Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.4:9.4 Samenvatting en conclusie
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.4
9.4 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498240:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse systeem van conservatoir beslag is niet statisch, maar aan veranderingen onderhevig. In de loop der tijd zijn de waarborgen voor de beslagene op de achtergrond geraakt, met een onevenwichtigheid in het systeem als gevolg. In het Research Memorandum zijn aanbevelingen opgenomen ter verbetering van deze situatie op korte termijn. Aanpassingen in de eerste pijler van verlofverlening liggen dan voor de hand. Een belangrijke aanbeveling is die van de introductie van een Full-Disclosure beginsel geweest, op grond waarvan reeds in het beslagrekest volledige opening van zaken dient te worden gegeven, bewijsdocumenten dienen te worden overgelegd en ook de weren van de beoogd beslagene dienen te worden vermeld. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de substantiëringsbepaling van artikel 111 lid 3 Rv. Het belang van Full-Disclosure laat zich het meeste gelden in het geval van betwiste vorderingen waarvoor beslag wordt gelegd. Anders dan bij de substantiëringsplicht, lijken zich voor het Full-Disclosure beginsel in de praktijk weinig effectiviteitproblemen, in de zin van bereidheid bij (voorzieningen)rechters om te sanctioneren, voor te doen. Dat sanctionering afhangt van een discretionaire bevoegdheid van de rechter, (artikel 21 en 22 Rv) vormt getuige jurisprudentie, voor een effectieve werking van het Full-Disclosure beginsel geen belemmering. De bevoegdheid van de rechter om informatie te vragen ten behoeve van de summiere beoordeling van het beslagrekest ex artikel 700 lid 2 Rv berust op de diens bevoegdheid om nadere invulling aan deze wettelijke bepaling te geven. Er zijn auteurs die bij deze invulling vraagtekens plaatsen.
De summiere afweging van wederzijdse belangen van beslaglegger en beslagene in het kader van de beoordeling van een beslagrekest, hangt sterk af van de specifieke kenmerken van de zaak en de betrokken partijen. Los van de vraag of informatie ten behoeve van deze afweging steeds beschikbaar zal zijn, zal het voor een voorzieningenrechter niet steeds gemakkelijk zijn om de mate van belastendheid van een beslag, de motivering waarom beslag gerechtvaardigd is en de (dis)proportionaliteit en subsidiariteit daarvan te beoordelen en daar gevolgtrekkingen uit te maken. Voor een beslissing tot het ambtshalve verbinden van zekerheidstelling door de verzoeker aan verlofverlening vormen de eenzijdige informatievoorziening in het beslagrekest en de problemen die rechters hebben met de begroting van de schade, een belemmering. Dit komt in de praktijk dan ook vrijwel niet voor.
Een in mijn ogen noodzakelijke herijking van vanzelfsprekendheden heeft een aanvang genomen met de gerealiseerde aanpassing in de Beslagsyllabus juni 2011. Ook in de doctrine en de media is aandacht en discussie ontstaan over de noodzaak van meer evenwicht en de genomen maatregelen om dit te realiseren.
Het LOVCK heeft een werkgroep ingesteld die adviseerde over het omzetten van aanbevelingen in het Research Memorandum in rechterlijk beleid. Het is positief te noemen dat ervoor is gekozen om vakdeskundige voorzieningenrechters te laten adviseren over deze voorgestane, verdergaande veranderingen. Na consultatie van de civiele sectoren, de NOvA en de KBvG over de voorstellen is per 1 juli 2011 een gewijzigde Beslagsyllabus in werking getreden. Spijtig is het gebrek aan transparantie en communicatie inzake het proces van advisering en besluitvorming en de daarbij betrokkenen. Dit klemt te meer nu bij de vaststelling van algemene regels in het algemeen, en zeker ook wanneer geen wettelijke grondslag hiervoor aanwezig is, in mijn ogen maximale transparantie verlangd mag worden.
Vergelijking met de werkgroep alimentatienormen, hetgeen mogelijk is door het proefschrift van Dijksterhuis, leidt tot de conclusie dat de werkgroep Beslagrecht minder autonoom is in haar optreden. Een oorzaak hiervoor is dat de werkgroep Beslagrecht valt onder verantwoordelijkheid van het LOVCK, (in tegenstelling tot de werkgroep alimentatienormen, welke tot voor kort ressorteerde onder de NVvR) en naar mijn indruk doordat leden van de werkgroep Beslagrecht zich meer gebonden achten aan verticale precedentwerking.
Voor beide werkgroepen geldt dat het doorvoeren van grote veranderingen niet eenvoudig gerealiseerd wordt. Bij de werkgroep alimentatienormen stelt Dijksterhuis vast dat dit wordt veroorzaakt door een starre houding van oudgedienden. Bij de werkgroep Beslagrecht komt dit deels voort uit een werkwijze die zorgvuldigheid voorstaat, hetgeen is toe te juichen. Toch moet worden vastgesteld dat in het geval van de Beslagsyllabus het initiatief om tot een echte verandering in beleid te komen binnen de gebruikelijke werkwijze niet gerealiseerd kon worden. Dit betekent een indicatie dat voor rechtersregelingen in het algemeen aan deze vorm van het ontwikkelingen van algemene regels een beperking is verbonden, namelijk dat de huidige werkwijze niet geschikt is voor het realiseren van belangrijke beleidswijzigingen. Deze moeten van buiten de Rechtspraak komen, zoals de politiek of naar aanleiding van extern wetenschappelijk onderzoek.
Een ander punt van overeenkomst is dat naleving van beide rechtersregelingen niet door het vaststellend orgaan kan worden afgedwongen. Anders dan Dijksterhuis ben ik van oordeel dat dit niet als zwakte, maar als een sterk punt moet worden gezien. Binding aan deze regelingen kan niet voortkomen uit de enkele vaststelling ervan: deze is afhankelijk van horizontale en verticale precedentwerking. Rechters volgen rechtersregelingen doordat zij menen dat dit in het kader van het bevorderen van de rechtseenheid van hen verwacht mag worden. De enige wijze waarop rechters op naleving kunnen worden aangesproken is binnen de eigen hiërarchie van de organisatie (sectorvoorzitter).