen en in het bijzonder voor het in Vo. 732/2008 neergelegde stelsel van algemene preferenties waarbij eenzijdig in het kader van het handelsbeleid van de Unie onder voorwaarden een gunstiger behandeling voor producten uit ontwikkelingslanden mogelijk is gemaakt. De reden voor invoering van de schorsingsmaatregel op de voet van artikel 1 van Vo. 1213/2012 in 2014 is geweest – zo moet uit de considerans van Vo. 1213/2012 worden afgeleid - dat de gemiddelde waarde van de invoer naar de Unie van producten van de voedselindustrie, van oorsprong uit Thailand, gedurende drie opeenvolgende jaren een bepaalde voorgeschreven drempelwaarde heeft overschreden. Dit brengt volgens Vo. 978/2012 mee dat een begunstigende behandeling bij invoer van deze producten niet langer is gerechtvaardigd omwille van de situatie van de desbetreffende bedrijfstakken die dezelfde producten (hydrolisanten) in de Unie vervaardigen. Om het doel van het invoeren van een maatregel als de onderhavige schorsingsmaatregel zoveel mogelijk te bereiken, is nodig dat in alle gevallen van het in het vrije verkeer brengen van de aangewezen producten van oorsprong uit Thailand gedurende die periode geen verlaging meer plaatsvindt van het normale tarief van douanerechten. Het blijven toepassen van een verlaagd tarief zou immers afbreuk doen aan de concurrentiepositie van de bedrijfstakken in de Unie die dezelfde producten (hydrolisanten) vervaardigen hetgeen niet strookt met het in artikel 117, aanhef en letter c, van het CDW neergelegde uitgangspunt dat bij toepassing van de douaneregeling actieve veredeling ook met de wezenlijke belangen van de communautaire producenten rekening moet worden gehouden. Met het oog daarop behoort het niet uit te maken of een douaneschuld voor de invoer van dergelijke producten van oorsprong uit Thailand ontstaat als gevolg van een rechtstreekse invoer vanuit een derde land of als gevolg van invoer ter beëindiging van de douaneregeling actieve veredeling. In beide gevallen treft die invoer in dezelfde mate de economische belangen van de bedrijfstakken die dezelfde producten in de Unie vervaardigen.
Ten slotte is de Hoge Raad van oordeel dat het middel gelet op de hiervoor bedoelde systematiek ook terecht tot uitgangspunt neemt (zie hiervoor in 3.1) dat de in artikel 20, lid 4, van het CDW bedoelde preferentiële tariefmaatregelen niet, zoals de in artikel 20, lid 3, letter c, van het CDW bedoelde percentages en heffingsgrondslagen, zonder meer van toepassing zijn, maar dat om toepassing daarvan door een aangever moet worden verzocht. Anders dan het geval is bij plaatsing van invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling met gebruikmaking van het terugbetalingssysteem, kan een verzoek om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel op zijn vroegst worden gedaan op het tijdstip van het doen van de aangifte voor het vrije verkeer. De douaneautoriteiten kunnen bij plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling met gebruikmaking van het schorsingssysteem aan een dergelijk verzoek niet eerder gevolg geven dan op het tijdstip dat deze goederen worden geplaatst onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer.
3.5.
3.6.
Het is echter niet buiten redelijke twijfel dat de hiervoor in 3.4.1 weergeven opvatting juist is. Daarom zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU de hierna in onderdeel 4 geformuleerde vraag voorleggen aan het Hof van Justitie.
4. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vraag:
Brengt artikel 121, lid 1, van het Communautair Douanewetboek mee dat een preferentiële tariefmaatregel voor toepassing waarvan invoergoederen in aanmerking kwamen op het tijdstip van plaatsing onder de regeling actieve veredeling met gebruikmaking van het systeem van schorsing, ook nog in aanmerking mag worden genomen bij de vaststelling van het bedrag van de douaneschuld die ontstaat bij het in het vrije verkeer brengen van die goederen, al of niet in ongewijzigde staat, indien diezelfde tariefmaatregel op de aanvaardingsdatum van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer is geschorst?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019.
Conclusie 29‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Douanerechten worden in beginsel vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die gelden ten tijde van het in het vrije verkeer brengen van goederen. In artikel 121, lid 1, van het CDW is een uitzondering opgenomen voor goederen die bij binnenkomst in de Unie onder de douaneregeling actieve verdeling zijn geplaatst, maar later alsnog in het vrije verkeer worden gebracht. Die bepaling regelt dat het bedrag van de douaneschuld dan wordt vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de (invoer)goederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve verdeling is aanvaard. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of artikel 121, lid 1, van het CDW meebrengt dat bij het bepalen van de douaneschuld een inmiddels geschorst preferentiëel tarief van toepassing is. De direct vertegenwoordiger van belanghebbende heeft in 2012 en 2013 acht aangiften gedaan voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem. In die jaren gold voor de door belanghebbende binnengebrachte goederen (hydrolisanten van proteïnen) een preferentieel tarief. In 2014 heeft de vertegenwoordiger voor die goederen acht aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen gedaan. Daarbij is, onder verwijzing naar artikel 121, lid 1, van het CDW, verzocht om toepassing van een preferentieel tarief. Dat preferentiële tarief was na 1 januari 2014 echter geschorst. De Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het preferentiële tarief van toepassing is. Zij overweegt dat, aangezien voor de vaststelling van de heffingsgrondslagen moet worden aangesloten bij het tijdstip waarop de aangiften tot plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling zijn aanvaard, op dat moment moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de vormvereisten voor toepassing van het preferentiële tarief voldoet. Nu belanghebbende op dat moment beschikte over de formulieren A en voorts noch is gesteld noch gebleken dat de goederen niet aan de andere voorwaarden voldeden, voldoet belanghebbende daaraan. Gerechtshof Amsterdam komt eveneens tot het oordeel dat de Inspecteur ingevolge artikel 121, lid 1, van het CDW gehouden is het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden van belanghebbende, echter op andere gronden. Hij overweegt namelijk dat voor toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, lid 1, van het CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht. Dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief, is tussen partijen niet in geschil. De staatssecretaris van Financiën komt met één cassatiemiddel op tegen dit oordeel van het Hof. Uit de letterlijke bewoordingen en de context van artikel 121, lid 1, van het CDW, alsmede uit het systeem van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, volgt naar mening van de A-G buiten redelijke twijfel dat een preferentieel tarief dat gold ten tijde van de aanvaarding van de aangifte voor de douaneregeling actieve veredeling, maar op het moment dat de douaneschuld ontstaat geschorst is, van toepassing is indien daartoe een verzoek wordt ingediend en ten tijde van het verzoek aan de voorwaarden voor de toepassing van dat verzoek wordt voldaan. Vaststaat dat belanghebbende bij de aangifte voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer een verzoek om toepassing van het preferentiële tarief heeft ingediend. Uit de stukken van het geding volgt dat op dat moment aan alle voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan. Dit brengt volgens de A-G mee dat de Inspecteur gehouden was in het onderhavige geval het preferentiële tarief toe te passen. De A-G sluit zich dus aan bij de door de Rechtbank gebezigde gronden. Het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën is in haar visie ongegrond.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. C.M. Ettema
Advocaat-Generaal
Conclusie van 29 juni 2018 inzake:
Nr. Hoge Raad: 17/01695 | staatssecretaris van Financiën |
Nrs. Gerechtshof: 16/00167 t/m 16/00174 Nrs. Rechtbank: HAA 15/1206 t/m HAA 15/1213 | |
Derde Kamer A | tegen |
Douanerecht 2012 - 2014 | [X] B.V. |
1. Inleiding
1.1
Douanerechten worden in beginsel vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die gelden ten tijde van het in het vrije verkeer brengen van goederen. In artikel 121, lid 1, van het Communautair douanewetboek (CDW)1.is een uitzondering opgenomen voor goederen die bij binnenkomst in de Unie onder de douaneregeling actieve verdeling zijn geplaatst, maar later alsnog in het vrije verkeer worden gebracht. Die bepaling regelt dat het bedrag van de douaneschuld dan wordt vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de (invoer)goederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve verdeling is aanvaard.
1.2
In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of artikel 121, lid 1, van het CDW meebrengt dat bij het bepalen van de douaneschuld een inmiddels geschorst preferentieel tarief van toepassing is.
1.3
De direct vertegenwoordiger van belanghebbende heeft in 2012 en 2013 acht aangiften gedaan voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem. In die jaren gold voor de door belanghebbende binnengebrachte goederen (hydrolisanten van proteïnen) een preferentieel tarief. In 2014 heeft de vertegenwoordiger voor die goederen acht aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen gedaan. Daarbij is, onder verwijzing naar artikel 121, lid 1, van het CDW, verzocht om toepassing van een preferentieel tarief. Dat preferentiële tarief was na 1 januari 2014 echter geschorst.
1.4
De Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) oordeelt dat het preferentiële tarief van toepassing is. Zij overweegt dat, aangezien voor de vaststelling van de heffingsgrondslagen moet worden aangesloten bij het tijdstip waarop de aangiften tot plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling zijn aanvaard, op dat moment moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de vormvereisten voor toepassing van het preferentiële tarief voldoet. Nu belanghebbende op dat moment beschikte over de formulieren A en voorts noch is gesteld noch gebleken dat de goederen niet aan de andere voorwaarden voldeden, voldoet belanghebbende daaraan.
1.5
Gerechtshof Amsterdam (het Hof) komt eveneens tot het oordeel dat de Inspecteur2.ingevolge artikel 121, lid 1, van het CDW gehouden is het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden van belanghebbende, echter op andere gronden. Hij overweegt namelijk dat voor toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, lid 1, van het CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht. Dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief, is tussen partijen niet in geschil.
1.6
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) komt met één cassatiemiddel op tegen dit oordeel van het Hof.
1.7
Uit de letterlijke bewoordingen en de context van artikel 121, lid 1, van het CDW, alsmede uit het systeem van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, volgt naar mijn mening buiten redelijke twijfel dat een preferentieel tarief dat gold ten tijde van de aanvaarding van de aangifte voor de douaneregeling actieve veredeling, maar op het moment dat de douaneschuld ontstaat geschorst is, van toepassing is indien daartoe een verzoek wordt ingediend en ten tijde van het verzoek aan de voorwaarden voor de toepassing van dat verzoek wordt voldaan. Vaststaat dat belanghebbende bij de aangifte voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer een verzoek om toepassing van het preferentiële tarief heeft ingediend. Uit de stukken van het geding volgt dat op dat moment aan alle voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan. Dit brengt mee dat de Inspecteur gehouden was in het onderhavige geval het preferentiële tarief toe te passen. Ik sluit me dus aan bij de door de Rechtbank gebezigde gronden.
1.8
Het cassatieberoep van de Staatssecretaris is in mijn visie ongegrond.
2 De feiten3. en het geding in feitelijke instanties
2.1
Aan belanghebbende is een vergunning voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem verleend. De vergunning was geldig van 23 mei 2012 tot en met 23 mei 2015. De goederen welke onder deze regeling mogen worden geplaatst, betreffen volgens onderdeel 7 van de vergunning ‘Hydrolisanten van proteïne’ (postonderverdeling 2106 9092 40 van de Gecombineerde Nomenclatuur).
2.2
In de periode van 12 november 2012 tot en met 17 juni 2013 heeft [A] B.V. als direct vertegenwoordiger van belanghebbende acht aangiften gedaan voor de douaneregeling ‘actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem’. In de aangiften is – voor zover van belang – vermeld:
“(…)
Regeling: 51 00 I A03
Goederencode: 21069092 40
Goederenomschrijving: proteïne concentraat, zijnde hydrolisanten van proteïnen
(…)
Land van oorsprong: TH Thailand
Communautaire pref: 200
Preferentie/contingent: 035
(…)”
2.3
In de periode van 4 februari 2014 tot en met 26 augustus 2014 heeft [A] B.V. als direct vertegenwoordiger van belanghebbende acht aangiften gedaan voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. In de aangiften is – voor zover van belang – vermeld:
“(…)
Regeling: 40 51
Goederencode: 21069092 40
Goederenomschrijving: hydrolisanten van proteïnen
(…)
Land van oorsprong: TH Thailand
Communautaire pref: 100
(…)”
2.4
In de onder 2.3 genoemde aangiften is vermeld dat de goederen eerder onder de regeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem zijn geplaatst, maar dat nu wordt afgezien van deze regeling. In deze aangiften heeft [A] B.V. verzocht om toepassing van het preferentiële tarief van 8,9%.
2.5
De Inspecteur heeft acht utb’s uitgereikt en heeft het tarief van 12,8% aan douanerecht toegepast en niet het door [A] B.V. verzochte preferentiële tarief van 8,9%.
De Rechtbank
2.6
Voor de Rechtbank is in geschil of de utb’s terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is de toepassing van artikel 121, lid 1, CDW in geschil.
2.7
De Rechtbank overweegt onder meer dat bij het plaatsen van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem geen douaneschuld ontstaat. In dit kader wijst zij op het uitzonderlijke karakter van die douaneregeling en op het gegeven dat in de artikelen 201 tot en met 212 van het CDW geen wettelijke bepalingen zijn opgenomen op grond waarvan een douaneschuld ontstaat bij het plaatsen van goederen onder die douaneregeling. De douaneschuld is volgens de Rechtbank dus pas ontstaan bij het plaatsen van de goederen onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’.
2.8
Belanghebbende heeft in de aangiften in het vrije verkeer brengen vermeld dat zij afziet van de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem en verzocht om toepassing van het preferentiële tarief. Zij heeft zodoende direct bij het ontstaan van de douaneschuld om toepassing van het preferentiële tarief verzocht, aldus de Rechtbank.
2.9
Uit de bewoordingen van Titel II van het CDW, het feit dat de wettelijk verschuldigde rechten worden gebaseerd op het douanetarief en gelet op artikel 20, derde lid, aanhef en onder c van het CDW, waarin staat ‘percentages en andere heffingsgrondslagen’ leidt de Rechtbank af dat onder de heffingsgrondslagen ook het percentage van het douanetarief moet worden begrepen. Nu voor de beoordeling van de heffingsgrondslagen moet worden aangesloten bij het tijdstip waarop de aangiften tot plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling zijn aanvaard, moet volgens de Rechtbank op dat moment worden beoordeeld of belanghebbende aan de vormvereisten voor toepassing van het preferentiële tarief voldoet. Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende op dat moment beschikte over de formulieren A en voorts noch gesteld noch gebleken is dat de goederen niet aan de andere voorwaarden voldeden, is naar het oordeel van de Rechtbank het preferentiële tarief van toepassing.
2.10
De Rechtbank verklaart de beroepen bij uitspraak van 31 maart 2016, nr. HAA 15/1206 tot en met HAA 15/1213, ECLI:NL:RBNHO:2016:7492, Duda 2016-0456, FutD 2016-2324, gegrond en vernietigt de uitspraken op bezwaar en de utb’s.
Het Hof
2.11
Voor het Hof is evenals voor de Rechtbank in geschil of de utb’s terecht aan belanghebbende zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is de toepassing van artikel 121, lid 1, van het CDW in geschil.
2.12
Volgens het Hof volgt uit artikel 547bis van het TCDW dat voor toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, lid 1, CDW, enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van goederen onder de douaneregeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht.
2.13
Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om – zo zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht – in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief van 8,9%, is de Inspecteur ingevolge artikel 121, lid 1, van het CDW gehouden het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften ten invoer, aldus het Hof.
2.14
Het Hof overweegt ten overvloede dat ook indien belanghebbende reeds op het moment dat zij de invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling plaatste moet hebben verzocht om toepassing van het preferentiële tarief, dit niet tot een andere uitkomst leidt daar belanghebbende in haar aangiften reeds kenbaar heeft gemaakt dat zij om toepassing van het preferentiële tarief verzocht en dit verzoek door de Inspecteur is onderkend en gehonoreerd.
2.15
Bij uitspraak van 21 februari 2017, nr. 16/00167 tot en met 16/00174, ECLI:NL:GHAMS:2017:577, FutD 2017-0574, vernietigt het Hof de uitspraak van de Rechtbank in verband met een kennelijke verschrijving in het dictum van die uitspraak, verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar en vermindert de utb’s.
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft tijdig4.en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Als cassatiemiddel draagt hij voor:
“Schending van het recht, met name van de artikelen 20 en 121 van het Communautair douanewetboek […], artikel 889 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek […] en van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 121, eerste lid, van het CDW is gehouden om het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften ten invoer, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.”
3.2
Ter onderbouwing van dit middel betoogt de Staatssecretaris in de eerste plaats dat onder het begrip ‘heffingsgrondslagen’ in artikel 121, lid 1, van het CDW (mogelijk) niet mede moet worden verstaan het douanetarief in de zin van artikel 20, lid 3, van het CDW (cassatiemiddelonderdeel 1). Steun voor dit standpunt vindt hij in het gegeven dat in het op 1 juni 2016 in werking getreden douanewetboek van de Unie (DWU)5.een artikel 86 (de opvolger van artikel 121, lid 1, van het CDW) is opgenomen waarin als heffingsgrondslag alleen de tariefindeling is genoemd en niet het tariefpercentage of het preferentieel tarief. Het Hof is in de optiek van de Staatssecretaris dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat artikel 121, lid 1, van het CDW mede betrekking heeft op het douanetarief.
3.3
Daarnaast bestrijdt de Staatssecretaris ’s Hofs oordeel dat voor de toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, lid 1, van het CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht. De Staatssecretaris wijst erop dat artikel 20, lid 4, van het CDW voor de toepassing van het preferentiële tarief als voorwaarde stelt dat expliciet om toepassing van het preferentiële tarief wordt verzocht. Nu op het tijdstip van aanvaarden van de aangiften voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem geen douaneschuld ontstaat, kon in de aangiften in 2012/2013 niet om toepassing van het preferentiële tarief worden verzocht. Het Hof is derhalve ten onrechte ervan uitgegaan dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling om preferentie heeft kunnen verzoeken (cassatiemiddelonderdeel 2).
3.4
Voorts betoogt de Staatssecretaris dat het Hof voor zijn uitleg van artikel 121, lid 1, van het CDW ten onrechte steun heeft gevonden in artikel 547bis TCDW, betreffende de douaneregeling bijzondere bestemmingen (cassatiemiddelonderdeel 3). Aangezien voor de toepassing van het preferentiële tarief andere voorwaarden gelden dan voor de gunstige tariefbehandeling in het kader van een bijzondere bestemming, legt het Hof ten onrechte een link tussen voornoemde bepalingen, aldus de Staatssecretaris.
3.5
De Staatssecretaris bestrijdt verder ‘s Hofs overweging ‘ten overvloede’ (zie 2.14). Volgens de Staatssecretaris leidt het Hof ten onrechte uit de feiten af dat belanghebbende in de aangifte actieve veredeling om toepassing van het preferentiële tarief heeft verzocht en dat dit verzoek door de Inspecteur is gehonoreerd (cassatiemiddelonderdeel 4).
3.6
Tot slot pleit de Staatssecretaris voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 121 van het CDW in relatie tot artikel 20 van het CDW.
3.7
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij de standpunten van de Staatssecretaris weerspreekt.
3.8
De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van repliek.
4. Plaatsing van goederen onder een douaneregeling
4.1
Wanneer goederen het douanegebied van de Europese Unie (de Unie) worden binnengebracht, zijn in beginsel douanerechten verschuldigd. Binnenkomende goederen komen op grond van de Unierechtelijke douanewetgeving van rechtswege direct onder douanetoezicht te staan (artikel 37, lid 1, van het CDW), zodat wordt verzekerd dat de verschuldigde douanerechten geheven kunnen worden (artikel 4, onderdeel 13, van het CDW). Het douanetoezicht wordt door de nationale douaneautoriteiten uitgevoerd. Bij het uitoefenen van hun bevoegdheden zijn de nationale douaneautoriteiten gebonden aan een stelsel van formele regels. Het douanetoezicht duurt zolang dit nodig is om de douanestatus van de goederen te bepalen en tot het ogenblik waarop zij een andere douanestatus krijgen (artikel 37, lid 2, van het CDW).
4.2
Na binnenkomst in het douanegebied moeten de goederen door de persoon die met het vervoer van de goederen is belast, onverwijld bij de douane worden gebracht (artikel 38, lid 1, CDW). De bij de douane aangebrachte goederen hebben, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag. De douanebestemming moet binnen de geldende termijnen aan de goederen worden gegeven (artikelen 48 en 49 van het CDW). Er zijn vijf douanebestemmingen (artikel 4, onderdeel 15, van het CDW). Eén van de douanebestemmingen betreft ‘plaatsing van goederen onder een douaneregeling’ (artikel 4, onderdeel 15, onder a, van het CDW). In onderdeel 16 van artikel 4 van het CDW zijn de douaneregelingen opgesomd (cursivering van mij):
“16. douaneregeling:
a. in het vrije verkeer brengen;
b. douanevervoer;
c. douane-entrepot;
d. actieve veredeling;
e. behandeling onder douanetoezicht;
f. tijdelijke invoer;
g. passieve veredeling;
h. uitvoer;”
4.3
Bij plaatsing onder een douaneregeling blijven de goederen op het douanegebied van de Unie. De goederen worden ofwel in het vrije verkeer gebracht, ofwel onder een douaneregeling geplaatst waaraan douanetoezicht verbonden is. Daarom moet voor de douanebestemming ‘plaatsing van goederen onder een douaneregeling’ een (in beginsel) schriftelijke douaneaangifte worden gedaan (artikelen 59, lid 1, en 61 van het CDW). Het begrip ‘douaneaangifte’ is in onderdeel 17 van artikel 4 van het CDW als volgt gedefinieerd:
“17. douaneaangifte: handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen;”
4.4
De schriftelijke aangifte wordt gedaan op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model (artikel 62, lid 1, van het CDW). Dit officiële model voor de schriftelijke douaneaangifte is het zogenoemde ‘enig document’ (artikel 205 van het TCDW6.). Het enig document (en aanverwante formulieren) zijn opgenomen in de bijlagen bij het TCDW (bijlage 31 en verder). Ingevolge artikel 212, lid 1, van het TCDW dient het enig document te worden ingevuld overeenkomstig de in bijlage 37 van het TCDW opgenomen toelichting “en eventueel met inachtneming van aanvullende aanwijzingen, voorzien in het kader van andere communautaire wetgeving.” In bijlage 38 van het TCDW zijn de op de formulieren van het enig document te gebruiken codes opgesomd. De nationale douaneautoriteiten zijn bevoegd de op Unierechtelijk niveau vastgestelde toelichting, indien nodig, aan te vullen (artikel 212, lid 3, van het CDW). Naast het enig document moeten alle bescheiden bij de aangifte worden overgelegd die voor de toepassing van de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven zijn vereist (artikel 62, lid 2, van het CDW).
4.5
In het onderhavige geval heeft belanghebbende in de periode van 12 november 2012 tot en met 17 juni 2013 acht aangiften gedaan voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het systeem inzake schorsing. Vervolgens heeft zij in de periode van 4 februari 2014 tot en met 26 augustus 2014 voor die goederen acht aangiften gedaan voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.
5. Actieve veredeling met toepassing van het systeem inzake schorsing
5.1
Als vermeld zijn in beginsel douanerechten verschuldigd, indien goederen de Unie worden binnengebracht.7.De douaneregeling ‘actieve veredeling’ voorkomt dat bedrijven die goederen (grondstoffen, halffabricaten of eindproducten) vanuit derdelanden binnenbrengen in het douanegebied van de Unie (invoergoederen), deze vervolgens be- of verwerken en de ‘veredelingsproducten’ (vaak een nieuw product waarin de goederen zijn opgegaan) – daarna afzetten buiten de Unie, over die goederen douanerechten moeten betalen. Aldus wordt bereikt dat de concurrentiepositie van bedrijven in de Unie die goederen produceren die worden verhandeld op een markt buiten de Unie gelijk is aan die van bedrijven elders in de wereld.
5.2
De regeling kent een tweetal toepassingsvormen: het ‘systeem inzake schorsing’ (artikel 114, lid 2, onder a, jo. artikel 114, lid 1, onder a, van het CDW) en het ‘terugbetalingssysteem’ (artikel 114, lid 2, onder b, jo. artikel 114, lid 1, onder b, van het CDW). Binnen het systeem inzake schorsing wordt de heffing van rechten geschorst totdat de invoergoederen (in de vorm van het veredelingsproduct) het grondgebied van de Unie weer verlaten. Onder toepassing van het teruggaafsysteem worden de goederen bij invoer in het vrije verkeer gebracht en douanerechten voldaan. Bij uitvoer van de (veredelde) goederen worden de rechten terugbetaald. De verschillende modaliteiten leiden dus uiteindelijk tot hetzelfde resultaat.
5.3
Blijkens artikel 84, leden 1 en 2, van het CDW is de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het systeem inzake schorsing zowel een ‘schorsingsregeling’ als een ‘economische douaneregeling’. Dit brengt met zich dat deze douaneregeling onder het toepassingsbereik van artikelen 85 tot en met 90 van het CDW valt.
5.4
Ingevolge artikel 85 van het CDW is voor het gebruik van iedere economische douaneregeling een vergunning vereist. Voor toekenning van de vergunning voor actieve veredeling moet niet alleen zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 86 en 87 CDW, die algemeen gelden bij elke economische douaneregeling, maar tevens aan een aantal formele en materiële vereisten (zie bijvoorbeeld artikel 117, onder b, CDW). In de vergunning kunnen bepalingen worden opgenomen die de aanvrager in acht moet nemen. Bij het verlenen van de vergunning moet onder meer worden vastgesteld wat de termijn voor wederuitvoer van de veredelingsproducten is.
5.5
Aan belanghebbende is een vergunning voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem verleend, welke geldig was van 23 mei 2012 tot en met 23 mei 2015. In de vergunning is onder meer vermeld:
7 Goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst | |
GN-code | 2106 9092 40 |
Omschrijving | Hydrolisanten van proteïne. (…) |
5.6
Met de aangiften die belanghebbende in de periode van 12 november 2012 tot en met 17 juni 2013 heeft gedaan heeft zij de plaatsing van ‘hydrolisanten van proteïne’ in de zin van postonderverdeling 2106 9092 40 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem aangegeven. Als land van oorsprong heeft zij Thailand aangegeven.
6 Tariefpreferentie
6.1
In Bijlage I van Verordening nr. 732/20088.zijn de landen en gebieden opgesomd waarop het schema van algemene tariefpreferenties van de Unie in de periode van1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 van toepassing was. Onder meer Thailand is in deze opsomming genoemd. In artikel 6, lid 2, van de verordening is bepaald:
“De ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief welke van toepassing zijn op de producten die in bijlage II als gevoelig zijn aangemerkt, worden met 3,5 procentpunten verlaagd. (…)”
6.2
In de tabel die is opgenomen in Bijlage II bij Verordening nr. 732/2008 worden onder meer de volgende producten genoemd:
ex hoofdstuk 21 | Diverse producten voor menselijke consumptie, behalve de producten van de onderverdelingen 2101 20 en 2102 20 19, en met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2106 10, 2106 90 30, 2106 90 51, 2106 90 55 en 2106 90 59 | G |
2101 20 | Extracten, essences en concentraten van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté | NG |
2102 20 19 | Andere inactieve gist | NG |
6.3
Zolang Verordening nr. 732/2008 vigerend was gold dus onder meer een tariefpreferentie ter zake van ‘hydrolisanten van proteïne’ in de zin van postonderverdeling 2106 9092 40 van de GN van oorsprong uit Thailand. Bij Verordening nr. 512/20119.is Verordening nr. 732/2008 gewijzigd. De toepassingstermijn van deze verordening is met deze wijziging verlengd tot en met 31 december 2013.10.
6.4
Ten tijde van de aangiften voor de douaneregeling actieve veredeling, in de jaren 2012 en 2013, is het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld bij Verordening nr. 1006/201111.respectievelijk Uitvoeringsverordening nr. 927/201212.. Uit deze verordeningen volgt dat het douanerecht dat van toepassing was op goederen die vallen onder postonderverdeling 2106 9092 40 van de GN 12,8% bedroeg. Toepassing van artikel 6, lid 2, van Verordening nr. 732/2008 zou dus resulteren in een preferentieel tarief van 9,3%. Artikel 6, lid 3, van Verordening nr. 732/2008 bepaalt echter:
“3. Wanneer de preferentiële rechten die zijn berekend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 980/2005 op basis van de ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals van toepassing op 25 augustus 2008, een tariefverlaging van meer dan 3,5 procentpunten opleveren voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde producten, zijn deze preferentiële rechten van toepassing.”
6.5
Artikel 7 van Verordening nr. 980/2005 luidt13.:
“(…)
2. De ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor de producten die in bijlage II als gevoelig zijn aangemerkt, worden met 3,5 procentpunten verlaagd. Voor producten van de afdelingen XI(a) en XI(b) bedraagt de verlaging 20 %.
3. Wanneer de preferentiële rechten die zijn berekend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2501/2001 op basis van de ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals van toepassing op de dag vóór de inwerkingtreding van deze verordening, een tariefverlaging van meer dan 3,5 procentpunten opleveren voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde producten, zijn deze preferentiële rechten van toepassing.
(…)”
6.6
Artikel 7 van Verordening nr. 2501/200114.luidt:
“(…)
2. De ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief die van toepassing zijn op de producten die in bijlage IV als gevoelig zijn vermeld, worden met 3,5 procentpunten verlaagd. Voor producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 bedraagt de verlaging20 %.
3. Wanneer de preferentiële rechten die zijn berekend overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2820/98 op basis van de ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals van toepassing op 31 december 2001 een tariefverlaging van meer dan 3,5 procentpunten opleveren voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde producten, zijn deze preferentiële rechten van toepassing zolang de verlaging meer dan 3,5 procentpunten bedraagt.
(…)”
6.7
Artikel 2 van Verordening nr. 2820/9815.luidt:
“2. Het preferentiële recht dat van toepassing is op de producten van deel 2 van bijlage I bedraagt 70 % van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief waaraan het betrokken product onderworpen is, onverminderd het bepaald in titel II.”
6.8
In Bijlage III bij Verordening nr. 2820/98 zijn de landen opgesomd die voor algemene tariefpreferenties in aanmerking komen. In deze opsomming is onder meer Thailand opgenomen.
6.9
In bijlage I met het opschrift “Indeling van producten naar gevoeligheid”, is onderdeel 2 met een tabel met de titel “Gevoelige producten” opgenomen. Hierin is onder meer postonderverdeling 2106 90 92 van de GN (Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen; andere dan suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen) vermeld.
6.10 70 %
70 % van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief waar het onderhavige goed aan onderworpen is (12,8%) 8,96.
6.11
Artikel 14, lid 3, van Verordening nr. 732/2008 bepaalt:
“3. Onverminderd de leden 1 en 2 wordt het overeenkomstig deze verordening berekende definitieve preferentiële recht naar beneden afgerond op één decimaal.”
6.12
Nu 8,9 % een lager percentage is dan 9,3 % en de uitzondering van artikel 6, lid 3 van Verordening nr. 732/2008 dus van toepassing is, gold ten tijde van indiening van de aangiften door belanghebbende voor de douaneregeling actieve veredeling een preferentieel tarief van 8,9 % voor de door belanghebbende aangegeven goederen. Partijen zijn het hierover eens.
6.13
Bij Uitvoeringsverordening nr. 1213/201216.zijn de tariefpreferenties voor onder meer ‘Producten van de voedselindustrie (met uitzondering van vlees en vis), dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn’ van oorsprong uit Thailand met ingang van 1 januari 2014 geschorst. Op 31 december 2014 was deze schorsing nog steeds van kracht. Tijdens de periode van 4 februari 2014 tot en met 26 augustus 2014, toen de aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen zijn ingediend en door aanvaarding de douaneregeling ‘actieve veredeling’ is beëindigd (zie hoofdstuk 7), was de tariefpreferentie waar belanghebbende zich op beroept dus niet meer van toepassing. Dit is tussen partijen niet in geschil.
7. Beëindiging schorsingsregeling
7.1
Artikel 89, lid 1, van het CDW bepaalt dat een economische schorsingsregeling wordt beëindigd wanneer de onder deze regeling geplaatste goederen of, in voorkomend geval, de onder deze regeling verkregen veredelings- of behandelde producten een nieuwe toegestane douanebestemming krijgen. Eén van de toegestane douanebestemmingen is: in het vrije verkeer brengen. Doordat de door belanghebbende in de periode van 12 november 2012 tot en met 17 juni 2013 voor de douaneregeling actieve veredeling aangegeven goederen in de loop van 2014 in het vrije verkeer zijn gebracht, is de douaneregeling actieve veredeling dan ook beëindigd. De douaneregeling ‘actieve veredeling’ is echter ontworpen voor de gevallen dat wederuitvoer van het veredelingsproduct plaatsvindt. Beide toepassingsvormen van die douaneregeling zijn dan ook er op gericht dat de vergunninghouder in geval van wederuitvoer geen douanerechten wordt verschuldigd. Indien wederuitvoer binnen het schorsingssysteem achterwege blijft, moeten de bij het binnenbrengen van de invoergoederen niet-geheven douanerechten alsnog worden betaald, zo volgt uit artikel 201, lid 1, onder a, van het CDW:
“1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a. wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht,
(…) ”
7.2
De douaneschuld ontstaat in het onderhavige geval dus op het moment van aanvaarding van de onder 2.3. genoemde aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen (zie ook punten 17 en 18 van de uitspraak van de Rechtbank).
7.3
Artikel 214, lid 1, van het CDW bepaalt het moment van vaststelling van de douanerechten. De douanerechten worden in beginsel vastgesteld op basis van de heffingsgrondslagen die gelden op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat:
“1. Behoudens andersluidende bepalingen die in dit wetboek zijn vastgesteld en onverminderd lid 2, wordt het bedrag van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer waaraan goederen zijn onderworpen, vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat.
(…)”
7.4
Ingevolge artikel 214, lid 1 juncto artikel 201, lid 1, onder a, CDW worden de douanerechten dus vastgesteld op grond van de heffingsgrondslagen die gelden ten tijde van het in het vrije verkeer brengen van de goederen (zie ook punt 20 van de uitspraak van Rechtbank). Op deze algemene regel zijn echter uitzonderingen mogelijk, zo vermeldt de eerste volzin van artikel 214, lid 1, CDW. Ter zake van de douaneregeling actieve veredeling is in artikel 121, lid 1, van het CDW bepaald dat, wanneer een douaneschuld ontstaat, het bedrag van deze schuld wordt vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die geldend waren op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van de invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling is aanvaard:
“1. Onder voorbehoud van artikel 122 wordt, wanneer een douaneschuld ontstaat, het bedrag van deze schuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling is aanvaard.
2. Indien de invoergoederen op het in lid 1 bedoelde tijdstip voldeden aan de voorwaarden om in het kader van tariefcontingenten of tariefplafonds in aanmerking te komen voor een preferentiële behandeling, kunnen deze goederen in aanmerking komen voor de preferentiële tariefbehandeling die voor identieke goederen eventueel geldt op het tijdstip waarop de aangifte tot het in vrije verkeer brengen is aanvaard.”
7.5
De Engelse, Duitse, Franse en Italiaanse tekstversies wijken inhoudelijk niet van de Nederlandse tekstversie af:
“1 . Subject to Article 122, where a customs debt is incurred , the amount of such debt shall be determined on the basis of the taxation elements appropriate to the import goods at the time of acceptance of the declaration of placing of these goods under the inward processing procedure.
2 . If at the time referred to in paragraph 1 the import goods fulfilled the conditions to quality for preferential tariff treatment within tariff quotas or ceilings, they shall be eligible for any preferential tariff treatment existing in respect of identical goods at the time of acceptance of the declaration of release for free circulation .”
“( 1 ) Vorbehaltlich des Artikels 122 wird bei Entsteheneiner Zollschuld die Höhe dieser Zollschuld anhand der Beifiessungsgrundlagen berechnet, die für die Einfuhrwaren in dem Zeitpunkt maßgebend waren , in dem die Anmeldung zur Überführung clieser Waren in den aktiven Veredelungsverkehr angenommen wurde.
(2) Wenn die Einfuhrwaren zu dem in Absatz 1 genannten Zeitpunkt die Voraussetzungen für eine Zollpräferenzbehandlung im Rahmen von Zollkontingenten oder Zollplafonds erfüllten, so kann auf sie die Zollpräferenzbehandlung angewandt werden, die gegebenenfalls für gleiche Waren in dem Zeitpunkt galt, in dem die Anmeldung zur Überführung in den zollrechtlich freien Verkehr angenommen wurde.”
“1 . Sous réserve de l'article 122 , lorsqu'une dette douanière naît , le montant de cette dette est déterminé sur la base des éléments de taxation propres aux marchandises d'importation
au moment de l'acceptation de la déclaration de placement de ces marchandises sous le régime du perfectionnement actif.
2. Lorsque les marchandises d'importation remplissaient, au moment visé au paragraphe 1 , les conditions pour bénéficier d'un traitement tarifaire préférentiel dans le cadre de contingents tarifaires ou de plafonds tarifaires, ces marchandises peuvent bénéficier du traitement tarifaire préférentiel éventuellement prévu pour des marchandises identiques au moment de l'acceptation de la déclaration de mise en libre pratique.”
“1 . Fermo restando l'articolo 122, quando sorga un'obbligazione doganale, l'importo della stessa è determinato in base agli elementi di tassazione in vigore per le merci d'importazione al momento dell'accettazione della dichiarazione relativa al vincolo di tali merci al regime di perfezionamento attivo.
2. Se, alla data di cui al paragrafo 1 , le merci d'importazione soddisfacevano alle condizioni stabilite per fruire di un trattamento tariffario preferenziale nel quadro di contingenti tariffari o di massimali tariffari, dette merci possono essere prese in considerazione ai fini del trattamento tariffario preferenziale eventualmente vigente per merci identiche al momento dell'accettazione della dichiarazione di immissione in libera pratica.”
7.6
In artikel 121, lid 1, van het CDW wordt verwezen naar artikel 122 van het CDW. Daarin is bepaald in welke gevallen van artikel 121 van het CDW wordt afgeweken. Nu geen van de partijen het standpunt heeft ingenomen dat zich in het onderhavige geval een uitzonderingssituatie in de zin van artikel 122 van het CDW voordoet, laat ik die bepaling verder buiten beschouwing.
7.7
Aangezien de douaneschuld bij toepassing van artikel 121 van het CDW later ontstaat dan volgens de hoofdregel van artikel 214 van het CDW, geniet de douaneschuldenaar een (rente)voordeel. Teneinde dit voordeel weg te nemen is in artikel 214, lid 3, juncto artikel 519 van het TCDW bepaald dat wanneer voor de onder de douaneregeling actieve veredeling geplaatste invoergoederen of veredelingsproducten een douaneschuld ontstaat, ‘compensatierente’ verschuldigd is over het bedrag aan invoerrechten.
8. Artikel 121, lid 1, CDW (cassatiemiddelonderdeel 1)
8.1
De Staatssecretaris neemt het standpunt in dat onder het begrip ‘heffingsgrondslagen’ in artikel 121, lid 1, van het CDW niet mede moet worden verstaan het douanetarief in de zin van artikel 20, lid 3, van het CDW. Steun voor dit standpunt vindt hij in het gegeven dat in het op 1 juni 2016 in werking getreden DWU een artikel 86 (de opvolger van artikel 121, lid 1, van het CDW) is opgenomen waarin als heffingsgrondslag alleen de tariefindeling is genoemd en niet het tariefpercentage of het preferentieel tarief:
“3. Indien een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, wordt het met die schuld overeenkomende bedrag aan invoerrechten op verzoek van de aangever vastgesteld op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid, aard en oorsprong van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen op het tijdstip waarop de douaneaangifte voor die goederen is aanvaard.”
8.2
Het valt op dat de Staatssecretaris in cassatie een ander standpunt inneemt dan de Inspecteur in hoger beroep heeft gedaan. In de motivering van het hoger beroepschrift17.merkt de Inspecteur namelijk juist op dat het douanetarief een heffingsgrondslag is en dat een preferentieel tarief ook daaronder valt.18.Aangezien van een in feitelijke instanties ingenomen rechtskundig standpunt in cassatie kan worden afgeweken zolang binnen de grenzen van het geschil wordt gebleven,19.hetgeen hier het geval is, zal ik de stelling van de Staatssecretaris hierna behandelen.
8.3
Ik meen dat uit de wetssystematiek en de bewoordingen van het CDW buiten redelijke twijfel volgt dat het douanetarief een heffingsgrondslag is in de zin van het CDW. Titel II van het CDW, met het opschrift: “Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen” (cursivering van mij) kent namelijk drie hoofdstukken:
1: douanetarief;
2: oorsprong; en
3: douanewaarde van de goederen.
8.4
In hoofdstuk 1 is artikel 20 opgenomen, dat luidt (cursivering van mij):
“1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.
(…)
3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen;
b) iedere andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van onderverdelingen wordt overgenomen en die voor de toepassing van tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen wordt vastgesteld;
c) de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot:
- de douanerechten, en
- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn;
d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien;
e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld;
f) de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;
g) de overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen.
8.5
Het CDW merkt het ‘douanetarief van de Europese Gemeenschappen’ aan als een element dat ten grondslag ligt aan de toepassing van de rechten bij invoer. Onder het douanetarief van de Europese Gemeenschappen moeten onder meer ‘de percentages en andere heffingsgrondslagen’ worden geschaard, alsmede de preferentiële tariefmaatregelen. Het douanetarief is dus een heffingsgrondslag in de zin van het CDW. Een verklaring waarom het douanetarief niet wordt genoemd in artikel 86, lid 3, van het DWU, kan erin zijn gelegen dat de douaneregelingen actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem en behandeling onder douanetoezicht zijn samengevoegd in het DWU, (en de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het terugbetalingssysteem is geschrapt,) omdat het voornemen tot wederuitvoer niet langer een vereiste is.20.De douaneregeling behandeling onder douanetoezicht maakte het mogelijk dat goederen pas ná veredeling werden ingevoerd indien sprake was van goederen die door veredeling onder een lager tarief vielen dan voor de bewerking.21.De door de bewerking verkregen producten konden dan na bewerking in het vrije verkeer worden gebracht tegen het voor deze goederen op dat moment geldende douanetarief. Dat de Uniewetgever de heffingsgrondslag douanetarief binnen de samengevoegde regeling in het DWU heeft uitgezonderd kan worden verklaard door het gegeven dat in het CDW onder de douaneregeling behandeling onder douanetoezicht ter zake van de heffingsgrondslagen anders dan onder de douaneregeling actieve veredeling werd aangeknoopt bij het moment van in het vrije verkeer brengen van de goederen. Aan deze gewijzigde regeling in het DWU kan in mijn optiek niet de gevolgtrekking worden verbonden dat het douanetarief onder toepassing van het CDW geen heffingsgrondslag is.
8.6
Op grond van het vorenstaande concludeer ik dat het douanetarief een heffingsgrondslag is als bedoeld in artikel 121, lid 1, van het CDW. Lux meent dat een beroep kan worden gedaan op een preferentieel tarief dat gold ten tijde van plaatsing van de invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling, ook al was dat tarief op het moment van het in het vrije verkeer brengen niet langer van toepassing. Enkel indien in het kader van een tariefcontingent of tariefplafond om toepassing van een preferentiële tariefbehandeling wordt verzocht, geldt volgens Lux dat het tariefcontingent nog van toepassing moet zijn op het moment van het in het vrije verkeer brengen van de goederen, respectievelijk dat het reguliere tarief niet opnieuw is ingesteld (cursivering van mij):22.
“According to the normal rules (Arts 67, 214 CC) the import duty would be calculated on the basis of the nature, customs value and quantity of the goods at the time of acceptance of the declaration for release for free circulation or of any other event leading tot the result that a customs debt is incurred. In the case of inward processing, this would mean that the value added to the import goods inside the EC customs territory would be included in the customs value and thus increase the duty. Such a result would obviously be in contradiction to the main objective of import duties, i.e. to make foreign products and processing carried out abroad more expensive than domestic merchandise and processing, and thus protect Community industry.
Art. 121 CC derogates therefore from this principle and stipulates that the nature, quantity customs value, and duty rate of the import goods at the time they were placed under inward processing are to be taken into account. If the import goods were eligible for preferential treatment at that time, such treatment can still be granted. In the case of a tariff quota or tariff ceiling, this requires, however, that the quota is still available or, with regard to a tariff ceiling, that the normal duty has not been reintroduced by this time (Art. 121 (2) CC).”
8.7
Tusveld & Vervaet huldigen een tegengestelde opvatting (cursivering van mij):23.
“Bij het afzien van de vrijstelling moeten dus de rechten bij invoer (alsnog) worden voldaan.
De rechten bij invoer worden geheven over de grondstoffen als zouden zij op het tijdstip, waarop zij onder de Regeling AV gebracht werden, in het vrije verkeer gebracht zijn (ten invoer tot verbruik aangegeven.) Er vindt dus heffing plaats van de rechten waarvoor vrijstelling verkregen was (‘opgeschorte rechten’). In de aangifte voor het vrije verkeer worden dan ook de gegevens die betrekking hebben op de met de hoeveelheid veredelingsprodukten overeenkomende invoergoederen vermeld.
Als uitvloeisel hiervan geldt dat, als op het tijdstip van invoer van de grondstoffen een preferentie van toepassing was, deze preferentie ten tijde van het afzien van de vrijstelling mag worden toegepast, indien er ten tijde van het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsprodukten voor identieke grondstoffen (nog steeds) een dergelijke preferentie geldt.”
8.8
In artikel 121, lid 1, van het CDW (zie onderdeel 7.4) is bepaald dat wanneer een douaneschuld ontstaat, het bedrag wordt vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling is aanvaard. Hiervoor heb ik al uiteengezet dat het douanetarief één van de heffingsgrondslagen vormt, zodat het toepasselijke tarief wordt bepaald op het moment waarop de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling wordt aanvaard. In artikel 121 is geen voorbehoud gemaakt voor een preferentieel tarief. In het tweede lid is in het kader van tariefcontingenten en tariefplafonds wel expliciet bepaald dat een preferentiële tariefbehandeling van toepassing is die geldt voor aan de invoergoederen identieke goederen op het moment van het ontstaan van de douaneschuld. Uit de letterlijke bewoordingen van artikel 121 van het CDW moet dan ook worden afgeleid dat het voor toepassing van deze bepaling niet uitmaakt of het preferentiële tarief dat gold op het moment van plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling, op het moment van ontstaan van de douaneschuld al dan niet geschorst is.
8.9
Het gegeven dat een preferentiële tariefbehandeling in het kader van tariefcontingenten en tariefplafonds enkel kan worden toegepast als deze wordt toegepast voor aan de invoergoederen identieke goederen op het moment van ontstaan van de douaneschuld, maakt dit niet anders. Doordat de Uniewetgever heeft bepaald dat het niet mogelijk is een tariefpreferentiemaatregel toe te passen die tot een bepaald invoervolume is beperkt, indien dit invoervolume bij het ontstaan van de douaneschuld reeds bereikt is (ook niet indien dit invoervolume op het moment van plaatsing van de invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling nog niet bereikt was), is het in principe niet uitgesloten dat de Uniewetgever beoogd heeft om toepassing van tariefpreferenties die op het moment van ontstaan van de douaneschuld niet meer van toepassing zijn, eveneens niet toe te staan. Dit laat echter onverlet dat de Uniewetgever heeft nagelaten voor tariefmaatregelen die niet tot een invoervolume beperkt zijn een specifieke uitzondering in het leven te roepen, zodat voor toepassing van die preferentiemaatregelen op basis van de letterlijke bewoordingen van artikel 121 van het CDW niet vereist is dat deze bij het ontstaan van de douaneschuld nog gelden.
8.10
Door de toepassing van artikel 121 van het CDW wordt voorkomen dat invoerrechten worden geheven over de waardevermeerdering van de invoergoederen die optreedt als gevolg van de veredeling die heeft plaatsgevonden binnen de Unie. Door aan te haken bij de heffingsgrondslagen die golden voor de invoergoederen op het moment van plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling, en niet bij de heffingsgrondslagen die gelden voor de invoergoederen/veredelingsproducten op het moment van in het vrije verkeer brengen van deze goederen, wordt de gehele veredeling(periode) buiten beschouwing gelaten. De door de Unie als gevolg van de latere betaling geleden renteschade wordt geneutraliseerd door de compensatierente. Binnen dit systeem past niet dat op het moment van het ontstaan van de douaneschuld beoordeeld moet worden of de tariefpreferentie die gold bij plaatsing van de invoergoederen onder de douaneregeling actieve veredeling op dat moment geschorst is of niet. Dat moment is binnen het regime van artikel 121 van het CDW immers niet relevant.
8.11
Gelet op vorenstaande kom ik tot de slotsom dat, indien de douaneschuld dient te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 1, van het CDW, een preferentieel tarief dat gold ten tijde van plaatsing van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling, maar op het moment van het in het vrije verkeer brengen van de goederen niet meer, van toepassing is indien aan de voorwaarden voor toepassing is voldaan. Cassatiemiddelonderdeel 1 faalt dus.
8.12
Vervolgens moet worden beoordeeld of belanghebbende een geldig verzoek om toepassing van het preferentiële tarief heeft ingediend (cassatiemiddelonderdeel 2).
9. Verzoek om toepassing van het preferentiële tarief (cassatiemiddelonderdeel 2)
9.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 121, eerste lid, van het CDW is gehouden het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften ten invoer (zie punt 5.6 van de uitspraak). Het Hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat voor toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121 lid 1 CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht. Het Hof gaat dus ervan uit dat een fictief verzoek toereikend is. De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat op het moment van aanvaarden van de aangiften voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem geen douaneschuld is ontstaan, zodat op dat moment niet om het preferentiële tarief kon worden verzocht. Aan de in artikel 20, lid 4, van het CDW vervatte voorwaarde dat expliciet moet zijn verzocht om toepassing van het preferentiële tarief, is derhalve niet voldaan, aldus de Staatssecretaris. Dat belanghebbende ten tijde van de aangiften actieve veredeling de preferentiële oorsprongscertificaten reeds in zijn bezit had en de nummers van deze certificaten op de aangiften heeft vermeld, maakt dit volgens de Staatssecretaris niet anders. In de ‘Toelichting Enig Document’ is met betrekking tot vak 36 namelijk vermeld: “Dit vak bevat informatie betreffende de tariefbehandeling van de goederen. Ook invullen indien geen tariefpreferentie wordt gevraagd.” Het invullen van dit vak is derhalve verplicht, ongeacht of een tariefpreferentie van toepassing is, zo stelt de Staatssecretaris. Belanghebbende heeft in zijn optiek daarom pas met het indienen van de aangiften in het vrije verkeer brengen conform de voorwaarden van artikel 20 van het CDW verzocht om toepassing van het preferentiële tarief. Aangezien het preferentiële tarief op dat moment niet meer gold, kan het niet worden toegepast, zo redeneert de Staatssecretaris.
9.2
Ik ben het met de Staatssecretaris eens dat op het moment van aanvaarden van de aangiften voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem nog geen douaneschuld is ontstaan. Zoals ik hiervoor al heb vermeld, ontstaat de douaneschuld in het onderhavige geval op het moment van aanvaarding van de aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen (zie onderdeel 7.2).
9.3
Ingevolge artikel 20, leden 3 en 4 van het CDW dient een aangever om toepassing van preferentiële tariefmaatregelen te verzoeken:
“3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
(…)
c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot:
- de douanerechten, en
- de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;
d. de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien;
e. de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld;
f. de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;
(…)
4. Onverminderd de voorschriften met betrekking tot de forfaitaire heffing, treden de in lid 3, onder d, e en f, bedoelde maatregelen op verzoek van de aangever in de plaats van de onder c genoemde, wanneer de betrokken goederen aan de in eerstgenoemde maatregelen vervatte voorwaarden voldoen. Het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan.”
9.4
Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen met de bewoordingen en het doel van die bepaling rekening moet worden gehouden, maar ook met de context ervan en de doeleinden die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.24.
9.5
Uit de bewoordingen “het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan” volgt dat zelfs achteraf, nadat de aangifte voor het vrije verkeer is aanvaard, om toepassing van het preferentiële tarief kan worden verzocht.25.
9.6
Vaststaat dat belanghebbende bij haar aangiften in het vrije verkeer brengen om toepassing van het preferentiële tarief heeft verzocht (zie onderdeel 2.3 van deze conclusie). Uit de bewoordingen van artikel 20, lid 4, van het CDW, in het bijzonder “het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan” leid ik af dat op het moment van indiening van het verzoek nog aan de voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief moet zijn voldaan. Zie in dit verband ook achtereenvolgens de Engelse, Duitse, Franse en Italiaanse taalversies van lid 4 van artikel 20 van het CDW:
“4. Without prejudice to the rules on flat-rate charges, the measures referred to in paragraph 3 (d), (e), and (f) shall apply at the declarant’s request instead of those provided for in subparagraph (c) where the goods concerned fulfil the conditions laid down by those first-mentioned measures. An application may be made after the event provided that the relevant conditions are fulfilled.”
“(4) Ubeschadet der Vorschriften über die Verzollung zum Pauschalsatz sind die in Absatz 3 Buchstaben d) bis f) aufgeführten Maßnahmen auf Antrag des Anmelders anstelle der unter Buchstabe c) genannten Maßnahmen anwendbar, wenn die betreffenden Waren die Voraussetzungen für die Anwendung der erstgenannten Maßnahmen erfüllen. Der Antrag kann solange nachträglich gestellt werden, wie die diesbezüchlichen Vorassetzungen erfüllt sind.”
“4 . Sans préjudice des règles relatives à la taxation forfaitaire, les mesures visées au paragraphe 3 points d), e) et f)s'appliquent sur demande du déclarant au lieu de celles prévues au point c) lorsque les marchandises en cause remplissent les conditions prévues par ces premières mesures. La demande peut être introduite a posteriori aussi longtemps que les conditions y relatives sont remplies.”
“4 . Fatte salve le disposizioni relative alla tassazione forfettaria , quando le merci considerate soddisfano le conarticolodizioni stabilite dal paragrafo 3 , lettere da d) a f), queste misure si applicano su richiesta del dichiarante in luogo e vece di quelle di cui alla lettera c). La domanda può essere introdotta a posteriori finché sussistono le condizioni richieste.”
9.7
Ik meen dat artikel 121, lid 1, van het CDW dat niet anders maakt. Wel meen ik dat die bepaling meebrengt dat voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van het in het vrije verkeer brengen aan de materiele voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan, moet worden aangehaakt bij de voorwaarden zoals die golden op het moment van indiening van de aangifte voor de douaneregeling actieve veredeling. Een andersluidende uitleg zou immers tot resultaat hebben dat artikel 121, lid 1, van het CDW zinledig zou zijn. Op het moment dat belanghebbende bij haar aangiften in het vrije verkeer brengen om toepassing van het preferentiële tarief verzocht, moet zij voor toepassing van het preferentiële tarief dus nog steeds aan de voorwaarden voldoen zoals deze golden ten tijde van het plaatsen onder de douaneregeling actieve veredeling.
9.8
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de invoergoederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief van 8,9%. Uit de stukken van het geding leid ik af dat evenmin in geschil is dat belanghebbende op het moment dat zij bij haar aangiften in het vrije verkeer brengen verzocht om toepassing van het preferentiële tarief nog steeds aan alle voorwaarden voldeed. Ik merk ter zake het volgende op.
9.9
In punt 26 van de uitspraak van de Rechtbank is vermeld dat de Inspecteur ter zitting heeft aangevoerd dat hij er vanuit gaat dat ten tijde van de aangiften voor de regeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem de formulieren A aanwezig waren. De Rechtbank overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat de goederen niet aan de andere voorwaarden voldeden. De Inspecteur is hiertegen niet opgekomen in hoger beroep. Belanghebbende heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat zij op ieder moment aan de voorwaarden heeft voldaan en dat zij ten tijde van de aangifte in het vrije verkeer brengen beschikte over de benodigde oorsprongscertificaten.26.Ik ben in de stukken van het geding niet tegengekomen dat de Inspecteur deze stelling heeft bestreden. Ik ga er in het navolgende derhalve vanuit dat belanghebbende op het moment van indiening van het verzoek bij de aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen nog aan de voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief voldeed.
9.10
Nu voorts vaststaat dat belanghebbende bij de aangifte in het vrije verkeer brengen om toepassing van het preferentiële tarief heeft verzocht, zijn de douaneautoriteiten gehouden dit tarief toe te passen.
9.11
Ik sluit me dus aan bij het oordeel van de Rechtbank en de door haar gebezigde gronden.
9.12
Met cassatiemiddelonderdeel 2 komt de Staatssecretaris in wezen op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende geacht wordt een verzoek om toepassing van het preferentiële tarief te hebben ingediend ten tijde van het plaatsen van de goederen onder de regeling actieve veredeling. Ik ben het met hem eens dat dit oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Cassatiemiddelonderdeel 2 slaagt dus. Gelet op het vorenstaande kan dit middelonderdeel echter niet tot cassatie leiden. De overige middelonderdelen behoeven geen behandeling meer.
10. Conclusie
De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑06‑2018
De inspecteur van de Belastingdienst/Douane [P] .
De feiten zijn ontleend aan de nader te noemen uitspraak van het Hof.
Het beroepschrift in cassatie is op 4 april 2017 bij de Hoge Raad ingekomen.
Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, PB 2013 L 269, blz. 1.
Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB 1993 L 253, blz. 1.
De meest voorkomende aanleiding voor het ontstaan van een douaneschuld is genoemd in artikel 201 van het CDW: het in het vrije verkeer brengen van goederen (zie E.N. Punt & Van Vliet, Douanerechten, Inleiding tot het communautaire douanerecht, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 36.
Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie, PB 2008 L 211, blz. 1.
Verordening (EU) nr. 512/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011, PB 2011 L 145, blz. 28.
In artikel 32, lid 2, van Verordening nr. 732/2008 is na inwerkingtreding van Verordening nr. 512/2011 opgenomen:“2. Deze verordening is van toepassing van 1 januari 2009 tot en met de vroegste van de volgende twee datums: 31 december 2013 of de bij de volgende verordening vastgestelde datum (…).”Verordening nr. 732/2008 is ingevolge artikel 41 van Verordening nr. 978/2012 per 1 januari 2014 ingetrokken.
Voetnoten zijn niet overgenomen.
Verordening (EG) nr. 2501/2001 van de Raad van 10 december 2001 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004, PB 2011 L 346, blz. 1.
Verordening (EG) nr. 2820/98 van de Raad van 21 december 1998 houdende toepassing, voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001, van een meerjarenschema van algemene tariefpreferenties, PB 1998 L 357 blz.1.
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1213/2012 van de Commissie van 17 december 2012 tot schorsing van de tariefpreferenties voor bepaalde SAP-begunstigde landen ten aanzien van bepaalde SAP-afdelingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties, PB 2012 L 348, blz. 11.
Processtuk “Motivering hoger beroep” van 5 juli 2016 met kenmerk 16/207/3190/146.
Zie tevens het proces-verbaal, waaruit blijkt dat de Inspecteur in hoger beroep heeft verklaard: “Ik pas artikel 121, lid 1, CDW wel [ ] degelijk toe. Dit artikel bepaalt echter dat voor de heffingsgrondslagen gekeken moet worden naar een ander moment en niet dat de douaneschuld op een ander moment ontstaat. De heffingsgrondslagen omvatten ook de toepassing van een preferentieel of conventioneel tarief.”
Zie HR 12 april 1978, nr. 18 365, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1978:AX3014, BNB 1978/171 m.nt. Hofstra en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Kluwer, Deventer, 2014, blz. 94 en 95.
Dit volgt uit punt 33 van de considerans bij het gemoderniseerd douanewetboek (GDW). Het GDW heeft nooit kracht van wet gekregen (zie M. Chin-Oldenziel, “Het Douanewetboek van de Unie: wat gaat er veranderen?”, WFR 2014/418). De hercodificatie van het GDW, het DWU, is echter met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden. De artikelen waarin aan de Commissie de bevoegdheid wordt verleend om gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen op te stellen en de bepaling omtrent de intrekking van het GDW zijn al op 30 oktober 2013 van toepassing geworden.
E.N. Punt & Van Vliet, Douanerechten, Inleiding tot het communautaire douanerecht, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 332.
M. Lux, Guide to Community Customs Legislation, Bruylant, Brussel, 2002, blz. 376 en 377.
R.G.A. Tusveld & F.L.J. Vervaet, Veredelingsverkeer – Een overzicht van de douanetechnische en BTW-regelingen ter zake van veredelingsverkeer, Kluwer, Deventer, 1996, blz. 58. Voetnoten zijn niet overgenomen.
HvJ 11 juli 2013, Csonka e.a., C‑409/11, na conclusie A-G Mengozzi, ECLI:EU:C:2013:512, punt 23; HvJ 4 september 2014, Vnuk, C‑162/13, ECLI:EU:C:2014:2146, VR 2015/112, punt 42; HvJ 26 maart 2015, Litaksa, C-556/13, ECLI:EU:C:2015:202, RAV 2015/60punt 23; HvJ 28 januari 2016, BP Europa, C-64/15, ECLI:EU:C:2016:62, NTFR 2016/697 m.nt. Sanders, punt 28; en HvJ 11 mei 2017, Krijgsman, C‑302/16, ECLI:EU:C:2017:359, NJ 2018/88 m.nt. Loos, punt 24.
E.N. Punt & Van Vliet, Douanerechten, Inleiding tot het communautaire douanerecht, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 124.
Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard: “Wij hebben op ieder moment aan de voorwaarden voldaan en gehandeld volgens de voorschriften. Zowel ten tijde van de aangifte voor de douaneregeling actieve veredeling als ten tijde van de aangifte voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen waren de Form A certificaten aanwezig.”
Beroepschrift 19‑05‑2017
Den Haag, [19 MEI 2017]
Kenmerk: 2017-0000099784
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 17/01695) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017, nrs. 16/00167 t/m 16/00174, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de uitnodigingen tot betaling van douanerechten met nrs. [002], [003], [004], [005], [006], [007], [008] en [009].
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 7 april 2017 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van de artikelen 20 en 121 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), artikel 889 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW) en van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 121, eerste lid, van het CDW is gehouden om het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeiden uit de aangiften ten invoer, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
Voor de feiten kan worden uitgegaan van de door het Hof onder punt 2 van de uitspraak vermelde feiten. De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling (utb's) uitgereikt en heeft het (algemene) tarief van 12,8% aan douanerecht toegepast en niet het door de gemachtigde in de aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen (uit de periode van 4 februari 2014 tot en met 26 augustus 2014) verzochte preferentiële tarief van 8,9%. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de utb's tot het juiste bedrag aan belanghebbende zijn uitgereikt en meer in het bijzonder welk douanetarief van toepassing is.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de aangiften voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem (2012/2013) een preferentieel tarief van 8,9% van toepassing was. Evenmin is tussen partijen in geschil dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de invoergoederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om — zo zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht — in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief van 8,9%. Voorts staat vast dat ten tijde van de aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen het preferentiële tarief voor de onderhavige goederen niet meer gold.
Op grond van artikel 201, eerste lid, onder a, van het CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Deze douaneschuld ontstaat op grond van artikel 201, tweede lid, van het CDW op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard. Ingevolge artikel 214, eerste lid, van het CDW wordt, behoudens andersluidende specifieke bepalingen uit het CDW, het bedrag van de rechten bij invoer waaraan goederen zijn onderworpen, vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat. Het geschil tussen partijen draait om de toepassing van artikel 121, eerste lid, van het CDW, welke bepaling een andersluidende specifieke bepaling vormt als bedoeld in artikel 214 van het CDW. Het eerste lid van artikel 121 van het CDW luidt als volgt:
- ‘1.
Onder voorbehoud van artikel 122 wordt, wanneer een douaneschuld ontstaat, het bedrag van deze schuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling is aanvaard.’
Dit artikel voorkomt dat ook douanerechten worden geheven over de waarde van de communautaire componenten die aan de invoergoederen kunnen zijn toegevoegd onder de regeling actieve veredeling. De Rechtbank heeft in r.o. 20 en 21 van haar uitspraak geoordeeld, en het Hof heeft dit oordeel gevolgd, dat onder heffingsgrondslagen in de zin van artikel 121, eerste lid, van het CDW mede moet worden verstaan het douanetarief in de zin van artikel 20, derde lid, van het CDW waartoe — naast het algemeen geldende tarief (onderdeel c) — ook het preferentiële tarief als bedoeld in het derde lid, letter e, behoort. De Rechtbank heeft voor haar oordeel acht geslagen op
- (i)
de bewoordingen van Titel II van het CDW,
- (ii)
het feit dat de wettelijke verschuldigde rechten worden gebaseerd op het douanetarief en
- (iii)
artikel 20,
derde lid, aanhef en onder c van het CDW waarin staat ‘percentages en andere heffingsgrondslagen’. Het is echter de vraag of deze zienswijze van een juiste rechtsopvatting getuigt. Onder Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: Verordening (EU) Nr. 952/2013), is de regeling actieve veredeling — schorsingssysteem — samengevoegd met de regeling behandeling onder douanetoezicht en is de regeling actieve veredeling — terugbetalingssysteem — geschrapt. Artikel 86 van de Verordening (EU) Nr. 952/2013 geeft bijzondere regels voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten. Ik wijs erop dat in het derde lid van laatstgenoemde bepaling — die de opvolger vormt van artikel 121, eerste lid, van het CDW — als heffingsgrondslag alleen de tariefindeling is genoemd en niet het tariefpercentage of het preferentieel tarief:
- ‘3.
Indien een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, wordt het met die schuld overeenkomende bedrag aan invoerrechten op verzoek van de aangever vastgesteld op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid, aard en oorsprong van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen op het tijdstip waarop de douaneaangifte voor die goederen is aanvaard.’
Ook ervan uitgaande dat het douanetarief tot de heffingsgrondslagen in de zin van artikel 121, eerste lid van het CDW behoort, getuigt 's Hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. De Inspecteur heeft voor het Hof betoogd dat het preferentiële tarief bij de berekening van de douaneschulden die voortvloeien uit de aangiften voor het vrije verkeer (in 2014) niet kan worden toegepast, omdat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de douaneregeling actieve veredeling (in 2012 en 2013) juridisch niet de mogelijkheid had om daarom te verzoeken en op het moment dat de goederen voor het vrije verkeer werden aangegeven (2014), het preferentiële tarief niet meer gold. Het Hof heeft deze stelling van de Inspecteur naar mijn mening ten onrechte verworpen. De opvatting van het Hof dat voor de toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, eerste lid, van het CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof miskent bij diens oordeel dat om ingevolge artikel 20, vierde lid, van het CDW voor het preferentiële tarief in aanmerking te komen aan een aantal specifieke voorwaarden moet worden voldaan. Genoemde bepaling luidt als volgt:
‘Onverminderd (…) treden de in lid 3 onder (…) e (…) bedoelde maatregelen op verzoek van de aangever in de plaats van de onder c genoemde, wanneer de betrokken goederen aan de in de eerstgenoemde maatregelen vervatte voorwaarden voldoen. Het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan.’
Het gaat bij de regeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem ingevolge artikel 114, eerste lid, onder a, van het CDW om ‘niet-communautaire goederen die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsprodukten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer (…) onderworpen zijn’. Nu op het tijdstip van aanvaarden van de aangiften voor de regeling actieve veredeling onder de schorsingsregeling geen douaneschuld ontstaat, kon in die aangiften in 2012/2013 niet om toepassing van het preferentiële tarief worden verzocht. De uitleg van het Hof waarbij wordt uitgegaan van een situatie dat belanghebbende om de toepassing van het preferentiële tarief zou hebben verzocht, acht ik niet juist. Artikel 20, vierde lid, van het CDW stelt immers als voorwaarde voor de toepassing van het preferentiële tarief dat daarom expliciet moet worden verzocht. Bovendien moeten de betrokken goederen aan de in de bedoelde maatregelen vervatte voorwaarden voldoen.
Het Hof heeft voor zijn uitleg van artikel 121, eerste lid, van het CDW ten onrechte steun gevonden in artikel 547bis UCDW, betreffende de regeling bijzondere bestemmingen. Aangezien voor de toepassing van het preferentiële tarief van artikel 20 van het CDW andere voorwaarden gelden dan voor de gunstige tariefbehandeling in het kader van een bijzondere bestemming, acht ik de door het Hof gemaakte vergelijking rechtens onjuist. Nu bij de aangifte voor de regeling actieve veredeling niet om een tariefpreferentie kon worden verzocht is het onderhavige geval vergelijkbaar met een situatie waarbij in 2012/2013 een aangifte voor het in het vrije verkeer brengen zou zijn gedaan waarin niet is verzocht om een tariefpreferentie en pas in 2014 is verzocht om terugbetaling onder overlegging van het preferentiële oorsprongscertificaat Form A. Ook in dat geval zouden de heffingsgrondslagen van 2012 of 2013 van toepassing zijn. Uit artikel 889, eerste lid, eerste alinea, tweede streepje van het UCDW volgt dat tariefpreferentie uitsluitend kan worden verleend indien op het tijdstip van het verzoek het normale verschuldigde douanerecht niet opnieuw werd ingesteld.
Ook in r.o. 5.7 wordt door het Hof miskend dat in het kader van de regeling actieve veredeling geen douaneschuld ontstaat en derhalve niet om toepassing van een tariefpreferentie kon worden verzocht. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de aangever ten tijde van de plaatsing van de invoergoederen onder de regeling actieve veredeling reeds over preferentiële certificaten van oorsprong beschikte, noch vanwege de vermelding van de nummers van deze certificaten in de aangiften voor de regeling actieve veredeling. In de Toelichting Enig document is ten aanzien van vak 36 het volgende vermeld: ‘Dit vak bevat informatie betreffende de tariefbehandeling van de goederen. Ook invullen indien geen tariefpreferentie wordt gevraagd.’ Het invullen van dit vak is derhalve verplicht, ongeacht of er een tariefpreferentie van toepassing is. Het invullen van deze code is uitsluitend van belang voor de vaststelling van het bedrag aan zekerheid overeenkomstig artikel 192 van het CDW. Het Hof leidt ten onrechte uit de berekening van het bedrag aan zekerheid af dat belanghebbende in de aangifte actieve veredeling om toepassing van het preferentiële tarief heeft verzocht en dat dit is onderkend en gehonoreerd.
Om aanspraak te maken op het preferentiële tarief dienen de preferentiële oorsprongscertificaten (Form A) in het kader van de aangifteprocedure van een aangifte voor het vrije verkeer bij de douane te worden overgelegd dan wel ten behoeve van de douane beschikbaar te worden gehouden. Ik meen dat de gemachtigde pas door het indienen van de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen in 2014 heeft verzocht om toepassing van het preferentiële tarief. Nu op de datum waarop de douaneschulden ontstonden het preferentiële tarief niet meer gold, bestaat hierop in het onderhavige geval geen recht.
Ik meen dat er minst genomen gerede twijfel bestaat over de uitleg van artikel 121 van het CDW in relatie tot artikel 20 van het CDW zodat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,