Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.3.5
6.3.3.5 Praktijkproblemen bij het vereiste van de wettelijke grondslag
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400760:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit blijkt bijvoorbeeld uit ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs (Flevo Herb 1). Zie ook Comijs 1998, p. 108-109; Veltman 1995, paragraaf 3; Simon & Bok 1997, p. 63.
Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 5, p. 9 (Memorie van Antwoord).
Tekst & Commentaar, p. 188. Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 40 (MvT).
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 40 (MvT).
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 5, p. 9-10.
Zie ABRvS 9 april 2008, AB 2008, 166, m.nt. R. Ortlep (gemeente Middelburg). Voldoende is dat een bestuursorgaan heeft beoogd een rechtsgevolg tot stand te brengen in het kader van de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 34.
Zie ook Rb Amsterdam 22 september 2011, AB 2012, 136, m.nt. J.E. van den Brink waaruit blijkt dat de rechtbank geen ambtshalve aandacht besteedt aan de vraag in hoeverre een wettelijke grondslag bestaat voor subsidieverstrekking door de minister van Immigratie en Asiel uit het EVF.
AB 2010, 74, m.nt. R. Ortlep, r.o. 2.5.
LJN BP2838. In deze zaak ging het om een subsidie op grond van het communautair initiatief LEADER+ uit de programmaperiode 2000-2006 verstrekt door het college van GS van de provincie Zeeland.
AB 2010, 21, m.nt. J.E. van den Brink. In deze uitspraak ging het om de Europese subsidie uit hoofde van Leonardo da Vinci die was verstrekt door de minister van OC&W. De op nationaal niveau vastgestelde regeling nationaal agentschap Leonardo da Vinci-II regelde wel dat de bevoegdheid tot subsidieverstrekking door de minister van OC&W werd gemandateerd aan het ONOP, maar niet hoe de minister aan deze bevoegdheid kwam.
AB 2004, 405, m.nt. W. den Ouden.
Het lijkt erop dat de Afdeling de Bijdrageverordening van de Provincie Flevoland over het hoofd heeft gezien. Onduidelijk blijft of de Afdeling van oordeel is dat de bevoegdheid tot subsidieverstrekking is gelegen in de Verordening nr. 1260/1999 dan wel dat de uitzondering van artikel 4:23, derde lid, sub b, van de Awb van toepassing is.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 7 mei 2008, LJN BD1086; ABRvS 18 december 2002, AB 2003, 147, m.nt. N. Verheij, 113 2003/46, m.nt. E. Hardy.
In hoofdstuk 2 kwam aan de orde dat ook het EU-recht vereist dat voor het verstrekken van Europese subsidies een wettelijke grondslag bestaat (zie paragraaf 22.4). Europeesrechtelijk bestaat deze grondslag erin dat aan de Europese Commissie de bevoegdheid wordt toegekend om Europese gelden aan de lidstaten te verstrekken waarmee Europese subsidies worden verstrekt. Het EU-recht houdt zich echter niet bezig met de vraag in hoeverre een wettelijke grondslag moet bestaan voor de verstrekking van Europese subsidies door nationale uitvoeringsorganen. De Europese subsidieregelgeving eist wel dat de lidstaten de nationale uitvoeringsorganen aanwijzen die belast zijn met de verstrekking van Europese subsidies, maar niet hoe deze aanwijzing vorm moet krijgen. Ik ga er vanuit dat voor de Europese Commissie voldoende is dat een nationaal uitvoeringsorgaan in een OP wordt aangewezen. Vandaar dat de verstrekking van Europese subsidies zonder wettelijke grondslag alleen naar nationaal recht onrechtmatig is.
Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 35.
ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Rem Herb 1). Zie voor een nationaal voorbeeld ABRvS 9 april 2008, AB 2008, 166, m.nt. R. Ortlep (gemeente Middelburg).
Hierop is reeds ingegaan in paragraaf 6.3.3.4.
ABRvS 12 maart 2008, JB 2008, 106, m.nt. E. Hardy.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 35. Deze oplossing is opvallend te noemen nu het verbod van reformatio in peius niet aan ambtshalve toetsing in de weg kan staan. Dit laat zien dat de ABRvS wellicht van oordeel is dat de bevoegdheid tot subsidieverstrekking niet ambtshalve behoeft te worden getoetst.
ABRvS 30 augustus 2006, LJN AY7173.
Stb. 2001, 625.
R.o. 2.82.
ABRvS 2 augustus 2006, AB 2006, 315, m.nt. W. den Ouden onder AB 2006, 316 (Stichting Technologie Centrum Limburg).
Dergelijke verwijzingen kwamen wel voor. Voor de Regeling Structuurverbetering glastuinbouw 1997 geldt dat bij besluit van 20 juli 2000 (Stcrt. 2000, 139) een artikel is ingevoegd waarin was bepaald dat zij berust op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies. Zie hieromtrent ABRvS 21 januari 2004, LJN A02011, r.o. 2.1.
ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. W. den Ouden, 113 2007/31, m.nt. AJB (ESP-subsidieplafond).
De Afdeling heeft deze redenering herhaald in ABRvS 1 augustus 2007,113 2007/181 (College van GS Limburg), r.o. 2.6. In deze uitspraak ging het om de Subsidieregeling ESF doelstelling 4 'Scholing voor behoud van werk', Stcrt. 1995, 83.
Zie in het kader van de verstrekking van Europese subsidies: ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II). Zie in het kader van nationale subsidies: ABRvS 14 mei 2008, LJN BD1474 (Stichting Kinderopvang Enschede), r.o. 2.7.1; CRvB 2 oktober 2007, AB 2008, 192, m.nt. J.E. van den Brink, r.o. 5.1.2 (Werkzoekende-subsidie Almere); ABRvS 20 oktober 2004, AB 2005, 157, m.nt. N. Verheij, JB 2004, 389, m.nt. AJB (Stichting Fonds Mond- en Klauwzeer). Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 35-36.
Dit volgt uit HR 21 maart 2003, NJ 2003, 691 (Waterpakt) en HR 1 oktober 2004, NJ 2004, 689. Zie hieromtrent punt 8 van de annotatie van J.E. van den Brink bij CRvB 2 oktober 2007, AB 2008, 192, m.nt. J.E. van den Brink (werkzoekende-subsidie Almere).
ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II). De redenering van de CRvB dat het met terugwerkende kracht vaststellen van een wettelijke grondslag niet leidt tot strijd met een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel omdat daarvan slechts het gevolg kan zijn dat belanghebbenden daaraan aanspraken kunnen ontlenen is dus te kort door de bocht. Zie hieromtrent punt 9 van de annotatie van J.E. van den Brink bij CRvB 2 oktober 2007, AB 2008, 192 (werkzoekende-subsidie Almere).
Zie EHRM 18 mei 2010, AB 2010, 189, m.nt. T. Barkhuysen en W. den Ouden (Plalam/Italie).
ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Flevo Herb II), r.o. 2.9.1.
Zie ook punt 5 van de annotatie van W. den Ouden bij ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214 (Flevo Herb II).
Zie punt 5 van de annotatie van N. Verheij bij ABRvS 20 oktober 2004, AB 2005, 157, punt 9 van de annotatie van J.E. van den Brink bij CRvB 2 oktober 2007, AB 2008, 192 en punt 4 van de annotatie van W. den Ouden bij ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214 (Flevo Herb II).
De voorgaande paragrafen laten twee problemen zien. In de eerste plaats het probleem dat de huidige Europese subsidieverordeningen in de praktijk niet als wettelijke grondslag kunnen dienen, omdat daarin niet is geregeld welk specifiek Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken, terwijl in de memorie van toelichting bij artikel 4:23 van de Awb de indruk wordt gewekt dat wanneer de verstrekking van Europese subsidies is geregeld in een Europese subsidieverordening een wettelijke grondslag niet noodzakelijk is. In de tweede plaats is de reikwijdte van de uitzondering op het vereiste van de wettelijke grondslag neergelegd in artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb niet duidelijk. Het voorgaande leidt ertoe dat het gemakkelijk kan voorkomen dat de Nederlandse wet- en regelgever van oordeel is dat geen wettelijke grondslag noodzakelijk is, terwijl dit later niet gerechtvaardigd blijkt te zijn. Welke consequenties heeft dit voor Europese subsidies die dan al door het bestuursorgaan zijn verstrekt?
Voorop staat dat Awb-subsidies die worden verstrekt zonder dat is voorzien in de vereiste wettelijke grondslag, onrechtmatig zijn verstrekt.1 Dit betekent niet dat het besluit tot subsidieverstrekking nietig is.2 De subsidie kan bij het ontbreken van een wettelijke grondslag voorts niet zonder meer worden ingetrokken op grond van de artikelen 4:48 of 4:49 van de Awb.3 De grond dat de subsidieontvanger wist of behoorde te weten dat de subsidieverstrekking onjuist is, ziet, blijkens de memorie van toelichting, op kennelijke fouten van het bestuursorgaan; dat wil zeggen overduidelijke fouten die voor de subsidieontvanger meteen duidelijk hadden moeten zijn. Hier valt het ontbreken van een wettelijke grondslag niet onder. Het behoort immers primair tot de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om na te gaan of een voldoende wettelijke basis voor subsidieverstrekking bestaat.4 Ook uit de Nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de subsidieontvanger niet steeds hoeft na te gaan of er bevoegd subsidie wordt verstrekt.5
In de praktijk komt het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het verstrekken van een Europese subsidie pas aan het licht indien deze subsidie — op een andere grond dan het ontbreken van een wettelijke grondslag — lager wordt vastgesteld, dan wel wordt ingetrokken, de subsidieontvanger het daarmee oneens is en de zaak bij de bestuursrechter terecht komt. Het is vaste jurisprudentie van de ABRvS dat de schriftelijke beslissing tot het verstrekken van subsidie, ook al heeft deze geen wettelijke grondslag, wel een publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat.6 De vraag is wel hoe de Nederlandse bestuursrechter vervolgens met het ontbreken van een wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking moet omgaan.
Een eerste vraag is in hoeverre de bestuursrechter ambtshalve dient na te gaan of een wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking ontbreekt. De bestuursrechter bekijkt in elke zaak welke rechtsregels van toepassing zijn, dus zal een ontbrekende wettelijke grondslag vrijwel altijd signaleren. Omdat het gaat om de vraag of een bestuursorgaan wel bevoegd is om het bestreden besluit te nemen, zou de bestuursrechter dit ambtshalve dienen te toetsen.7 In de jurisprudentie is op dit punt echter een verschil in benaderingswijze te zien tussen de ABRvS en het CBb 8 Het CBb overweegt in de uitspraak van 22 december 2009 dat het College ambtshalve de vraag aan de orde heeft gesteld waaraan de minister van LNV de bevoegdheid ontleent om ter uitvoering van de Europese regelgeving te beslissen over de verdeling van herstructureringssteun tussen bietentelers en loonwerkers.9 Dat de ABRvS niet altijd ambtshalve toetst aan artikel 4:23, eerste lid, van de Awb blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van 2 februari 2011,10 4 maart 2009,11 en 15 september 2004.12 In de eerste twee uitspraken bestond geen wettelijke grondslag voor de verstrekking van Europese subsidies, maar de ABRvS gaat daarop niet in, laat staan dat er consequenties aan worden verbonden. In de laatstgenoemde uitspraak bestond wel een wettelijke grondslag voor de verstrekking van de Europese subsidie, maar wordt deze niet expliciet genoemd.13 Omdat de ABRvS in andere uitspraken wel ambtshalve toetst of is voldaan aan de eis van de wettelijke grondslag/het bestuursorgaan bevoegd was om subsidie te verlenen, is tot op heden niet geheel duidelijk welke koers zij op dit punt volgt.14
Een tweede vraag is welke consequenties de bestuursrechter aan het ontbreken van een wettelijke grondslag dient te verbinden. Gelet op het ontbreken van een wettelijke grondslag is de subsidieverstrekking naar nationaal recht onrechtmatig en bestaat strikt genomen in het geheel geen recht op subsidie.15 Indien de bestuursrechter tot dit eindoordeel komt en de besluiten tot subsidieverstrekking reeds daarom vernietigt, betekent dit een reformatio in peius voor de subsidieontvanger in gevallen waarin het bestuursorgaan heeft besloten de subsidie niet geheel op nihil vast te stellen dan wel de subsidieverlening of —vaststelling niet geheel in te trekken en de subsidieontvanger daartegen bezwaar heeft gemaakt.16 Een voorbeeld van een uitspraak waarin deze problematiek met betrekking tot een Europese subsidie naar voren komt, biedt de uitspraak van de ABRvS van 19 april 2006.17
In deze uitspraak gaat het om een subsidie die door de provincie Flevoland aan Flevoherb is verstrekt door middel van een overeenkomst. Het betreft deels Europese subsidies op grond van het communautaire initiatief LEADER II en uit het EOGFL0. De provincie weigerde het subsidiebedrag dat was overeengekomen, uit te betalen. Hierop vroeg Flevoherb om een besluit tot subsidievaststelling, hetgeen door GS van de provincie Flevoland werd genomen. In de daarop volgende procedure komt de vraag aan de orde wat de wettelijke grondslag van dit besluit is. De ABRvS komt tot de conclusie dat deze grondslag ontbreekt. De provinciale Bijdrageverordening kan niet als grondslag dienen omdat deze verordening slechts mogelijk maakt dat een besluit tot subsidievaststelling wordt genomen op grond van een besluit tot subsidieverlening. Hier ontbreekt dit besluit; de subsidie is immers bij overeenkomst verstrekt. Ook de Europese verordening kan niet als grondslag dienen, nu daarin niet is bepaald dat GS bevoegd is tot subsidieverstrekking. Voorts is de ABRvS van oordeel dat geen sprake was van een Europees programma in de zin van artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Awb.18 De ABRvS is van oordeel dat de subsidie wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag eigenlijk op nul zou moeten worden vastgesteld. Om te voorkomen dat Flevoherb erop achteruit zal gaan, besluit de ABRvS de beslissing op bezwaar te vernietigen maar het primaire besluit te handhaven. In een latere uitspraak van 12 maart 2008 vernietigt de ABRvS de beslissing op bezwaar, maar laat zij de rechtsgevolgen in stand.19
De door de bestuursrechter gekozen oplossing doet formeel recht aan het legaliteitsbeginsel (het onbevoegd genomen besluit wordt vernietigd), doch materieel prevaleert het verbod van 'reformatio in peius' (de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten).20
Om bovenstaande problemen te voorkomen is het begrijpelijk dat het de bestuursrechter er veel aan gelegen is om een wettelijke grondslag voor de verstrekking van Europese subsidies te vinden. Voor ESF-subsidies in de programmeringsperiode 1994-1999 werd de wettelijke grondslag uiteindelijk gevonden in artikel 20 van de wet suwi, zo blijkt uit een uitspraak van 30 augustus 2006.21
Probleem in deze zaak was dat de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999) oorspronkelijk was gebaseerd op artikel 81, eerste en tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996. Dit artikel was met ingang van 1 januari 2002 vervallen. Het artikel kwam echter inhoudelijk overeen met het nieuwe artikel 20, eerste lid, van de Wet suwi. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet en de Invoeringswet Wet suwi22 is de ABRvS van oordeel dat de grondslag voor de bevoegdheid van de minister om (thans) op grond van de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999) besluiten te nemen is gegeven in artikel 20, eerste lid, van de Wet suwi.23
In de uitspraak van 2 augustus 200624 gaat het om de vraag of een wettelijke grondslag bestaat voor het verstrekken van Europese subsidies op grond van de Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid II. Deze subsidieregeling is niet gebaseerd op een wet in formele zin. De ABRvS komt desondanks tot de conclusie dat de regeling is gebaseerd op de Kaderwet szw-subsidies. De Kaderwet szw-subsidies is op 1 januari 1998 in werking getreden en is mede bedoeld om per die datum een wettelijke grondslag te verschaffen voor subsidieregelingen van de minister die niet in een bestaande bijzondere wet passen. Volgens de ABRvS is deze wet ook van toepassing op subsidieregelingen die op 1 januari 1998 reeds bestonden en niet waren gebaseerd op een bijzondere wet. Dat in de regeling geen verwijzing naar de Kaderwet szw-subsidies is neergelegd, doet daaraan niet af.25 Omdat het in deze zaak een subsidie betreft die voor 1 januari 2002 is verstrekt, was voormelde exercitie niet nodig. Zoals gezegd geldt het vereiste van de wettelijke grondslag voor oude subsidieregelingen, dat wil zeggen subsidieregelingen die op 1 januari 1998 van kracht waren, pas vanaf 1 januari 2002.
Ook de Subsidieregeling EsF-3 die van toepassing is op de verstrekking van ESF-subsidies in de programmaperiode 2000-2006 heeft voor problemen gezorgd wat betreft het vereiste van een wettelijke grondslag. Deze problemen komen aan het licht in de befaamde EsF-subsidieplafondzaak die heeft geresulteerd in de uitspraak van de ABRvS van 3 januari 2007.26 Omdat deze subsidieregeling is vastgesteld na 1 januari 1998, geldt het voormelde overgangsrecht niet. In de considerans noch in haar artikelen is een wettelijk voorschrift opgenomen op grond waarvan de regeling is vastgesteld. De ABRvS oordeelt dat in de Europese verordening — in casu de Verordening nr. 1260/1999 — geen Nederlands bestuursorgaan is aangewezen dat bevoegd is tot het verstrekken van ESF-subsidies. Bij gebreke van een toepasselijke andere wet, moet het volgens de ABRvS ervoor worden gehouden dat de Subsidieregeling ESF-3 is gebaseerd op de Kaderwet szw-subsidies.27 Dit is een opvallende uitspraak, nu de Subsidieregeling ESF-3 is vastgesteld toen het vereiste van de wettelijke grondslag á bestond.28 De minister was bij de vaststelling van deze regeling kennelijk van oordeel dat de uitzondering van artikel 4:23, derde lid, onder b, van de Awb van toepassing was. Inmiddels is in de considerans van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 geëxpliciteerd dat de regeling is gebaseerd op de artikelen 3, eerste en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet szw-subsidies.
Inmiddels heeft de Nederlandse bestuursrechter á een aantal keren geaccordeerd dat een wettelijke grondslag met terugwerkende kracht wordt gecreëerd.29 Deze oplossing is alleen mogelijk indien het bestuursorgaan bereid is tot het met terugwerkende kracht vaststellen van een wettelijke grondslag en het ontbreken van een wettelijke grondslag niet aangrijpt om de subsidie terug te vorderen en zodoende geld te besparen. In de desbetreffende uitspraken van de ABRvS was het bestuursorgaan zelf overgegaan tot het vaststellen van een wettelijke grondslag met terugwerkende kracht. De rechter kan het desbetreffende bestuursorgaan echter niet gebieden ervoor zorg te dragen dat een wettelijke grondslag wordt gecreëerd.30 Daarbij komt dat voor ëëëcreëren van een wettelijke grondslag in sommige gevallen een wet in formele zin, of een provinciale verordening nodig zal zijn die moeten worden vastgesteld door andere organen dan het subsidieverstrekkende bestuursorgaan.
Uit de uitspraak van 10 februari 2010 van de ABRvS blijkt dat de wettelijke grondslag met terugwerkende kracht niet tot gevolg mag hebben dat de subsidieontvanger in een nadeliger positie komt te verkeren.31 Dit is in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM waaruit volgt dat — nu de aanspraak op financiële middelen kwalificeert als eigendom in de zin van artikel 1, eerste protocol bij het EVRM — een wettelijk voorschrift de uit een reeds gegeven beschikking tot subsidieverlening voortvloeiende aanspraken in beginsel niet met terugwerkende kracht mag beperken.32 De ABRvS komt tot de conclusie dat bij de wijziging van de Bijdrageverordening geen bepalingen zijn opgenomen die andere of meer verplichtingen opleggen aan de subsidieontvangers dan die reeds volgden uit de tussen GS en de subsidieontvangers gesloten overeenkomsten.33 Mijns inziens is deze conclusie te kort door de bocht, nu de in de Bijdrageverordening neergelegde subsidieverplichting dat facturen voor 30 juni 2001 moesten zijn betaald, weliswaar slechts in subsidieovereenkomsten met twee van de vier subsidieontvangers was terug te vinden, maar wel aan alle vier subsidieontvangers werd tegengeworpen.34 Twee subsidieontvangers werden dus wel degelijk benadeeld door de wijziging van de Bij drageverordening.
Ook derden — bijvoorbeeld concurrenten — kunnen worden benadeeld door het alsnog creëren van een wettelijke grondslag.35 In de jurisprudentie is de vraag in hoeverre dit in de weg staat aan het met terugwerkende kracht vaststellen van een wettelijke grondslag, nog niet aan de orde gesteld.