De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/2.3:2.3 Methode en opzet
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/2.3
2.3 Methode en opzet
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een aantal normatieve vragen die verband houden met good governance dient als uitgangspunt voor dit onderzoek: (a) wat zou de taak van de raad van toezicht moeten inhouden?; (b) ten behoeve van wie wordt toezicht uitgeoefend?; (c) wiens belang gaat in welk geval voor?; (d) welke bevoegdheden heeft de raad van toezicht nodig?; en (e) hoe ver mogen de bevoegdheden van de raad van toezicht gaan?
Ter beantwoording van de in Hoofdstuk 1 gestelde hoofdvraag naar de rol en de positie van de raad van toezicht en met inachtneming van de in dit Hoofdstuk 2 genoemde afbakening, komen in de volgende hoofdstukken deelvragen aan de orde.
In Hoofdstuk 3 wordt onderzocht en beschreven hoe de wetgever ten tijde van het tot stand komen van het eerste stichtingenrecht (de WS 1956) de rol van de raad van toezicht bij de stichting in het algemeen zag. Hoe heeft deze rol zich sindsdien ontwikkeld en hoe wordt deze tegenwoordig gezien? De ontwikkelingen op het gebied van governance worden onderzocht en beschreven aan de hand van de parlementaire geschiedenis bij de WS 1956 (met name de daarin opgenomen governanceregels) en de parlementaire geschiedenis bij de regeling van het stichtingenrecht in Boek 2 BW. Governanceregels die zijn opgenomen in het stichtingenrecht en de wetgeschiedenis daarover zijn summier. Aan de hand van rechterlijke uitspraken en rechtsliteratuur uit die tijd over de rechtskenmerken van de stichting is getracht de bedoeling van de wetgever bij de regeling van het eerste stichtingenrecht te destilleren. Governance-ontwikkelingen vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw en zelfregulering en professionalisering van bestuur en toezicht binnen bepaalde sectoren zijn mede onderzocht aan de hand van rapporten van de SER en de WRR en aan de hand van rapporten van werkgroepen die zijn ingesteld door de overheid en brancheorganisaties in sectoren waar de stichting de meest gebruikte rechtsvorm is.
Hoofdstuk 4 behandelt de vraag wat de rechtskenmerken van de stichting zijn: waarin onderscheidt de stichting zich van andere rechtspersonen en wat betekent dit voor de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht? Welke minimale bevoegdheden heeft de raad van toezicht nodig in verband met zijn rol, positie en zijn toezichthoudende taak? Is er een bovengrens aan de bevoegdheden; welke bevoegdheden gaan de toezichthoudende taak te buiten? Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, oude en recente rechtsliteratuur en jurisprudentie worden historische verschillen tussen corporatieve rechtspersonen en stichtingen, normaaltypen en rechtsvormeigenschappen beschreven. De in het stichtingenrecht opgenomen materiële kenmerken van de stichting (het doelgebonden vermogen, het uitkeringsverbod en het ledenverbod) zullen vervolgens nader worden geanalyseerd aan de hand van de wetsgeschiedenis, de huidige wet en jurisprudentie. Onderzocht wordt wat deze kenmerken betekenen voor de taakopvatting en bevoegdheden van de raad van toezicht.
Hoofdstuk 5 gaat in op de taak van de raad van toezicht in het algemeen: is deze taak voldoende duidelijk? De huidige wetgeving, het Voorontwerp btrp, het Wetsvoorstel btrp, inclusief de bijbehorende wetsgeschiedenis en jurisprudentie, worden onderzocht teneinde na te gaan wat de toezichthoudende taak in het algemeen inhoudt en wanneer sprake is van een raad van toezicht. Bovendien wordt nagegaan welke basisbevoegdheden aan de raad van toezicht kunnen worden toegekend teneinde zijn taak goed uit te kunnen oefenen. Aan de orde komt de vraag of deze bevoegdheden van de raad van toezicht verschillen van de bevoegdheden van de raad van commissarissen. Welke basisbevoegdheden worden in het Wetsvoorstel btrp voorgesteld en wat is daarvan de achtergrond? Tot slot komt de wijze van informatievoorziening aan de orde, waarbij wordt nagegaan wat daarover in de huidige wet, het Wetsvoorstel btrp en de jurisprudentie is bepaald.
In Hoofdstuk 6 komt de taak van de raad van toezicht van bepaalde typen stichtingen aan de orde. Naar wie of wat moet de raad van toezicht zich richten, welke belangen zijn betrokken en wat is de verhouding tussen de betrokken belangen? Aandacht wordt besteed aan het publieke belang dat bij sommige stichtingen betrokken is, waarbij de vraag aan de orde komt welke rol het publieke belang speelt of kan spelen in de regeling in Boek 2 BW. Aan de hand van rechtsliteratuur, sectorregels en sectorale governancecodes (zie ook Bijlage 1) wordt nagegaan welke verschillende typen stichtingen kunnen worden onderscheiden. Wanneer wordt een raad van toezicht verplicht voorgeschreven, welke rol heeft de raad van toezicht bij bepaalde typen stichtingen en welke taken en bevoegdheden worden daarbij aan de raad van toezicht toebedeeld?
Hoofdstuk 7 behandelt de vraag hoe de raad van toezicht optimaal geëquipeerd kan worden en hoe de raad van toezicht samengesteld dient te zijn teneinde goed toezicht te kunnen waarborgen. Onderzocht wordt welke eisen in algemene wetgeving, sectorale wetgeving en/of codes zijn opgenomen ten aanzien van de samenstelling van de raad van toezicht alsmede onafhankelijkheid en deskundigheid van leden van de raad van toezicht. Bovendien wordt nagegaan hoe deze regels worden gehandhaafd.
Hoofdstuk 8 gaat in op de wijze waarop de raad van toezicht verantwoording aflegt. Wat schrijven sectorale regels en governancecodes voor op het gebied van het afleggen van verantwoording door de raad van toezicht? Bovendien komt de vraag aan de orde of leden van de raad van toezicht gedechargeerd kunnen worden en de vraag op welke wijze zij geschorst en ontslagen kunnen worden.
In het laatste Hoofdstuk 9 wordt nagegaan wat de verhouding is tussen algemene regels en sectorspecifieke governanceregels: waar horen governanceregels thuis? Naast de aanbevelingen die worden gedaan aan het eind van de verschillende hoofdstukken, worden in Hoofdstuk 9 afsluitende aanbevelingen gedaan aan de wetgever, aan opstellers van sectorale governancecodes en aan opstellers van statuten en reglementen van individuele stichtingen.