Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.4:11.4 Conclusie
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.4
11.4 Conclusie
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607811:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meeste verbondenheidsbegrippen in de SW 1956 gaan uit van criteria op basis van relationele kenmerken. Onderling zijn deze begrippen niet altijd gelijk, maar ze wijken met name af van vergelijkbare begrippen die gelden voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
In dit hoofdstuk is onderzocht waarom ‘verbondenheid’ relevant is voor de heffing van het successie- en schenkingsrecht, en op welke plaats en welke wijze hier in de Wet SW 1956 rekening mee wordt gehouden. In dit verband kunnen twee thema’s in het successie- en schenkingsrecht worden onderscheiden, ten aanzien waarvan verbondenheid niet wettelijk is omschreven maar wel een rol speelt. Dit betreft de fiscale transparantie van samenwerkingsverbanden en van rechtspersonen die een landgoed in stand houden of exploiteren. In het kader van het wetsvoorstel ‘Invoering van titel 7.13 BW’ zal de fiscale transparantie ook voor de OVR en CVR gelden.
In de SW 1956 zijn circa tien verschillende, wettelijk gedefinieerde verbondenheidsbegrippen te vinden. De meeste begrippen hebben betrekking op de relatie tussen natuurlijke personen. Alleen ten aanzien van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten als bedoeld in art. 35b SW 1956 is de verbondenheid met een lichaam bedoeld.
De conclusies die uit de analyse van de wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen in de SW 1956 kunnen worden getrokken, zijn samengevat in het volgende schema:
Begrip
Wettelijke omschrijving
Functie
Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Neutraliteit ten aanzien van de rechtsvorm en samenlevingsvorm
Open norm of scherpe norm
Uniformiteit
Aanbevelingen
Verbonden personen in de zin van art. 2 lid 1 SW 1956
Echtgenoot, Geregistreerde partner en kinderen jonger dan 27 jaar
V
-
-
+
-
Aansl uiting bij begrip ‘verbonden persoon’(hoofdstuk 6):
– Sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot van de belastingplichtige, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd;
– Weerlegbaar vermoeden van verbondenheid voor ongehuwde samenwoners;
– Minderjarig ‘kind’ van de belastingplichtige of van zijn ‘levensgezel’ wordt tot de kring van verbonden personen gerekend
Verbonden personen In de zin van art. 10 lid 5 SW 1956
Echtgenoot, geregistreerde partner, ongehuwde samenwoners als bedoeld in art. 24 lid 2 SW 1956 en bloeden aanverwanten tot en met de vierde graad, en hun echtgenoten
V en AO
-
-
+
-
Aansl uiting bij begrip ‘verbonden persoon’ (hoofdstuk 6)
Verbonden personen in de zin van art. 24 SW 1956
Echtgenoot, Geregistreerde partner, ongehuwde samenwoners als bedoeld in art. 24 lid 2 SW 1956 en kinderen, afstammelingen in de tweede of verdere graad (tariefgroep I); Broers, zusters en bloedverwanten in de rechtopgaande lijn (tariefgroep II)
F
+/-
-
+
-
Voor het partnerbegrip aansluiten bij begrip ‘partner’ als bedoeld in art. 1.2 Wet IB 2001 (hoofdstuk 6):
– Echtgenoot, geregistreerde partner en de ‘ongehuwd samenlevende’, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een ‘gezamenlijke huishouding’ voert;
– Eenmalige keuzemogelijkheid voor ongehuwde partners, die bovendien afhankelijk is van nadere voorwaarden Aansluiten bij het begrip ‘kind’ als bedoeld in art. 4 AWIR (hoofdstuk 6)
Partners in de zin van art. 25 en 26 SW 1956
Echtgenoot, geregistreerde partner, en ‘notariële samenwoner’ in de zin van art. 24 lid 2 onderdeel a SW 1956
V en AO
-
-
-
-
Aansl uiting bij partnerbegrip in begrip ‘verbonden persoon’(hoofdstuk 6):
– Sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot van de belastingplichtige, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd;
– Weerlegbaar vermoeden van verbondenheid voor ongehuwde samenwoners
Verbonden personen in de zin van art. 32 lid 6 SW 1956
(Gewezen) echtgenoot, ger egistreerde partner en degenen met wie de werknemer duurzaam Een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd; ‘Eigen’ kinderen en kinderen Van echtgenoot en geregistreerde partner, maar niet kinderen van partner met wie de werknemer ongehuwd samenwoont
F
+/-
-
+
-
Aansluiting bij begrippen ‘partner’ en ‘kind’ als bedoeld in art. 1.2 Wet IB 2001 en art. 4 AWIR (hoofdstuk 6)
‘Beleidsafhankelijke deelneming’ in de zin van art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956
Deelneming in een aandelenvennootschap waarin (mede) het beleid wordt bepaald
F
-
-
-
-
Aans luiten bij begrip ‘concern’ (hoofdstuk 7):
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan