Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.2.4
4.2.2.4 Het arrest-Kolyadenko e.a./Rusland
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS441382:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Het arrest-Kolyadenko e.a./Rusland is wat betreft de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen reeds uitvoerig behandeld in paragrafen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.6. De overwegingen van het EHRM over de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen laat ik hier daarom zo veel mogelijk buiten beschouwing.
Ook hier valt op dat het EHRM, net als in de zaak-Budayeva e.a./Rusland, maar anders dan in de zaak-Öneryildiz/Turkije, niet expliciet sprak van een ‘reëel en onmiddellijk gevaar’ (‘real and immediate risk’).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 165 (zaaknr. 17423/05).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 15-16 en 176-179 (zaaknr. 17423/05).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 166 (zaaknr. 17423/05). Voor de volledigheid merk ik op dat ik de volgorde van de overwegingen van het EHRM hier om systematische redenen enigszins heb gewijzigd. Het EHRM had namelijk al geoordeeld dat die positieve verplichting bestond (zie r.o. 166), voordat het oordeelde dat de Russische autoriteiten (ook) wisten van het gevaar van een overstroming in het gebied stroomafwaarts van het stuwmeer in het geval dat met spoed water uit het stuwmeer vrijgelaten werd (zie r.o. 176-179).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 174 en 179-180 (zaaknr. 17423/05).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 181-182 en 185 (zaaknr. 17423/05).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 183 (zaaknr. 17423/05).
Zie EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 214-217 (zaaknr. 17423/05).
Kolyadenko en haar medeklagers woonden langs een rivier stroomafwaarts van een stuwmeer bij Wladiwostok. Op 7 augustus 2001 liet het overheidsbedrijf dat het stuwmeer beheerde een grote hoeveelheid water uit het stuwmeer vrij. Het vrijlaten van het water in de rivier achter de dam was nodig vanwege zeer hevige regenval op die dag waardoor het stuwmeer zijn opslagcapaciteit dreigde te overschrijden en de dam dreigde te breken. Door het vrijlaten van dit water kwamen een aantal woningen en andere eigendommen die langs de rivier stroomafwaarts van het stuwmeer stonden korte tijd onder water te staan. De klagers klaagden ten eerste over een schending van artikel 2evrm. Het ehrm zag zich in dit verband onder andere voor de vraag gesteld of de Russische autoriteiten hun positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen en hun positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten hadden geschonden.1 Bij de beantwoording van de vraag of zij hun positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten hadden geschonden, ging het ehrm na of (1) er een gevaar voor het leven van een of meer personen bestond en, zo ja, (2) of de autoriteiten van het bestaan van dat gevaar wisten of behoorden te weten.2
Met betrekking tot de vraag of de overheid wist of behoorde te weten van een gevaar voor het leven van een of meer personen aanvaardde het ehrm (veronderstellenderwijs) dat de regen op 7 augustus 2001 uitzonderlijk hevig was. Volgens het ehrm had de overheid echter ongeacht de weersomstandigheden de waarschijnlijkheid en de potentiële gevolgen van het met spoed vrijlaten van water uit het stuwmeer moeten voorzien, aangezien overheidsinstanties in het verleden al hadden gewezen op de mogelijkheid dat bij hevige regen met spoed water vrijgelaten zou moeten worden.3 Naar het oordeel van het ehrm wisten de Russische autoriteiten ook van het gevaar van een overstroming in het gebied stroomafwaarts van het stuwmeer (inclusief de mogelijke omvang en gevolgen van een overstroming) in het geval dat met spoed water uit het stuwmeer vrijgelaten werd. Daarvoor hadden verschillende overheidsinstanties namelijk al vóór de overstroming gewaarschuwd. In het bijzonder hadden zij erop gewezen dat de rivier stroomafwaarts van het stuwmeer vol stond dan wel lag met onder meer struiken, afval, illegale dammetjes en andere bouwsels en dat dat een overstroming van bewoond gebied kon veroorzaken bij het (met spoed) vrijlaten van water. Zij hadden daarom verzocht de rivier vrij te maken en te verdiepen.4
Gezien het voorgaande hadden de Russische autoriteiten op grond van artikel 2evrm (onder meer) de positieve verplichting om concrete handelingen (‘practical measures’) te verrichten ter effectieve bescherming van degenen wier leven gevaar liep.5 Volgens het ehrm hadden zij die positieve verplichting evenwel geschonden, (mede) doordat zij de rivier stroomafwaarts van het stuwmeer niet vrijgehouden hadden van obstakels en in het bijzonder doordat zij niet gewaarborgd hadden dat de rivier daar een voldoende, op het stuwmeer afgestemde afvoercapaciteit had.6 Die positieve verplichting hadden zij bovendien geschonden, (mede) doordat de bevolking niet of onvoldoende was geïnformeerd over de gevaren waaraan zij blootstond als gevolg van het stuwmeer (in het bijzonder het gevaar van overstroming) en doordat er ten tijde van de ramp geen actief waarschuwingssysteem was dat de bevolking waarschuwde bij het met spoed vrijlaten van grote hoeveelheden water uit het stuwmeer.7
Met betrekking tot het niet waarborgen van een voldoende afvoercapaciteit van de rivier en de aanwezigheid van een actief waarschuwingssysteem, als concrete handelingen ter bescherming van het leven van de bewoners stroomafwaarts van het stuwmeer, merkte het ehrm op dat het de ruime ‘margin of appreciation’, die de overheid heeft bij de keuze van de middelen waarmee zij zich van haar positieve verplichtingen kwijt, niet over het hoofd had gezien. Het oordeelde evenwel dat het verrichten van die concrete handelingen geen onmogelijke of disproportionele last op de autoriteiten zou hebben gelegd en dus van hen gevergd kon worden.8
Kolyadenko e.a. klaagden bij het ehrm tot slot ook over een schending van hun recht op respect voor de woning en hun eigendomsrecht ten aanzien van hun woningen en daarin of daaromheen aanwezige eigendommen. Deze waren door de overstroming namelijk beschadigd. Hierover overwoog het ehrm dat er bij hem geen twijfel over bestond dat het causale verband dat het had vastgesteld tussen de nalatigheid van de overheid en het in gevaar brengen van mensenlevens (zoals het had vastgesteld in het kader van de klacht onder artikel 2evrm) ook van toepassing was op de beschadiging van de woningen en eigendommen van de klagers. Het oordeelde dan ook dat de positieve verplichtingen onder artikel 8evrm en artikel 1ep vereisten dat de overheid ter voorkoming van beschadiging van de woningen en eigendommen van de klagers dezelfde concrete handelingen (‘practical measures’) had moeten verrichten als die zij onder artikel 2 evrm had moeten verrichten. Nu die handelingen niet verricht waren, was ook sprake van een schending van artikel 8 evrm en artikel 1 ep.9