Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/4.5.5.3
4.5.5.3 Bewijs van schuld
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577534:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 77. In de praktijk is het moeilijk voorstelbaar dat een onderneming die de mededingingsregels overtreedt geen verwijt kan worden gemaakt. Voor wat betreft het ongeoorloofde mededingingsrecht heeft de Hoge Raad een beroep op verschoonbare dwaling verworpen in HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. Gros-heide (Hertzano c.s./Otto Simon c.s.). Hoewel de uitspraak is gewezen in een geschil betreffende het privaatrechtelijk mededingingsrecht (in dit geval het ongeoorloofde mededingingsrecht) zal hetzelfde hebben te gelden voor het publiekrechtelijk mededingingsrecht. In beginsel is een beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het objectieve recht onder het oude recht mogelijk geacht, maar een beroep op rechtsdwaling wordt meestal afgewezen wegens het feit dat zij aan eigen schuld is te wijten of voor risico van de dwalende komt. Asser/Hartkamp 4-III (2006), nr. 79 en de daar genoemde verwijzing naar HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. Grosheide (Hertzano c.s./Otto Simon c.s.), r.o. 3.2.4. Zie ook Jansen (Onrechtmatige daad 1), art. 162, lid 3, aant. 52.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 618-619 (TM). Toerekening krachtens de verkeersopvattingen wordt beperkt tot een beperkt aantal situaties, nu de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad voornamelijk een schuldaansprakelijkheid is. Zie Asser/Hartkamp 4-Eli (2006), nr. 91-92.
Aangezien schadevorderingen betrekking hebben op aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad, is in veel lidstaten het bewijs van schuld vereist. De Commissie vraagt zich af of voor schadevorderingen in mededingingszaken het bewijs van schuld moet worden geleverd. De Commissie suggereert dat het bewijs van de inbreuk toereikend zou moeten zijn en opteert dus voor een vorm van risicoaansprakelijkheid of een omkering van de bewijslast. Deze risicoaansprakelijkheid of omkering van de bewijslast zou eventueel kunnen worden beperkt tot de zwaarste inbreuken op de mededingingswetgeving. Eventueel zou de verweerder de mogelijkheid moeten hebben aan te tonen dat sprake is van een verschoonbare, onjuiste opvatting over het recht of de feiten (verschoonbare dwaling).
In het Nederlands recht vormt toerekenbaarheid in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW geen probleem bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Toerekenbaarheid van de inbreuk op het mededingingsrecht aan de dader vindt plaats wanneer deze inbreuk is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. De aanwezigheid van schuld wordt echter veelal op voorhand aangenomen, nu het uitzonderlijk is dat ingeval de onrechtmatigheid vast is komen te staan de dader geen schuld heeft.1 Degene die dwaalt ten aanzien van de rechtmatigheid van zijn eigen handelen in strijd met het mededingingsrecht pleegt een onrechtmatige daad die, zo er á geen sprake is van schuld, kan worden toegerekend krachtens de verkeersopvattingen.2
De toerekenbaarheid en het bewijs van schuld worden besproken in hoofdstuk 7 (§ 7.6.4).