Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.3.3.b
9.3.3.b De pro rata parte-waarde als uitgangspunt
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS602318:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Krens (1999), p. 289.
De vraag rijst of, indien partijen in de statuten een eigen waarderingsmethode hebben, de rechter dan wel de deskundige hiermee rekening moet houden. Ik acht dit wenselijk. De uitgekochte aandeelhouders krijgen zo dezelfde prijs voor hun aandelen als de overige aandeelhouders eerder hebben gekregen bij de vrijwillige overdracht. Bovendien kan de OK een deskundigenonderzoek achterwege laten, indien de waarde van de aandelen op basis van de statutaire regeling ondubbelzinnig en eenvoudig is vast te stellen. Een onderzoek naar de pro rata parte-waarde is in dat geval volgens mij niet redelijk en overbodig. Voor de geschillenregeling geldt hetzelfde, zie Bulten (2011), p. 203-204. Voor de uitkoopregeling heeft deze problematiek zich tot op heden overigens niet voorgedaan.
OK 26 juni 2012 (ro. 2.13), ARO 2012/106 (Econocom); OK 25 april 1991, NJ 1991/620 (‘t Steenbezit).
Den Boer (2002), p. 340; Krens (1999), p. 288; De Kam (1994), p. 68; Blom (1994), p. 46 en (1990), p. 166.
Krebs (2012), p. 964.
Verhoest (1999), p. 306.
‘De DCF-waarde wordt berekend door de contante waarde te berekenen van de verwachte geldstromen waarbij de relevante vermogenskostenvoet als disconteringsvoet geldt’, Groeneveld (2006), p. 68.
Slagter (2002), p. 185; Krens (1999), p. 289; Sman (1997), p. 46-47 en (1994), p. 68; De Kam (1994), p. 70; Herter (1994), p. 61; Van Wijngaarden (1994), p. 61; Blom (1994), p. 46 en (1990), p. 167; Van den Hoek (1990), p. 47.
Stohlmeier (2007), p. 141; Krebs (2012), p. 962.
Bulten (2011), p. 198.
Van den Berg (2013), p. 574.
O.m. OK 15 maart 2007, ARO 2007/58 (Encore Media System); OK 26 mei 2005, ARO 2005/95 (Hycail); OK 10 maart 2005, ARO 2005/46 (Köpcke Cruise); OK 14 oktober 2004, ARO 2004/131 (Haslemere); OK 5 november 1995, rolnr. 1005/96, n.g. (EHCO KLM Kleding); OK 1 mei 1997, rolnr. 535/95, n.g. (Milic); OK 28 maart 1996, rolnr. 597/93, n.g. (Cacao- en Chocoladefabriek Union); OK 15 september 1995, NV 1995, p. 232 (Stokvis); OK 22 december 1994, NV 1995, p. 89 (Retailnet); OK 9 december 1993, TVVS 1994, p. 247 (KNSM Group); OK 20 augustus 1992, rolnr. NV 1992, p. 96 (Incotrans); OK 13 juni 1991, rolnr. 341/91, n.g. (Schokbeton Holding); OK 1 februari 1990, rolnr. 1349/88, n.g. (Deli-Atjeh); OK 26 oktober 1989, rolnr. 286/89, n.g. (De Bathpolders); OK 9 februari 1989, NJ 1990/174 (Vereenigde Glasfabrieken).
Zie voor een helder overzicht van de verschillende aspecten die bij de waardering van aandelen in de uitkoopprocedure een rol kunnen spelen, Van Vliet (1999), p. 97-102.
OK 22 november 1990 (ro. 3.3), NJ 1991/618 (Nierstrasz); OK 14 maart 1991 (ro. 3.2), NJ 1991/619 (INHAM); OK 16 februari 1995 (ro. 3.4), NJ 1995/585 (Nationale Nederlanden); OK 17 juni 1999 (ro. 2.2), rolnr. 1287/97 (Vitatron); OK 13 maart 2008 (ro. 3.7), ARO 2008/70 (Bronnebad Nieuweschans-Bunde).
‘Met intrinsieke waarde wordt bedoeld de waarde van het eigen vermogen in de balans’, Groeneveld (2006), p. 43. Blom (1990), p. 165, noemt de intrinsieke waarde als financiële maatstaf voor werkelijke waarde volkomen irrelevant, indien de vennootschap goede rentabiliteitsvooruitzichten heeft. Evenzo Slagter (2002), p. 186 en (1995), p. 136; Van Vliet (1999), p. 102-106; Van Wijngaarden (1994), p. 61.
OK 14 maart 1991 (ro. 3.2), NJ 1991/619 (INHAM), waarin door de uitkoper in de waardeberekening ‘onvoldoende acht wordt geslagen op de gevolgen die de getroffen c.q. nog te treffen maatregelen op de winstgevendheid van de vennootschap hebben c.q. zullen hebben’. OK 2 juli 1992 (ro. 3.2), TVVS 1994, p. 247 (Reiss & Co), waarin de uitkoper een nieuw rapport over moet leggen ‘waarbij onder meer rekening [moet worden] gehouden met een redelijke verwachting omtrent de resultaten in de voorzienbare toekomst’.
OK 10 juli 2008, JOR 2008/301 (Aegon Global Investment Fund); OK 23 september 2004, ARO 2004/126 (Eurasem); OK 14 juli 2003, ARO 2003/151 (Zeeland Assurantiën); OK 30 november 2000, JOR 2001/36 (Nefit Vastgoed); OK 26 oktober 1995, rolnr. 76/95 (Vredezicht). In OK 18 maart 1993, NV 1993, p. 127 (HIC Beheer), oordeelt de OK dat nu de intrinsieke waarde van de vennootschap zwaar negatief is, een prijs van ƒ 1, - per aandeel gerechtvaardigd is.
Den Boer (2002), p. 340; Sman (1994), p. 68.
OK 30 november 2000, JOR 2001/36 (Nefit Vastgoed).
OK 10 juli 2008, JOR 2008/301 (Aegon Global Investment Fund).
OK 26 oktober 1995, rolnr. 76/95 (Vredezicht).
OK 11 februari 1999, rolnr. 1429/97, n.g. (Hotel Maatschappij Rotterdam); OK 11 februari 1999, rolnr. 859/98, n.g. (Euromast).
OK 29 juni 2000, JOR 2000/170 (Pirelli).
OK 30 november 2000, JOR 2001/36 (Nefit Vastgoed).
OK 18 november 2004, ARO 2004/141 (Naeff).
Evenzo Herter (1994), p. 63.
Er gelden over het algemeen twee uitgangspunten voor de waardering van incourante aandelen: een berekening op basis van de waarde van de onderneming of een berekening op basis van de rendementswaarde van de aandelen.1 ‘Rendementswaarde houdt in dat de waarde wordt bepaald van de dividenden en andere uitkeringen die een aandeelhouder verwacht te ontvangen. De waarde wordt bepaald aan de hand van de rendementseis van de aandeelhouder met betrekking tot het eigen vermogen dat door hem in de onderneming is geïnvesteerd. De rendementswaarde is dus de contante waarde van de toekomstige geldstromen’, Groeneveld (2006), p. 67.
Voor de waardering van de aandelen in een uitkoopprocedure, neemt de OK de waarde van de met de vennootschap verbonden onderneming als uitgangspunt.2 Zij leidt vervolgens de waarde per aandeel naar evenredigheid af van de ondernemingswaarde.3 Dit wordt de pro rata parte-waarde genoemd.4 Voor de waardering van de aandelen in de Duitse5 en Belgische6 uitkoopregeling geldt hetzelfde uitgangspunt.
Welke berekeningsmethode voor de waarde van de onderneming de voorkeur geniet, is moeilijk aan te geven. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. De algemene opvatting in de (huidige) literatuur is dat de DCF-methode (Discounted Cash Flow7) de meest geschikte waarderingsgrondslag is.8 Dit geldt ook voor de waardering van de aandelen in de uitkoopregeling in Duitsland.9 In het kader van zowel de geschillenregeling10 als de blokkeringsregeling11 is de DCF-methode eveneens een veelgebruikt rekenmodel. De OK heeft zich tot op heden echter niet in algemene bewoordingen uitgelaten over een bepaalde waarderingsmethode. Veelal volstaat zij met de zinsnede dat zij zich op basis van de overgelegde stukken voldoende voorgelicht acht om de prijs van de over te dragen aandelen vast te stellen.12 Wel zijn in de rechtspraak een aantal aanknopingspunten te ontdekken en heeft de OK met betrekking tot specifieke zaken een oordeel gegeven over verschillende waarderings-methodes. Ik bespreek er een aantal.13
De OK aanvaardt niet, althans niet zonder nadere motivering, een waardeberekening uitsluitend op basis van de intrinsieke waarde.14 ,15 Bij de waardering moet volgens de OK immers acht worden geslagen op alle omstandigheden die de waarde bepalen, waaronder de te verwachten resultaten van de onderneming in de toekomst.16 Slechts in een enkel geval staat de OK een waardering door middel van de intrinsieke waarde toe.17 Het gaat daarbij vooral om ondernemingen met uitsluitend snel in contanten om te zetten activa.18 Voorbeelden zijn onroerend goedmaatschappijen,19 beleggingsmaatschappijen20 of ondernemingen met een vermogen van uitsluitend liquide middelen.21
Voorts gaat de OK in de zaken Hotel Maatschappij Rotterdam en Euromast uit 1999 voorbij aan de door de uitkoper overgelegde berekeningen omdat deze onvoldoende gemotiveerd zijn, maar noemt de daarin gekozen DCF-methode wel de juiste.22 Ook in de Pirelli-zaak uit 2000 overweegt de OK dat de deskundige terecht gebruik heeft gemaakt van de DCF-methode.23 In de procedure inzake Nefit Fasto uit 2000 noemt de OK de rentabiliteitsmethode een voor de bepaling van de waarde van een productiebedrijf een algemeen geaccepteerde waarderingsmethode.24 Ook in de zaak Naeff uit 2004 staat de OK de door de uitkoper gebruikte rentabiliteitsmethode toe.25
Tot slot sluit de pro rata parte-waarde als uitgangspunt voor de waardering op basis van de rendementswaarde van de aandelen in beginsel uit. De waardering geschiedt op basis van de waarde van de gehele onderneming en niet de toekomstige uitkeringen op de aandelen.26
De OK schrijft naar mijn mening terecht geen specifieke waarderingsmethode voor. Voor iedere vennootschap kan voor de waardering van de aandelen telkens andere wijze van berekening de meest geschikte zijn. Bovendien geeft dit de flexibiliteit om mee te gaan met de steeds veranderende normen in de praktijk omtrent de waardering van aandelen.
Wel acht ik enige rechtszekerheid voor de praktijk gewenst. De wet moet de verplichting bevatten dat de uitkoper, dan wel een onafhankelijk deskundige, aangeeft welke waarderingsmethodes zijn gebruikt en de keuze hiervoor onderbouwt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat de pro rata parte-waarde het uitgangspunt is (§ 9.2.3 sub b).