Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.3.4
3.4.3.4 De verkeersopvatting
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644759:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Noot Hijmans van den Bergh bij: HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal), p. 114.
Of de verkeersopvatting slechts de feiten behelst of (ook) het ongeschreven recht is onderwerp van discussie. Zie hierover: Memelink (2009), p. 98-108.
Gerbrandy, DNV II (1957-1958), p. 24.
Noot Hijmans van den Bergh bij: HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal), p. 114. Tot dezelfde conclusie, zij het iets voorzichtiger, kwam Gerbrandy, DNV I (1957-1958), p. 4.
Hofmann (1944), art. 555, p. 16-17.
Asser/Beekhuis (1957), p. 36.
Zie ook Hofmann die stelde dat het verschil tussen een bestanddeel en een bijzaak vaak afhing van de beschadiging die al dan niet optrad als een zaaksdeel werd afgescheiden. Zou beschadiging optreden, dan was het onderdeel een bijzaak, zo nee dan was het onderdeel een bestanddeel (Hofmann (1944), art. 555, p. 16-17).
Brahn, Pitlo-bundel (1970), p. 177.
In het sleepboot Egbertha-arrest stelde de Hoge Raad de verkeersopvatting zelf vast naar aanleiding van wettelijke regelingen. In het Stafmateriaal-arrest was de verkeersopvatting echter vastgesteld op basis van een feitelijke inschatting van het hof: een fabrieksgebouw was niet af zonder de toegevoegde zaken van Schaap. Als de maatschappelijke opvatting in het verkeer moest worden vastgesteld op grond van de feiten en niet op basis van wettelijke regelingen, dan toetste de Hoge Raad kennelijk niet de juistheid van die opvatting.
“’De arresten ‘Sleepboot Egbertha’ en ‘Stafmateriaal’ leren derhalve, dat een beslissing van den feitelijken rechter omtrent den inhoud van de verkeersopvatting feitelijk en in cassatie onaantastbaar is, tenzij de opvatting uit een wettelijken maatregel is af te leiden.’ (…) ‘Uit het bovenstaande volgt, dat het onderhavige arrest den feitelijken rechter vrijlaat den inhoud van de verkeersopvatting vast te stellen.’”1
Als de inhoud van de verkeersopvatting van feitelijke aard was2, stond het de lagere rechter dus vrij om een eigen invulling aan het begrip te geven. Vandaar dat Hijmans van den Bergh in de conclusie van zijn noot stelde:
“Het schijnt mij dus zeer de vraag, of de inhoud van de verkeersopvatting wel is, zoals het Hof dien aannam. Ook schijnt het de vraag of het wenselijk is talrijke credietmogelijkheden af te snijden door natrekking aan te nemen.”
Uit deze conclusie bleek wederom dat geen algemene regel was op te stellen of een zaak al dan niet een bestanddeel was geworden na de verbinding. Uiteindelijk had de feitelijke rechter door zijn gezag het laatste woord.3
“Ook met dit arrest als uitgangspunt kan dus in de toekomst de feitelijke rechter uitmaken, dat installaties als de onderhavige, of machines, niet (wezenlijken) bestanddelen van een gebouw zijn, maar bijzaken van welke de eigendom aan een ander, dan aan den eigenaar van het gebouw kan toekomen.”4
Aangezien de verkeersopvatting “lang niet altijd een vaststaand gegeven” vormde, probeerde men in de loop van de 20e eeuw grip te krijgen op de verkeersopvatting door meer en meer naar de hechtheid van de verbinding te kijken. Via die weg kon men het verschil tussen bestanddelen en bijzaken aan geven.5 Zo keek Beekhuis naar de hechtheid van de verbinding om te bepalen of een zaak een bestanddeel was of niet. Een bestanddeel was volgens hem dat onderdeel van een hoofdzaak zonder welke deze hoofdzaak haar economische en maatschappelijke bestemming niet meer kon vervullen. Denk aan dakpannen die los op het dak lagen, een deur van een huis of de laden van een kast. Er was dan weliswaar geen sprake van een hechte verbinding, maar wel sprake van een hechte verbondenheid. Afscheiding leidde tot een economische beschadiging. Daarnaast kon een tweede criterium voor een aanwezigheid van een bestanddeel pleiten, namelijk dat deze zo hecht met de hoofdzaak was verbonden, dat afscheiding daarvan zou leiden tot een “praktische vernietiging” van ofwel de hoofdzaak ofwel het bestanddeel. Afscheiding leidde dan tot een fysieke beschadiging. Afscheiding van de bijzaak zou weliswaar eveneens tot gevolg hebben dat de hoofdzaak werd beschadigd, maar deze beschadiging zou niet leiden tot vernietiging van de zaak:
“Bijzaken zijn zaken die geen noodzakelijk bestanddeel van de hoofdzaak vormen, maar daaraan organisch of mechanisch zijn verbonden op zodanige wijze, dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat zij of de hoofdzaak beschadigd worden. (Voorbeeld: een ingemetselde machine).”6
Een bijzaak was, anders dan een bestanddeel, altijd hecht verbonden met de hoofdzaak. Deze indeling van Beekhuis leidde tot een wonderlijk onderscheid tussen bestanddelen en bijzaken. Een bestanddeel kon volgens deze indeling een onderdeel van een zaak zijn dat ofwel totaal niet hecht met de hoofdzaak was verbonden ofwel zonder zware beschadiging niet kon worden losgemaakt. Tussen deze twee uitersten bestond volgens hem nog de aparte categorie van de zelfstandige bijzaken. Zij konden weliswaar alleen worden afgescheiden van het geheel met beschadiging als gevolg, maar deze beschadiging grensde niet aan de vernietiging van de zaak, met andere woorden de beschadiging was te accepteren.7 “Voorwaar, een wonderlijke trits!”.8