Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.2.1.3
8.2.2.1.3 Onmiddellijke aftrek
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291533:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In bijlage A, punt 21 bij het Voorstel voor een tweede richtlijn is voorgesteld om lidstaten de bevoegdheid te geven om gedurende een bepaalde overgangsperiode ten aanzien van investeringsgoederen de aftrek niet onmiddellijk, maar in jaarlijkse gedeelten te doen plaatsvinden (pro rata temporis-aftrekken). Deze overgangsmaatregel is door de lidstaten aanvaard en opgenomen in bijlage A, punt 23 bij de Tweede Richtlijn. (De historie van) deze uitzondering op het recht op onmiddellijke aftrek voor investeringsgoederen laat ik onbesproken, omdat deze afwijkingsmogelijkheid sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn niet meer bestaat.
Toelichting op art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 17.
In art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn is een recht op onmiddellijke aftrek voorgesteld:
“De belasting over de toegevoegde waarde, welke op de verkregen goederen en de ontvangen diensten drukt, kan in mindering worden gebracht op de belasting over de toegevoegde waarde, welke is verschuldigd over de periode, waarin de factuur voor de verkregen goederen of de bewezen diensten is ontvangen (onmiddellijke aftrek)”1
Uit de toelichting op dit artikellid blijkt dat het voorgestelde recht op onmiddellijke aftrek niet los te zien is van de inwendige fiscale neutraliteit:
“Hieruit [art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn; MvdW] volgt, dat de aftrek in beginsel onmiddellijk, dus zonder inachtneming van een wachtperiode, kan plaatsvinden; hierdoor wordt bereikt, dat de belastingplichtige niet de last wordt opgelegd de belasting voor te schieten.”2
Uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Tweede Richtlijn is af te leiden dat geen enkele lidstaat bezwaren heeft geuit tegen het voorgestelde onmiddellijke aftrekrecht. Het recht op onmiddellijke aftrek is daarom – met een wijziging van terminologische aard – verankerd in art. 11 lid 3, eerste alinea Tweede Richtlijn.