Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.1.3
12.1.3 Ratio in de Nederlandse literatuur
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301687:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt Struycken 1903, p. 239, die stelt: “Waarom is wèl het eigendomsrecht een subjectief recht, niet iedere daarin vervatte bevoegdheden op zich zelve? Omdat iedere dier bevoegdheden wel, evenals ieder deel van een voorwerp, op zich zelve kan worden beschouwd, maar haar samenhang met de andere bevoegdheden, als toekomende aan éénzelfden persoon, gericht op éénzelfde voorwerp, beschermd door denzelfden algemeenen onthoudingsplicht van anderen, gehandhaafd door hetzelfde rechtsmiddel, zoo zeer in het oog springt, dat ze niet allèèn, maar slechts in verband met die andere bevoegdheden, zich afscheidt van alle andere bevoegdheden en rechten.” Hetzelfde principe zou kunnen gelden voor de beperkte rechten. Vergelijk paragraaf 6.2.
In Asser/Sieburgh 2016, para. 20-27 worden enkele algemene regels gegeven voor wat de inhoud van een verbintenis kan zijn, maar wordt niet uitgewerkt of de overeengekomen aanspraken steeds onderdeel zijn van hetzelfde vorderingsrecht, of dat zij los van elkaar bestaan.
Zie Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 217; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 454 en bijvoorbeeld de titels van de hoofdstukken 6.4 en 6.5 bij Struycken 2007 en de titel van het stuk van Verdaas 2015.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 644; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 78.
Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 298. Daarnaast wordt ook nog genoemd de bescherming van partijen die door hun (geringe) onderhandelingspositie geen invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het betreffende beperkte recht. Zie over deze doeleinden Struycken 2007, p. 385.
Zij het dat de maatschappelijke functie van goederenrechtelijke rechten in de loop der tijd enigszins kan wijzigen en – daarmee – mogelijk ook de aanspraken die er onderdeel van gemaakt kunnen worden; zie Struycken 2007, p. 400.
471. De ratio voor het samenvoegen van aanspraken wordt in de Nederlandse literatuur vaak niet geëxpliciteerd. Dit heeft er onder meer mee te maken dat het voor het eigendomsrecht niet nodig is om uit te leggen welke aanspraken daar onderdeel van uitmaken, omdat het eigendomsrecht in principe alle mogelijke aanspraken omvat.1 Voor vorderingen wordt in de literatuur niet uitgewerkt wat precies wel en niet onderdeel van de vordering kan zijn.2
472. Daarom is vooral in de literatuur over beperkte rechten te vinden waarom bepaalde aanspraken onderdeel gemaakt kunnen worden van deze subjectieve (beperkte) rechten. Het zoeken naar verklaringen vindt daarbij vaak ‘andersom’ plaats: er wordt niet gekeken naar de reden waarom aanspraken aan een beperkt recht kunnen worden toegevoegd, maar waarom zij niet aan een beperkt recht zouden kunnen worden toegevoegd. De redenen waarom partijen ervoor zouden willen kiezen om aanspraken onderdeel te maken van een beperkt recht worden simpelweg verklaard door te verwijzen naar ‘de partijautonomie’. De bespreking richt zich vervolgens op het beknotten van deze partijautonomie door de numerus clausus en de daaruit voortvloeiende vereisten.3 Het al dan niet kunnen toevoegen van aanspraken aan de inhoud van een beperkt recht wordt daarmee in verband gebracht met de doeleinden die de numerus clausus dient (zie daarover paragraaf 5.3.5).4 Deze doeleinden zijn onder meer gelegen in de bescherming van derden en de grotere rechtszekerheid die door de numerus clausus zouden worden bereikt, doordat het buiten de door de overheid toegestane gevallen niet mogelijk is om aanspraken in het leven te roepen die tegen derden werken.5 Als men de numerus clausus als vaststaande set van goederenrechtelijke rechten opvat, dan staan daarmee (in theorie) ook de aanspraken vast die door partijen onderdeel gemaakt kunnen worden van een beperkt recht.6