Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.8
4.7.8 Categorieën van gezichtspunten
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508630:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Jansen 2012a, p. 155-158. Vgl. Wolters 2013, p. 40, die zes abstracte hoofdcategorieën formuleert: normen, gedragingen en gebeurtenissen, kenmerken van de partijen bij een rechtsbetrekking, de verhouding tussen partijen bij een rechtsbetrekking, belangen en evenwicht. Vgl. Barendrecht & Van den Akker 1999, p. 54-68.
Vgl. Jansen 2012a, p. 394 e.v., 550, en Jansen 2013a, p. 66-67. Vgl. ook artikel 4:102 van de Principles of European Tort Law.
Conclusie van A-G Spier, onder 5.13.2, voor HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7198 (Veghelse varkenshouder).
Zie ook Hartlief 2019, p. 20-21.
HR 5 november 1965, NJ 1966/136 (Kelderluik). Zie ook HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4224, NJ 2005/105 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.4.1 (Jetblast), HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, r.o. 3.3 (Bildtpollen/Miedema) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, r.o. 3.4 (Voetbalspel).
Zie ook Van de Sande 2015a, paragraaf 5.3.3.
Uit het voorgaande blijkt dat de oneindige veelheid van relevante gezichtspunten zich niet laat vangen in een rechterlijke gezichtspuntencatalogus. Zij laat zich wel categoriseren. Met betrekking tot het leerstuk van de dwaling, dat is neergelegd in artikel 6:228 BW, heeft Jansen laten zien dat de relevante gezichtspunten kunnen worden ingedeeld in drie categorieën: de aard van de rechtsverhouding, de aard van de informatie en de aard van de betrokken belangen. 1Volgens Jansen is het hanteren van deze indeling ook mogelijk bij het categoriseren van de gezichtspunten die een rol spelen bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnormen die de buitencontractuele aansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking regeren.2 Hij heeft daarbij met name het oog op de gezichtspunten die relevant zijn in gevallen van (meer klassieke) gevaarzetting.
In dit verband valt ook te wijzen op de opvatting van A-G Spier.3 Volgens de A-G hangt het antwoord op de vraag welke eisen in een concreet geval aan overheidsinformatie mogen worden gesteld, af van de omstandigheden van het geval, waarbij de deskundigheid van de verzoeker, de aard van de materie en de belangen die op het spel staan allicht een (niet on)belangrijke rol spelen. De parallel met de voornoemde categorieën van Jansen is onmiskenbaar, en ook een parallel met de Kelderluik-criteria – die de A-G ook zelf signaleert – dringt zich op. Dit bevreemdt niet,4 omdat in algemene zin uit het Kelderluik-arrest kan worden opgemaakt dat de inhoud van een zorgvuldigheidsnorm wordt bepaald door de uitkomst van een weging van verschillende elementen.5 De elementen die hierbij een rol spelen zijn (i) de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, (ii) de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, (iii) de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en (iv) de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.
De aangehaalde indeling van Jansen zal hierna als leidraad worden genomen voor de bespreking van de relevante omstandigheden van het geval.6 Hierin vinden alle omstandigheden een plaats die tot op heden relevant zijn bevonden in rechtspraak en literatuur.