De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.3.1:3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.3.1
3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948150:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
394. In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat de regeling van zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht niet op zichzelf staat. Verspreid over het BW komen meerdere gevallen van zaaksvervanging voor. Daarbij is in de vorige paragraaf een algemene definitie voor zaaksvervanging gegeven, en zijn het algemene doel alsmede de ratio en rechtvaardiging van zaaksvervanging aan de orde gekomen. In deze paragraaf zal mede op basis van deze algemene elementen de hoofdregeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen worden uitgewerkt. Die hoofdregeling ligt (thans) in artikel 1:95 lid 1 BW besloten. Daarbij komt in paragraaf 3.2 eerst aan de orde dat de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW per saldo als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. Die constatering houdt een aantal verruimende, maar ook een aantal beperkende elementen voor de werking van artikel 1:95 lid 1 BW in zich. In paragaaf 3.3 wordt vervolgens ingegaan op de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW in het licht van de ‘nadere rechtvaardiging’ die voor ieder ingrijpen op grond van zaaksvervanging nodig is (vgl. paragraaf 2.2 hiervóór). Paragraaf 3.4 handelt over de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarden van de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW af te wijken, waarna in paragraaf 3.5 de toepasselijkheid van de regeling van zaaksvervanging op voorhuwelijks vermogen aan de orde komt. In paragraaf 3.6 zal vervolgens op schulden en de werking van artikel 1:95 lid 1 BW worden ingegaan. Paragraaf 3.7 handelt ten slotte over die gevallen van zaaksvervanging die vóór 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden. Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk reeds aangegeven, worden deze gevallen van zaaksvervanging niet beheerst door artikel 1:95 lid 1 BW, maar door analoge toepassing van artikel 1:124 lid 2 BW. De vraag is of dit voor de uitkomst verschil uitmaakt of niet.