Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.2.3:I.2.3 Werkend na overlijden van testateur
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.2.3
I.2.3 Werkend na overlijden van testateur
Documentgegevens:
Datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- JCDI
JCDI:ADS577921:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van Antwoord, 3771, nr. 6, p. 11
Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen 1992, p. 12.
Memorie van Antwoord I, 3771, nr. 133, p. 17 e.v.
Zie Rapport II, Commissie Erfrecht, p. 29 e.v.
Waarvoor ook, zoals hiervoor gezien, in de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten te vinden zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het typerende van een uiterste wilsbeschikking is dat tijdens leven geen rechtsbanden worden geschapen tussen testateur en de bij uiterste wilsbeschikking bevoordeelde.1 Vandaar de toevoeging ‘die eerst werkt na zijn overlijden’. Dit lijkt op het intrappen van een open deur, maar is toch een zeer belangrijke constatering. Zeker in het kader van de beantwoording van de vraag welke rechtshandelingen vallen onder art. 7:177 BW, alwaar de schenking die de strekking heeft pas na het overlijden te worden uitgevoerd, is geregeld. Bovendien zal blijkbaar iets pas het predikaat ‘erfrecht’ kunnen dragen, indien de rechtsbanden tijdens leven ontbreken. Van ‘echt’ contractueel erfrecht kan in Nederland dan ook, zoals al geconstateerd, geen sprake zijn. Dit sluit quasi-erfrecht met bindende elementen echter niet uit.
Breemhaar2 spreekt in zijn definitie van ‘die ertoe strekt om eerst na zijn overlijden te werken (curs. FS)’, waarmee hij helder aangeeft dat niet zeker is dat de uiterste wilsbeschikking effect zal hebben. Dat dit in de wettelijke definitie ontbreekt, is echter geen groot gemis.
De volgende passage uit de parlementaire stukken3 geeft een belangrijke toelichting op het element ‘werkend na zijn overlijden’.
‘Lid 1 definieert de uiterste wilsbeschikking als een beschikking bij een eenzijdige rechtshandeling van de erflater, die eerst werkt na zijn overlijden; en niet slechts als een (eenzijdige) verklaring van hetgeen hij wil dat na zijn dood zal geschieden. Een verklaring waarbij iemand beoogt een rechtsbetrekking te constitueren of te wijzigen, is dus een uiterste wilsbeschikking. Zij is als zodanig aan de voor uiterste wilsbeschikking geldende regels onderworpen indien beoogd wordt dat de rechtsbetrekking niet reeds tijdens zijn leven doch pas na zijn overlijden ontstaat of gewijzigd wordt. Beoogt echter iemand, door een aanbod ter kennis van de wederpartij te brengen, dat reeds tijdens zijn leven een overeenkomst zal tot stand komen, dan is die verklaring niet een uiterste wilsbeschikking. Hieraan doet niet af dat de overeenkomst die door aanvaarding van dat aanbod ontstaat, in bijzondere gevallen mede, of bij een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde zelfs uitsluitend, verplicht tot prestaties die pas na zijn overlijden moeten geschieden. Evenmin is een verklaring, houdende opzegging van een bestaande overeenkomst voor onbepaalde tijd, die de rechtsbetrekking zodanig wijzigt dat zij op een bepaald tijdstip zal eindigen, een uiterste wilsbeschikking, ook al zegt men op tegen een tijdstip na zijn dood. Wel een uiterste wilsbeschikking, die als zodanig kan en moet worden gemaakt in een voor uiterste willen voorgeschreven vorm, is een aanbod, dat bestemd is om door de daarbij aangewezen persoon te worden aanvaard na (curs. FS) overlijden van degene die het aanbod doet; een aanbod derhalve tot een overeenkomst die niet in zijn persoon doch in de personen van zijn erfgenamen zal ontstaan. Ook deze uiterste wilsbeschikking wordt terecht omschreven als een eenzijdige rechtshandeling van de erflater. Zij legt aan de erfgenamen een in hun personen ontstaande verplichting jegens de aangewezen persoon op, zij het ook slechts voor het geval dat deze het aanbod aanvaardt. De erflater kan het aanbod tot zijn dood herroepen, zijn erfgenamen kunnen dat niet.’
Uit het bovenstaande kan men concluderen dat het beogen van het ontstaan van de rechtsbetrekking na overlijden doorslaggevend is voor de kwalificatie als uiterste wilsbeschikking. Een aanbod dat tijdens leven van de erflater aanvaard kan worden, beoogt rechtsbetrekkingen tijdens leven, ook al hoeft, na aanvaarding van het aanbod, pas bij overlijden gepresteerd te worden. Een overeenkomst, die na de aanvaarding van een dergelijk aanbod ontstaat, kan wel, onder omstandigheden, als een quasi-legaat worden beschouwd. Ik verwijs naar hoofdstuk IV. Een uiterste wilsbeschikking zou, als ik de minister goed begrijp, derhalve slechts het ‘aanbod’ kunnen zijn, waarbij de aanbieder verklaard heeft dat het eerst tot stand komt/aanvaard kan worden na het overlijden. Een aanbod onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling. Aanvaarden tijdens leven van de erflater heeft geen effect.4 Neemt men echter, zoals ik, aan, als onder par. 2.2 van dit hoofdstuk beschreven, dat een uiterste wilsbeschikking een ongerichte rechtshandeling is,5 dan kan een aanbod, als gerichte rechtshandeling, op die grond alleen al geen uiterste wilsbeschikking zijn. De aangehaalde exercitie van de minister, met als doel de ‘diversen aanboden’ in te kaderen, is dan ook – als men uitgaat van ongerichtheid – overbodig en de kwalificatie als uiterste wilsbeschikking onjuist. De vraag is danwel welk lot een dergelijk aanbod deelt als het, zoals ik betoog, geen uiterste wilsbeschikking is. Deze vraag zal centraal staan in par. 2.6 van dit hoofdstuk.
Is men van oordeel dat een uiterste wilsbeschikking niet per definitie ongericht hoeft te zijn, dan zou het betreffende aanbod wel kunnen voldoen aan de materiële criteria die gesteld worden aan een uiterste wilsbeschikking. Vervolgens dient bezien te worden of het aanbod past binnen het gesloten stelsel (het materiële criterium). Hierover meer in par. 2.4 van dit hoofdstuk.