Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/13.1.4:13.1.4 Onderzoeksresultaten enquête
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/13.1.4
13.1.4 Onderzoeksresultaten enquête
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619287:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Per waarderingsdilemma (1 t/m 5) wordt hierna de enquête weergegeven met achter elk antwoord het percentage waarderingsdeskundigen van de onderzoeksgroep dat het betreffende antwoord koos.
Waardemaatstaven
Ga bij de beantwoording van de vragen van dit onderdeel uit van de volgende casus:
Een B.V. heeft twee aandeelhouders met elk een 50% aandelenbelang. De ene aandeelhouder wenst uit te treden en dient, op grond van de in deze casus geldende blokkeringsregeling, de aandelen eerst aan te bieden aan de andere aandeelhouder.
U bent als onafhankelijk waarderingsdeskundige door beide aandeelhouders ingeschakeld om de prijs van het betreffende aandelenpakket vast te stellen. Voor de volledigheid: het gaat hier dus niet om een situatie waarin u partijdeskundige bent of bent benoemd door de rechtbank als deskundige.
Vraag 1: de blokkeringsregeling geeft aan dat “de waarde” dient vast te worden gesteld. Welke waardemaatstaven hanteert u in zo’n situatie?
Waarde van de aandelen in de “as is” situatie (onder een going concern stand-alone gedachte) (81%)
Waarde voor de andere, overnemende aandeelhouder (met inbegrip van de mogelijke beleidswijzigingen die hij vervolgens kan doorvoeren) (0%)
Waarde die een derde aan het aandelenpakket zou kunnen toekennen (de waarde in het economisch verkeer/fair market value) (19%)
Anders, namelijk: (0%)
Vraag 2: stel dat de uitkomst op grond van de maatstaven onder vraag 1a (“as is”) of 1b (“waarde voor overnemende mede-aandeelhouder”) hoger is dan de waarde onder 1c (“waarde economisch verkeer”). Welke maatstaf gebruikt u dan?
De uitkomst van de waarde zoals berekend onder vraag 1a (“as is”) of 1b (“waarde voor overnemende mede-aandeelhouder”) (76%)
De uitkomst van de waarde zoals berekend onder vraag 1c (“waarde economisch verkeer”) (24%)
Vraag 3: stel dat de uitkomst op grond van de maatstaven onder vraag 1a (“as is”) of 1b (“waarde voor overnemende mede-aandeelhouder”) lager is dan de waarde onder 1c (“waarde economisch verkeer”). Welke maatstaf gebruikt u dan?
De uitkomst van de waarde zoals berekend onder vraag 1a (“as is”) of 1b (“waarde voor overnemende mede-aandeelhouder”) (81%)
De uitkomst van de waarde zoals berekend onder vraag 1c (“waarde economisch verkeer”) (19%)
Vraag 4: houdt u voor de waardering van de aandelen rekening met biedingen van derden?
Ja (19%)
Nee (48%)
Ligt eraan, namelijk: (33%)
Bij antwoord c werd onder andere toegelicht:
“Biedingen van derden kunnen niet genegeerd worden, uiteindelijk moet de prijs worden terugverdiend door de feitelijke kopers.”
“Normaal gesproken niet, maar als beide aandeelhouders het willen, uiteraard prima. Ik zou wel het onderscheid goed duidelijk maken tussen de theoretische waarde en de marktprijs.”
“Mogelijke invloed op courantie welke tot uiting komt in de vermogenkostenvoet.”
“Of deze biedingen recent zijn, wat de voorwaarden zijn etc.”
“Wel naar kijken maar geschoond van strategische premie.”
Vraag 5: stel dat u gedurende het waarderingsproces indicaties krijgt dat de kopende aandeelhouder de aandelen na overdracht binnen afzienbare tijd aan een derde strategische partij kan verkopen. Wat doet u in zo’n situatie?
Deze informatie valt buiten de opdracht om de waarde vast te stellen en dus houd ik er geen rekening mee (19%)
Ik formuleer een anti-speculatiebeding in mijn advies. Een anti- speculatiebeding is een bepaling die inhoudt dat de overdrachtsprijs dient te worden gecorrigeerd indien de aandelen binnen een bepaalde periode worden overgedragen aan een derde partij (62%)
Ik houd op andere wijze rekening met deze informatie, namelijk: (19%)
Als toelichting is onder c gegeven:
“Combinatie van a en b. Ligt aan de opdrachtformulering. Zou het wel bij alle partijen onder de aandacht brengen. De strategische premium zou ik wellicht separaat uitrekenen om de subjectiviteit van waarde te illustreren.”
Waarderingsmethoden
Voor dit onderdeel geldt dezelfde casus als bij onderwerp I hierboven: twee aandeelhouders met elk een 50% aandelenbelang, 1 aandeelhouder treedt uit en dient eerst aan te bieden aan de andere aandeelhouder.
Vraag 6: welke waarderingsmethode hanteert u voor deze waardering?
Methode
Nooit
Soms
Meestal
Altijd
Totaal
DCF o.g.v. WACC
11%
28%
28%
33%
100%
DCF o.g.v. APV
5%
15%
40%
40%
100%
Multiples
11%
47%
21%
21%
100%
Rentabiliteitswaarde
44%
33%
17%
6%
100%
Intrinsieke waarde
71%
29%
0%
0%
100%
Als toelichting is onder andere gegeven:
“De uitkomsten van de DCF-methoden zijn leidend, maar ik vergelijk deze uitkomst wel met de Multiples en de Rentabiliteitswaarde.”
“DCF (o.g.v. WACC) wordt wel gebruikt voor public companies; Multiples voor prijstaxaties en de rentabiliteitswaarde als vereenvoudigde DCF in de restperiode.”
Kortingen voor zeggenschap en incourantheid
Voor dit onderdeel geldt de volgende instructie:
Ga er in deze casus vanuit dat de B.V. twee aandeelhouders heeft en de achterblijvende aandeelhouder, na het kopen van de aandelen van de uittredende aandeelhouder, 100% aandeelhouder wordt.
Ga er vanuit dat u eerst de waarde van 100% van de aandelen heeft berekend en dat u bij deze berekening rekening heeft gehouden met de omvang (small firm premium) en incourantheid van 100% van de aandelen.
De volgende vragen zijn gericht op de vraag of u vervolgens, bij het berekenen van de waarde van het aandelenpakket van de uittredende aandeelhouder, een additionele korting hanteert.
Vraag 7: past u een korting toe voor het gebrek aan zeggenschap verbonden aan het minderheidspakket, indien het aandelenpakket 25% van de aandelen omvat?
Nee (48%)
Ja (14%)
Ligt eraan, namelijk: (38%)
Vraag 8: past u een korting toe voor incourantheid van het minderheidspakket, indien het aandelenpakket 25% van de aandelen omvat?
Nee (80%)
Ja (0%)
Ligt eraan, namelijk: (20%)
Vraag 9: past u een korting toe voor het gebrek aan zeggenschap verbonden aan het aandelenpakket, indien het aandelenpakket 50% van de aandelen omvat?
Nee (75%)
Ja (5%)
Ligt eraan, namelijk: (20%)
Vraag 10: past u een korting toe voor incourantheid van het aandelenpakket, indien het aandelenpakket 50% van de aandelen omvat?
Nee (86%)
Ja (0%)
Ligt eraan, namelijk: (14%)
Vraag 11: stel u hanteert een korting voor de incourantheid van een aandelenpakket. Hoe verwerkt u een korting voor de incourantheid van een aandelenpakket in uw waardering?
Ik pas de geprojecteerde cash flow aan (5%)
Ik hanteer een additionele premie op de discount rate (10%)
Ik corrigeer de uitkomst van de waardering vóór toepassing van de korting voor incourantheid van het aandelenpakket (67%)
Anders, namelijk: (19%)
Vraag 12: stel u hanteert een korting voor het gebrek aan zeggenschap verbonden aan een aandelenpakket. Hoe verwerkt u een korting voor het gebrek aan zeggenschap verbonden aan het aandelenpakket in uw waardering?
Ik pas de geprojecteerde cash flow aan (10%)
Ik hanteer een additionele premie van de discount rate (5%)
Ik corrigeer de uitkomst van de waardering vóór toepassing van de korting voor het gebrek aan zeggenschap verbonden aan het aandelenpakket (80%)
Anders, namelijk: (5%)
Proces van waardebepaling in het kader van de blokkeringsregeling
Voor dit onderdeel geldt dezelfde casus als bij onderwerp 1 hierboven: twee aandeelhouders met elk een 50% aandelenbelang, 1 aandeelhouder treedt uit en dient eerst aan te bieden aan de andere aandeelhouder.
U bent als onafhankelijk waarderingsdeskundige door beide aandeelhouders ingeschakeld om de prijs van het betreffende aandelenpakket vast te stellen.
Vraag 13: met wie sluit u de opdrachtbrief (engagement letter) voor de waardering in het kader van de blokkeringsregeling?
De vennootschap (5%)
De aandeelhouders (43%)
De vennootschap en de aandeelhouders gezamenlijk (52%)
Vraag 14: op informatie van welke partij baseert u de waardering in het kader van de blokkeringsregeling?
Vennootschap (10%)
Aandeelhouders (0%)
Zowel de vennootschap als de aandeelhouders (90%)
Vraag 15: op welk moment past u ‘hoor en wederhoor’ toe? (meerdere antwoorden zijn mogelijk)
Ik stel partijen in staat om te reageren op alle informatie die door de wederpartij is aangeleverd (35%)
Op het moment dat ik deelanalyses heb uitgevoerd (bijv. analyse van historische resultaten, prognoses, disconteringsvoet) (13%)
Pas op het moment dat ik een indicatieve waarderingsrange heb vastgesteld, stel ik partijen in de gelegenheid daarop te reageren (9%)
Bij het opstellen van het concept rapport (26%)
Anders, namelijk: (17%)
“Gedurende het hele proces. Om het werkbaar te houden partijen niet op elkaar laten reageren. Cashflowverwachting is een belangrijke factor die in het hoor en wederhoor zeker tot uiting komt. Het conceptrapport leg ik ook aan beide partijen voor commentaar.”
Observaties
95% van de respondenten (43% plus 52%) sluit de opdrachtbrief (engagement letter) met hetzij de aandeelhouders of met de aandeelhouders en de vennootschap gezamenlijk.
90% van de respondenten baseert zich bij de waardering in het kader van de blokkeringsregeling op informatie van zowel de vennootschap als de aandeelhouders.
Grote verdeeldheid bestaat over het principe ‘hoor en wederhoor’.
Het overgrote deel van de respondenten (74%) wacht niet met het toepassen van hoor en wederhoor tot het uitbrengen van het concept rapport.
35% van de respondenten stelt partijen zelfs in staat om te reageren op alle uitgewisselde informatie.
Prijsvaststelling
Vraag 16: uw waarderingswerkzaamheden resulteren in een waarderingsrange. Hoe stelt u vervolgens de prijs vast?
Ik kies het midden van de bandbreedte/waarderingsrange (25%)
Ik pas bij de prijsvaststelling een weging toe op grond van de methoden en scenario’s die ik gehanteerd heb (35%)
Anders, namelijk: (40%)
“Indien er consensus bestaat over de FCF-forecast dan zou ik 1 waarderingsuitkomst willen en geen waarderingsrange.”
“Als de uitkomst van mijn opdracht een waarderange is, dan laat ik partijen gezamenlijk de prijs vaststellen.”
“Ik laat de weging aan de opdrachtgevers.”
“Als ik een waarde afgeef geef ik geen prijs. Dat is immers voorbehouden aan de onderhandelingen tussen koper en verkoper. In mijn waardering geeft ik wel een duidelijke verantwoording van mijn uitgangspunten en de gevoeligheid van relevante waardebepalende factoren op de waarde van de onderneming.”
“Indien dit al mogelijk is, volledig op basis van specifieke omstandigheden en relevante factoren voor de betreffende casus.”
Prijsbepalingsregels en de blokkeringsregeling
De statutaire blokkeringsregeling is sinds de invoering van de Flex-BV niet langer verplicht en de aandeelhouders kunnen in de statuten een prijsbepalingsregeling opnemen.
Vraag 17: hoe vaak bent u sinds de invoering van de Flex-BV ingeschakeld voor het opstellen van een blokkeringsregeling?
Ten opzichte van de situatie vóór de Flex-BV word ik vaker ingeschakeld om te adviseren over het opstellen van een blokkeringsregeling (6%)
Ten opzichte van de situatie vóór de Flex-BV word ik minder vaak ingeschakeld om te adviseren over het opstellen van een blokkeringsregeling (6%)
Ten opzichte van de situatie vóór de Flex-BV word ik even vaak ingeschakeld om te adviseren over het opstellen van een blokkeringsregeling (71%)
Anders, namelijk: (17%)
Vraag 18: geef aan wat u het voordeel vindt van een prijsbepalingsformule? (meerdere antwoorden zijn mogelijk)
Efficiency (m.b.t. snelheid en kosten) (32%)
Transparantie (16%)
Preventie van discussies tussen verschillende aandeelhouders m.b.t. de waardering en de aangeleverde informatie (36%)
Zekerheid m.b.t. de waarderingsuitkomst (4%)
Anders, namelijk: (12%)
Ter toelichting bij alternatief e. werd onder andere aangegeven:
“Geen. Ik ben geen voorstander.”
Vraag 19: geef aan wat u het nadeel vindt van een prijsbepalingsformule?
(meerdere antwoorden zijn mogelijk)
De uitkomst van de prijsbepalingsformule zal veelal afwijken van de waarde van het aandelenpakket (20%)
De prijsbepalingsformule laat altijd ruimte voor discussie (12%)
Er doen zich altijd omstandigheden voor die niet worden meegewogen in de berekening (52%)
Anders, namelijk: (16%)
Vraag 20: stel dat partijen in de statuten een prijsbepalingsformule overeen zijn gekomen. Bent u van mening dat deze prijsbepalingsformule volledig mechanisch kan worden toegepast (zodat de partijen zelfstandig de prijs kunnen berekenen) of dient de prijsvaststelling alsnog door een waarderingsdeskundige te worden uitgevoerd?
Voor de prijsvaststelling hoeft geen waarderingsdeskundige te worden ingeschakeld (6,25%)
Voor de prijsvaststelling moet altijd een waarderingsdeskundige worden ingeschakeld (62,5%)
Anders, namelijk: (31,25%)
“Het staat de aandeelhouders vrij om zelf de prijs te berekenen. Het zou verstandig zijn om alsnog een deskundige deze prijs te laten beoordelen.”
“Mijn mening is dat antwoord a. van toepassing zou moeten zijn, dan realiseer je namelijk de eerder genoemde voordelen. In de praktijk blijkt echter vaak dat partijen de formule toch anders interpreteren waardoor er dan toch weer deskundigen nodig zijn.”
“Afhankelijk van de formule. Als er subjectieve elementen in de formule zitten dan kan het noodzakelijk zijn om een onafhankelijk partij in te schakelen.
“Een waarderingsdeskundige is noodzaak, maar de deskundige zal de opdracht moeten weigeren als de formule onzinnig is en hij er toch aan wordt gehouden.”
“Betrekken van een deskundige is altijd van belang om partijen goed te informeren omdat deze (over het algemeen) weinig ervaring/inzicht hebben in deze processen”
“Dit ligt aan de complexiteit en de formulering in de overeenkomst.”
“Je kunt er volledig naast zitten wanneer je mechanisch een formule toepast.”
“Deskundige nodig i.v.m. eventuele normalisaties, beoordeling cash/ werkkapitaal.”